Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14134

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
1258949/13-8732
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia zaak; rechtsgevolgen vernietiging overeenkomst op basis art 1:347 BW; terugwerkende kracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team kanton

BCV

rolnummer: 1258949 \ RL EXPL 13-8732

datum: 9 oktober 2013

Vonnis in de zaak van:


[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. G. van Dijk,


tegen

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

hierna te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

Procedure

1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken, waaruit tevens het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 8 april 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de door partijen in het geding gebrachte producties.

Feiten

2.

Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld en blijkt uit overgelegde stukken, een en ander voorzover niet of onvoldoende weersproken en in deze zaak van belang, kan van het volgende worden uitgegaan:

  1. Dexia en de wettelijke vertegenwoordigers van [eiser], handelende op naam en voor rekening van [eiser], hebben op 18 oktober 2000 een effectenleaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) met elkaar gesloten met contractnummer 76083633, genaamd “WinstVer10Dubbelaar”. De leasesom bedroeg € 12.136,50 en de looptijd 120 maanden.

  2. De overeenkomst houdt in dat de belegger (in casu [eiser]) een bedrag leent van Dexia waarvoor door Dexia effecten worden gekocht, die door haar in lease aan de belegger worden verstrekt. De over het geleende bedrag verschuldigde rente wordt bij aanvang van de overeenkomst vooruitbetaald (waarbij de belegger een korting krijgt), dan wel gedurende de looptijd van de overeenkomst door de belegger in maandelijkse termijnen betaald. Bij het einde van de overeenkomst worden de onderliggende aandelen verkocht, waarna de opbrengst wordt verrekend met het resterende bedrag van de lening. Een eventueel surplus wordt aan de belegger uitgekeerd; een tekort (restschuld) moet door de belegger aan Dexia worden betaald.

  3. Aan inleg is een bedrag van € 2.404,90 betaald. Na einde van de overeenkomst en verkoop van de onderliggende aandelen resteerde uit de overeenkomst een restschuld van € 1.624,95.

  4. [eiser] is geboren op [1988]. Voor het sluiten van de overeenkomst in 2000 ([eiser] was toen minderjarig) is geen machtiging van de kantonrechter verzocht en verkregen.

  5. Bij brief van 17 mei 2006 heeft [eiser] de overeenkomst op basis van art. 1:347 juncto art. 1:345 BW vernietigd.

Vordering en verweer in conventie

3.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

a. te verklaren voor recht dat de onderhavige overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door en ten behoeve van [eiser] krachtens die overeenkomst aan Dexia is betaald aan [eiser] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening;

Subsidiair

te verklaren voor recht dat Dexia door schending van haar zorgplichten en van haar mededelingsplicht [eiser] op onrechtmatige wijze heeft laten benaderen en heeft bewogen om de overeenkomst met Dexia aan te gaan en aansprakelijk is voor de volledige als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade;

Dexia te veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen al hetgeen door en ten behoeve van [eiser] krachtens die overeenkomst aan Dexia is betaald aan [eiser] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van betaling door [eiser] aan Dexia;


Primair en subsidiair

voorwaardelijk, voor het geval Dexia een kredietregistratie aan het Bureau Kredietregistratie in Tiel heeft doorgegeven op naam van [eiser], Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat elke registratie op naam van [eiser] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom € 500,-- voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,--;

Dexia te veroordelen om aan [eiser] de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden, vast te stellen conform Rapport Voorwerk II, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag;

Dexia te veroordelen in de proceskosten.

4.

[eiser] legt aan zijn vordering – kort zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag.

De overeenkomst, die tijdens zijn minderjarigheid tot stand is gekomen, is vernietigd en dus dient Dexia terug te betalen hetgeen door en namens [eiser] aan Dexia is betaald, met rente. Verder heeft Dexia haar zorgplichten geschonden, waardoor zij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Bij het aangaan van de overeenkomst is hij niet door Dexia gewezen op de specifieke risico’s van effectenleaseproducten. Daarnaast kennen effectenleaseproducten gebreken die niet gelden voor gewoon beleggen. Dexia heeft haar zorgplicht jegens hem geschonden en is aansprakelijk voor de schade die hij daardoor heeft geleden. Van eigen schuld aan zijn kant is geen sprake. Voorzover door Dexia een registratie op naam van [eiser] is doorgegeven aan het Bureau Kredietregistratie in Tiel, dient deze te worden doorgehaald. Omdat werkzaamheden zijn verricht ter verkrijging van voldoening buiten rechte, vordert [eiser] de kosten daarvan, op basis van Rapport Voorwerk II.

5.

Dexia voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Het verweer wordt hierna, voorzover relevant, besproken.

Beoordeling

6.

Het geschil spitst zich toe op de vraag wat de rechtsgevolgen zijn van de –door Dexia erkende- vernietiging van de overeenkomst. Volgens [eiser] dient de overeenkomst geheel ongedaan gemaakt te worden, door terugbetaling van alle aan Dexia betaalde bedragen. Dexia stelt zich hiertegen op het standpunt dat alle verplichtingen uit de overeenkomst voor [eiser] teniet zijn gedaan door het schrappen van de restschuld, dat door het niet melden van [eiser] bij het BKR de nadelige gevolgen zijn geregeld en dat voor restitutie van betaalde bedragen geen aanleiding is.

7.

De kantonrechter stelt voorop dat een vernietiging van een overeenkomst op basis van art. 1:347 BW ex art. 3:53 BW terugwerkende kracht heeft, zodat de gehele overeenkomst teruggedraaid dient te worden. Dit houdt in dat gedane betalingen gerestitueerd moeten te worden, als zijnde onverschuldigd betaald. Het standpunt van Dexia dat er geen aanleiding is de ouders van [eiser] terug te betalen miskent dat deze slechts handelden als wettelijk vertegenwoordigers, waarbij [eiser] de contractpartij was. Het enkele gegeven dat de betaling is verricht door de ouders van [eiser] (die destijds 12 jaar oud was) is onvoldoende om aan te nemen dat de betaling niet uit het vermogen van [eiser] (spaargeld) afkomstig is geweest, zoals [eiser] heeft gesteld. Dat de betalingsverplichting van [eiser] feitelijk door zijn ouders werd verricht, doet niet af aan de betalingsverplichting van [eiser] zelf en de effecten daarvan op zijn vermogenstoestand. Ook Dexia is ervan uitgegaan dat [eiser] zelf contractpartij was en derhalve gehouden tot betaling, want Dexia heeft [eiser] na het eindigen van de overeenkomst aangeschreven met betrekking tot de restschuld.
Hetgeen door of namens [eiser] is betaald dient derhalve in beginsel terugbetaald te worden.

8.

Dit is evenwel anders als de overeenkomst [eiser] geen nadeel heeft berokkend in de zin van art. 1:347 lid 2 BW. Die situatie doet zich in dit geval niet voor. Nu er immers door of namens [eiser] een bedrag van € 2404,90 is voldaan en dit bedrag geheel verloren is gegaan is sprake van een aanzienlijk nadeel voor [eiser].

9.

Het voorgaande leidt ertoe dat voor recht verklaard zal worden dat de overeenkomst is vernietigd en dat de uitvoering van de overeenkomst teniet gedaan dient te worden, alsof de overeenkomst nooit heeft bestaan. Dit houdt in dat, zoals Dexia in dit verband terecht aangeeft, ook de door Dexia aan [eiser] gedane betalingen uit hoofde van rente en dividenden teruggedraaid dienen te worden. Aan [eiser] dient dan voldaan te worden wat er per saldo resteert.

10.

Nu de primaire vordering slaagt, behoeft de subsidiaire vordering geen bespreking. Hetzelfde geldt voor de voorwaardelijk ingestelde subsidiaire vordering ten aanzien van de BKR registratie. Dexia heeft immers onweersproken gesteld dat van een dergelijke registratie geen sprake is. De buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen, uitgaande van een hoofdsom van minder dan € 2.500,--, derhalve een bedrag van € 363,--. De gevorderde rente zal eveneens worden toegewezen.

11.

Dexia dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat de onderhavige overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd;

veroordeelt Dexia om al hetgeen door en ten behoeve van [eiser] krachtens de overeenkomst aan Dexia is betaald aan [eiser] terug te betalen, onder aftrek van hetgeen Dexia aan [eiser] heeft voldaan aan rente en/of dividend, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen tot aan die der voldoening;

veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 467,82, waaronder een bedrag van € 300,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2013.