Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14095

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
AWB 13/25832, AWB 13/25834
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AA-procedure; Poro-genootschap; vlucht- of vestigingsalternatief in Sierra Leone; vereisten die zijn gesteld in artikel 3.37d van het VV 2000; bewijslastverdeling; beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/25832 (beroep) en AWB 13/25834 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van de rechtbank in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. P.L.M. Stieger,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. T. Boekholt.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2013 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiser afgewezen.

Op 4 oktober 2013 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Eiser is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1991 en de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten. Op 25 september 2013 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

3.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij gevlucht is voor het geheime Poro-genootschap. Zijn vader was leider van dat genootschap. Na diens dood wilde het genootschap dat eiser de leider werd. Eiser weigerde en werd vervolgens meegenomen naar het bos waar hij werd vastgehouden en mishandeld. Eiser wist te ontsnappen. Tijdens deze ontsnapping werd eiser met een mes verwond. Uiteindelijk heeft hij zijn land verlaten.

4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit zijn in het voornemen ingenomen standpunt gehandhaafd en geconcludeerd dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven. Eisers asielrelaas wordt geloofwaardig geacht. Eiser heeft volgens verweerder echter niet te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, nu gedwongen inlijving bij een geheim genootschap niet is te herleiden tot één van de gronden van dit verdrag. Verweerder neemt aan dat eiser bij terugkeer naar zijn dorp blootstaat aan een reëel risico van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar gaat ervan uit dat hij zich elders in zijn land kan vestigen. Verweerder verwijst daartoe naar de ambtsberichten over Sierra Leone van de minister van Buitenlandse Zaken van 30 januari 2009 en 17 mei 2011 en naar de studie van K. Peters uit 2007 onder de titel: Expert report on the Poro society in Sierra Leone. Verweerder meent dat het door eiser overgelegde artikel onder de titel: Secret societies in Sierra Leone, van 14 augustus 2010, van journalist Maada Gumbu niet tot een ander oordeel kan leiden omdat deze schrijver geen Poro-deskundige is en omdat ook uit de inhoud niet is af te leiden dat er voor eiser geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief voorhanden is. Tot slot stelt verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van het traumatabeleid omdat niet aannemelijk is gemaakt dat het overlijden van eisers vader is veroorzaakt door de Poro-genootschap of een gevolg is van een gewelddadige actie.

5.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd, onder handhaving van zijn zienswijze op het voornemen van verweerder, dat er wel degelijk sprake kan zijn van vluchtelingschap. Ten onrechte is volgens eiser uitgegaan van een vlucht- of vestigingsalternatief omdat verweerder de individuele situatie van eiser daarbij onvoldoende heeft beoordeeld. Eiser somt de specifieke individuele omstandigheden op waarmee verweerder volgens hem rekening had moeten houden. Met betrekking tot het ambtsbericht verwijst eiser naar de passages waaruit blijkt dat ten aanzien van FGM door deze genootschappen in zeer beperkte mate elders in het land toevlucht kan worden gezocht. Met betrekking tot het artikel van Maada Gumbu betoogt eiser dat deze journalist meerdere publicaties over de Poro- en Bundu-gemeenschappen op zijn naam heeft staan en dat de inhoud ervan niet genegeerd mag worden. Eiser stelt tot slot dat verweerder bij zijn beoordeling in het kader van het traumatabeleid niet is ingegaan op wat eiser persoonlijk is overkomen.

6.

Verweerder heeft zich naar aanleiding van de beroepsgronden op het standpunt gesteld dat er wel individueel is bezien of er sprake is van een vestigingsalternatief. Verder stelt verweerder dat niet gebleken is dat Maada Gumbu deskundige is en meerdere publicaties op zijn naam heeft staan. De Nederlandse wetenschapper K. Peters is een Poro-deskundige. De inschatting van Gumbu in zijn artikel dat gevluchte tegenstanders overal in het land aangepakt kunnen worden omdat geheime genootschappen in Sierra Leone onderling solidair zijn en in het geheim tegen iemand kunnen samenspannen, is niet nader onderbouwd aan de hand van de gevallen in dat artikel. Uit het artikel blijkt volgens verweerder niet dat een lokaal Poro-genootschap gebruik maakt van een netwerk van geheime genootschappen om een initiatieweigeraar buiten de geboortestreek op te sporen. Met betrekking tot het traumatabeleid geeft verweerder toe dat onvoldoende is gereageerd op de zienswijze, maar dat ook ten aanzien van dat beleid geldt dat geen vergunning wordt verleend als er sprake is van een vestigingsalternatief.

7.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Verdragsvluchtelingen komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3 van het EVRM kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Het daarover door verweerder gevoerde beleid wordt aangeduid als het traumatabeleid.

Artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) luidt als volgt.

1.

Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet geldt dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien hij in een deel van het land van herkomst:

a. geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of

b. toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c tegen vervolging of tegen ernstige schade,

en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt.

2.

Bij de beoordeling of de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of tegen ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming met de artikelen 3.35 en 3.45 en met artikel 3.111, eerste lid, van het Besluit. Daartoe wordt ervoor gezorgd dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

8.

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig is geacht.

9.

Verweerder is ter zitting teruggekomen op zijn standpunt dat het relaas van eiser niet is te herleiden tot één der gronden, genoemd in het Vluchtelingenverdrag. Verweerder is met eiser van mening dat eiser behoort tot een bepaalde sociale groep, als bedoeld in artikel I A van dit verdrag. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt en neemt daarbij in aanmerking dat eiser heeft gesteld te behoren tot een familie van wie de mannen steeds werden uitverkoren als leider van de Poro-genootschap. Daarmee is sprake van een groep waarvan de leden een kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder d, van het VV 2000.

10.

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat verweerder ten aanzien van alle asielgronden die volgens eiser van toepassing zijn, genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c, van de Vw 2000, heeft tegengeworpen dat er voor eiser sprake is van een vlucht- dan wel een vestigingsalternatief elders in Sierra Leone. Op de vraag of daarvan sprake is, spitst het geschil zich toe.

11.

Verweerder heeft zijn standpunt over de aanwezigheid van een vlucht- of vestigingsalternatief gebaseerd op de algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 30 januari 2009 en 17 mei 2011 en de studie van K. Peters uit 2007. In het ambtsbericht uit 2009 staat hierover vermeld (pagina 57):

Het is niet makkelijk je te onttrekken aan het lidmaatschap van een genootschap. Vooral bij families die in de stad wonen, komt het voor dat de jongens niet willen toetreden. Het is dan voor hen onmogelijk om naar hun familiedorp terug te gaan, omdat de kans dan groot is dat ze worden vergiftigd en alsnog worden geïnitieerd.

In het ambtsbericht uit 2011 staat vermeld (pagina 58):

Het is niet gemakkelijk je te onttrekken aan het lidmaatschap van een genootschap. Vooral bij families die in de stad wonen, komt het voor dat de jongens niet willen toetreden. Het is dan voor hen onmogelijk om naar hun familiedorp terug te gaan, omdat de kans groot is dat ze onder dwang alsnog worden geïnitieerd. In vergelijking met voorgaande jaren zijn in 2010 minder gedwongen inwijdingen in geheime genootschappen geweest voor mannen.

12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de informatie uit deze ambtsberichten niet actueel is, nu het laatste ambtsbericht betrekking heeft op het tijdvak tot en met april 2011. Bovendien kan op deze informatie op zichzelf niet de conclusie worden gebaseerd dat eiser – die ten dele (onder dwang) al was ingewijd en die zich onttrok aan het leiderschap van de plaatselijke Poro-genootschap – een vlucht- of vestigingsalternatief heeft elders in Sierra Leone. Verweerder heeft van de studie van Peters uit 2007, ook desgevraagd ter zitting, geen vindplaats kunnen noemen, noch een afschrift overgelegd. Daarbij komt dat deze studie niet actueel is.

13.

In het door eiser overgelegde artikel van 14 augustus 2010 van de journalist Maada Gumbu wordt onder meer het geval beschreven van een man die voor een lokaal Poro-genootschap de plaats moest innemen van zijn vader, maar daaraan was ontsnapt. Het genootschap maakte kenbaar dat overal in Sierra Leone waar de man zich verstopt een geheim genootschap is, zodat er nog steeds met hem kan worden afgerekend. Volgens de schrijver is dit waar omdat leden van geheime genootschappen in heel Sierra Leone solidair zijn en in het geheim kunnen samenspannen tegen (groepen van) personen. De persoon in kwestie is in 2001 ontsnapt en het is niet bekend wat er sindsdien met hem gebeurd is, aldus de schrijver. De voorzieningenrechter overweegt dat dit stuk evenmin actueel is en hooguit een aanwijzing oplevert dat onttrekking aan het leiderschap van een lokaal Poro-genootschap niet goed mogelijk is.

14.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 3.37d van de VV 2000 voortvloeit dat verweerder bij zijn beoordeling of er sprake is van een vlucht- of vestigingsalternatief, rekening houdt met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en daarbij gebruik moet maken van nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen. De voorzieningenrechter is van oordeel, gelet op de hiervoor besproken landeninformatie, dat daarvan geen sprake is.

Anders dan verweerder heeft gesteld, is het vervolgens – gelet op het ontbreken van door verweerder aangehaalde landeninformatie die wél toereikend is – niet aan eiser om het ontbreken van een vlucht- of vestigingsalternatief aannemelijk te maken.

15.

De slotsom is dat de asielaanvraag van eiser niet op zorgvuldige wijze in de AA-procedure kon worden afgedaan. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat het in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

16.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

17.

De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1416 (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1416 (veertienhonderdzestien euro), te betalen aan eiser;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.