Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14094

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_2838
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bij behandeling van een relatief groot aantal bezwaarschriften tegen de vastgestelde WOZ waarde op één hoorzitting, waarbij de individuele zaken telkens (uiterst) kort en aansluitend aan elkaar tijdens dezelfde hoorzitting zijn behandeld, is sprake van omstandigheden die een afwijking van de kostenvergoeding op basis van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht rechtvaardigen. De kostenvergoeding kan dan in redelijkheid vastgesteld word op een bedrag van 29,50 hetgeen rekenkundig aansluit bij een achtste van de waarde van 1 punt zoals deze uit het puntensysteem voortvloeit.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 22
Wet waardering onroerende zaken 30
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Besluit proceskosten bestuursrecht 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2013/527
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/2838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2013 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe - Rijnland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 31 maart 2012 de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres], te [plaats], op de voet van artikel 22, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2011 voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op € 485.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerende-zaakbelasting voor het jaar 2012 (de aanslag).

Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag.

Voorafgaand aan de op 28 december 2012 gehouden hoorzitting heeft verweerder aan eiser een conceptuitspraak op bezwaar gezonden.

Bij uitspraak op bezwaar van 1 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de woning nader vastgesteld op € 443.000, alsmede de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft stukken en een verweerschrift ingediend.

Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

Ter zitting zijn tevens de beroepen behandeld die door de gemachtigde zijn ingediend met de zaaknummers: SGR 13/2598, SGR 13/2609, SGR 13/2631, SGR 13/2632 en SGR 13/2843. Hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt geacht tevens te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Overwegingen

Feiten

1.

Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar voor de kosten in bezwaar een vergoeding toegekend van € 344,40. Voor het bezwaarschrift is € 235 vergoed. Voor het bijwonen van de hoorzitting heeft verweerder de vergoeding van één punt gedeeld door het aantal op de hoorzitting behandelde en gegrond verklaarde bezwaarschriften hetgeen resulteerde in een vergoeding van € 9,40 (€ 235/25). Voor het taxatierapport is € 100 vergoed (2 uur a € 50).

Geschil

2. In geschil zijn de hoogte van de door verweerder toegekende proceskostenvergoeding voor de hoorzitting en de hoogte van de proceskostenvergoeding voor het door eiser ingebrachte taxatierapport. Verder is in geschil of verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten van het uittreksel uit het kadaster.

3.

Eiser stelt dat geen sprake is van samenhangende zaken nu de tijdens de hoorzitting behandelde zaken betrekking hadden op verschillende belastingobjecten van verschillende belastingplichtigen. Er zijn geen 113 zaken op de hoorzitting behandeld. Daarnaast stelt eiser dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van het forfait rechtvaardigen. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en – zoals ter zitting nader bepleit – toekenning van 0,5 procespunt voor de aanwezigheid bij de hoorzitting.

4.

Primair betwist verweerder dat geen sprake is van samenhangende zaken en stelt in dat verband dat het bezwaarschrift van eiser tezamen met 112 andere bezwaarde objecten tijdens een hoorzitting van ongeveer één uur en vijfenveertig minuten zijn behandeld waarbij 25 bezwaarschriften zijn gehonoreerd. De hoorzitting bestond slechts uit een herhaling van reeds eerder ingenomen standpunten en heeft voor eiser geen wijziging gebracht ten opzichte van de vooraf toegezonden conceptuitspraak. Er is sprake van samenhang omdat elk op de hoorzitting behandeld bezwaarschrift was gericht tegen de waardering van een woning. Verweerder wijst tevens op het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011, (ECLI:NL:HR:2011:BQ0415) alsmede naar een uitspraak van deze rechtbank van 1 juni 2011, (ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9188) en van 29 mei 2013, SGR 13/648. Subsidiair stelt verweerder dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Ook verwijst verweerder naar eigen beleidsregels inzake de proceskostenvergoeding voor een hoorzitting waarop meerdere bezwaarschriften worden behandeld. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

5.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) wordt – voor zover van belang – ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a (de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand) het bedrag van de kosten bij de uitspraak op bezwaar vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. In artikel 2, derde lid, van het Besluit is bepaald dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

Artikel 3 van het Besluit luidt als volgt:

“1. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.

2. Samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

Aantal behandelde zaken

6.

Eiser betwist dat op de hoorzitting 113 zaken zijn behandeld; hij beschikt niet over informatie dat meer dan 25 zaken zouden zijn behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen bewijs kunnen bijbrengen voor zijn stelling dat 113 zaken op de hoorzitting zijn behandeld. De rechtbank zal, nu ander bewijs ontbreekt, voor het vervolg uitgaan van het aantal zaken dat is vastgelegd in het hoorverslag, te weten 35. Vaststaat dat in 25 van deze 35 zaken de bezwaren door verweerder zijn gehonoreerd. Ook gaat de rechtbank uit van de niet weersproken stelling van verweerder dat de hoorzitting ongeveer één uur en vijfenveertig minuten in beslag heeft genomen.

Samenhangende zaken

7.

Ingevolge artikel 3 van het Besluit is sprake van samenhang bij zaken die gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer eisers zijn ingediend, waarbij zaken vergelijkbare gronden bevatten tegen nagenoeg identieke besluiten. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd, te weten dat het in de zaak van eiser evenals in de andere tijdens de hoorzitting behandelde zaken steeds handelt om de waardering van woningen, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit hetgeen partijen hebben aangevoerd naar voren komt dat sprake was van verschillende eisers die in bezwaar kwamen tegen de waardering van verschillende niet vergelijkbare woningen gelegen in verschillende straten, wijken of zelfs gemeenten, en waarbij per zaak niet steeds dezelfde gronden zijn aangevoerd. Verweerder heeft in deze zaken de woningen ook aan de hand van verschillende referentiepanden en verschillende omstandigheden gewaardeerd en per zaak afzonderlijk uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van samenhang tussen eisers zaak en de andere op de hoorzitting behandelde zaken.

Concept uitspraak op bezwaar

8.

Met een verwijzing naar de Beleidsregels kostenvergoeding Wet WOZ heeft verweerder bepleit dat er geen ruimte is voor toekenning van een proceskostenvergoeding voor de hoorzitting ingeval die niet heeft bijgedragen aan herroeping van het besluit. Van dit laatste is volgens verweerder sprake nu reeds voorafgaand aan de hoorzitting een concept uitspraak op bezwaar aan eiser was toegezonden en de hoorzitting niet heeft geleid tot een wijziging van dat concept en het concept is gevolgd in de definitieve uitspraak op bezwaar.

De rechtbank stelt vast dat genoemde beleidsregels zijn uitgevaardigd door de directeur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland en zijn gericht tot de heffingsambtenaar. De beleidsregels vormen geen recht in die zin dat verweerder deze regels niet ten nadele van eiser kan inroepen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder het conceptbesluit niet aan eiser kan tegenwerpen. Verweerder had immers bij toezending van het conceptbesluit geen toelichting gegeven op hetgeen verweerder met de toezending daarvan beoogde, namelijk naar de rechtbank begrijpt, het voorkomen van een hoorgesprek. De rechtbank acht voorstelbaar dat verweerder met zijn handelwijze eerder het tegenovergestelde bereikt, namelijk het opwekken bij eiser van de behoefte aan een hoorgesprek vanwege de onduidelijke status van het concept. Alleen al hierom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volgehouden dat het hoorgesprek niet heeft bijgedragen aan de vermindering van de waarde en kan niet worden gesteld dat voorafgaand aan het hoorgesprek aan het bezwaar volledig is tegemoetgekomen waardoor aan het gehouden hoorgesprek voorbij kan worden gegaan.

9.

Nu geen sprake is van samenhangende zaken, is vervolgens aan de orde of een proceskostenvergoeding naar het forfait van € 235 op basis van artikel 2, eerste lid, van het Besluit gerechtvaardigd is zoals door eiser bepleit, dan wel sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor van voornoemd forfait dient te worden afgeweken, zoals bepleit door verweerder.

10.

De rechtbank is van oordeel dat nu de onderhavige zaak met een relatief groot aantal overige zaken is behandeld, deze zaken telkens (uiterst) kort en aansluitend aan elkaar tijdens dezelfde hoorzitting zijn behandeld, en in veel van deze zaken het bezwaar gegrond is verklaard, sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de kostenvergoeding op basis van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit voor de onderhavige zaak rechtvaardigen. Op grond hiervan stelt de rechtbank de kostenvergoeding in redelijkheid vast op een bedrag van € 29,50 (rekenkundig aansluitend bij een achtste van de waarde van één punt zoals deze uit het puntensysteem voortvloeit).

11.

Terzake van de overige geschilpunten is door verweerder aan eiser ter zitting tegemoet gekomen. Nu dit niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting zal de rechtbank verweerder daarin volgen. Dit betekent dat aan eiser alsnog een proceskostenvergoeding van € 200 (4 uur x € 50) exclusief BTW voor het ingebrachte taxatierapport en een vergoeding van € 6,- voor de kosten van het uittreksel van het kadaster worden toegekend.

12.

Partijen zijn van opvatting dat voor de proceskostenvergoeding in beroep sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit tussen de onderhavige zaak en de zaken SGR 13/2598, SGR 12/2609, SGR 13/2631, SGR 13/2632 en SGR 13/2843. De rechtbank volgt partijen in deze opvatting. Omdat in beroep uitsluitend de vergoeding van de proceskosten in bezwaar in geschil is, merkt de rechtbank het gewicht van de zaak aan als licht en bepaalt de wegingsfactor op 0,5. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep vast op € 118 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 0,5 voor de zwaarte van de zaak en een factor 1,5 wegens samenhang) waarvan aan elke zaak één zesde deel wordt toegekend). Daarmee bedraagt de totale kostenvergoeding in de onderhavige zaak, inclusief de vergoeding voor het taxatierapport en voor de kosten van het uittreksel uit het kadaster € 391,50 (€ 29,50 + € 118 + € 238 + € 6).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de vergoeding van proceskosten voor de hoorzitting, de vergoeding van de kosten voor het taxatieverslag en de vergoeding van de kosten voor het uittreksel van het kadaster betreft;

  • -

    bepaalt de vergoeding van proceskosten voor de hoorzitting op een bedrag van € 29,50, de vergoeding van de kosten voor het taxatieverslag op een bedrag van € 238 en de vergoeding van de kosten voor het uittreksel van het kadaster op een bedrag van € 6,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 391,50, te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.

ter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep