Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
AWB-12_5981
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. Eerst ter zitting heeft verweerder gemotiveerd waarom de bouw van twee woningen wel en die van drie woningen niet aanvaardbaar wordt geacht. Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2013-10-23
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19, geldigheid: 2013-10-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/3209

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: W. Langhout),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van der Zwan).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [A], [B] en [C], allen wonende te [plaats] (gemachtigde: mr. drs. R. Lagerweij).

Procesverloop

Eiser heeft op 30 juni 2008 een aanvraag ingediend om verlening van een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van drie woningen met erfafscheidingen en vijf overkragende terrassen op het perceel [a-straat 1], Hazerwoude-Dorp, kadastraal bekend als Hazerswoude, sectie E, nummers 3083, 3082 en 2773. Verweerder heeft deze aanvraag tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Hazerswoude-Dorp” (het bestemmingsplan).

Bij besluit van 5 januari 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning geweigerd.


Bij besluit van 29 juni 2010 heeft verweerder, voor zover hier van belang, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.


Bij uitspraak van 17 augustus 2011 heeft de rechtbank het door eiser hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaaknummers AWB 10/5761, 10/5763 en 10/5764).

De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 25 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3847) het door eiser tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd. De Afdeling heeft het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van verweerder van 29 juni 2010 vernietigd.

Bij besluit van 6 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw beslist op het door eiser gemaakte bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] en [E], bijgestaan door zijn gemachtigde. De derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de hier in geding zijnde aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008, luidden.


2. Het perceel waarop het onderhavige bouwplan is voorzien en waar voorheen het aannemersbedrijf van eiser was gevestigd, heeft in het bestemmingsplan de bestemming “Bedrijf” en de dubbelbestemming “Archeologisch waardevol gebied”. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming “Bedrijf”, dat ter plaatse geen zelfstandige woningen toestaat.
Blijkens de stukken heeft verweerder bij besluit van 19 november 2008 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van twee vrijstaande woningen aan de achterzijde van het perceel [a-straat 1], nabij [b]. Van deze beide reeds vergunde woningen, met huisnummers [b-straat 1] en [b-straat 1a], is alleen de woning [b-straat 1a] inmiddels gerealiseerd.

3.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 april 2012 geoordeeld dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de bezwaren van eiser dat met het bouwplan de thans bebouwde oppervlakte en het bouwvolume afnemen, dat het bestemmingsplan het mogelijk maakt dat thans, naast de reeds bestaande bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning wordt bijgebouwd, dat ten opzichte van de huidige bebouwing geen sprake is van een vermindering van de zonlichttoetreding voor de omwonenden, dat de privacy van omwonenden door realisering van het bouwplan niet verslechtert, dat de verkeersaantrekkende werking na realisering van het bouwplan minder is dan in de huidige situatie en dat de ontsluiting van het perceel is gerealiseerd op de wijze die het college wilde, en daarmee de weigering om vrijstelling en bouwvergunning te verlenen niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

4.

In de beslissing op bezwaar van 6 maart 2013 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de te verwachten stedebouwkundige invloed van de bouw van de drie woningen, vergeleken met de invloed van de bestaande bedrijfsgebouwen of de volgens het bestemmingplan mogelijke bebouwing, van negatieve invloed is op de woonkwaliteit van de omgeving en de algehele stedebouwkundige invulling van de locatie. Volgens verweerder is door de positionering van de geprojecteerde woningen sprake van rechtstreekse (loodrechte) inkijk in de bestaande woningen aan de [c-straat 1 tot en met 1d]. Omdat de geprojecteerde woningen ook hoger zijn dan de bestaande bedrijfsbebouwing, zal sprake zijn van een meer ingrijpende inbreuk op de privacy van de bewoners van deze woningen. Voorts zouden de op te richten woningen over een verhoudingsgewijs klein erf beschikken, wat niet past bij het stedebouwkundig karakter van de vrijstaande eengezinswoningen in de directe omgeving. Ook de onderlinge afstand van één meter tussen de woningen acht verweerder uit stedebouwkundig oogpunt onvoldoende. Bovendien leidt het voorgestelde bouwplan volgens verweerder tot een beperking van de zonlichtoetreding voor de woningen [c-straat 1a tot en met 1c].

Verweerder stelt dat vanwege de functionele samenhang van de aangevraagde overkragende terrassen en erfafscheidingen met de woningen, ook hiervoor geldt dat deze in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemming en aan een voor vergunningverlening benodigde vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag kan worden gelegd. Ten aanzien van de terrassen bij de reeds vergunde woningen [b-straat 1] en [b-straat 1a] merkt verweerder op hij niet uit eigen beweging de vergunningaanvraag kan splitsen.
Verweerder concludeert dat aan het verzoek om vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag kan worden gelegd. Daarbij merkt verweerder op dat een herziening van de bedrijfsbestemming in een woonbestemming in overeenstemming kan zijn met een goede ruimtelijke ordening, mits de woningen met een minder hoge bebouwingsdichtheid stedebouwkundig aanvaardbaar worden ingepast.

5.

Eiser voert aan dat bij de vergunningverlening voor de woningen [b-straat 1] en [b-straat 1a] is uitgegaan van totaal vijf te bouwen woningen, waarvan de onderhavige drie woningen de laatste zijn. Bij de vergunningverlening voor deze woningen speelde het argument dat sprake is van directe inkijk (in de woning aan de [b-straat 3]) geen rol, terwijl de afstand daar nog kleiner is. Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder dat de aantasting van de privacy vanwege de aard en de omvang van de huidige bebouwing op het perceel [a-straat 1] minder ingrijpend is dan dat het geval zou zijn bij realisatie van het bouwplan. Hij stelt dat de bestaande bedrijfsbebouwing op veel kortere afstand van de woningen [c-straat 1 tot en met 1d] staat. Eiser voert voorts aan dat verweerder in de procedure bij de Afdeling heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de bouw van twee woningen op het perceel, maar niet duidelijk heeft gemaakt wat het verschil in aantasting van privacy is tussen de bouw van twee of drie woningen.
Eiser voert daarnaast nog aan dat verweerder ermee heeft ingestemd dat de twee vergunde woningen op kleinere percelen zouden worden gerealiseerd en dat de percelen van de drie geprojecteerde woningen hetzelfde formaat zouden hebben. Voor de [a-straat] geldt volgens eiser juist de verplichting om meer aaneengesloten te bouwen om het gesloten karakter van het dorpslint in stand te houden. De conclusie dat een tussenruimte van één meter stedebouwkundig te weinig zou zijn snijdt volgens eiser geen hout, nu er in de bestaande situatie al een afstand van één meter is vergund.

Eiser voert voorts aan dat verweerder op geen enkele wijze heeft aangetoond dat het bouwplan zal leiden tot een aantasting van de inval van zonlicht. Volgens eiser is er geen sprake van een verslechtering omdat op grotere afstand wordt gebouwd dan de bestaande bebouwing en er minder wordt gebouwd dan volgens het bestemmingsplan mogelijk is.

6.

Zoals de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van 17 augustus 2011, beschikt verweerder bij de beslissing op een verzoek om vrijstelling over beleidsvrijheid en dient de rechtbank die beslissing terughoudend te toetsen.

7.

Verweerder voert in het verweerschrift als grond voor het weigeren van de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning aan dat het bouwplan gelet op de stedebouwkundige massa en de situering van de woningen niet in overeenstemming is met het belang van een goede ruimtelijke ordening, omdat het plan leidt tot een te grote bebouwingsdichtheid en een negatieve beïnvloeding van de zonlichttoetreding en de privacy voor en van omwonenden.

Verweerder is in de beslissing op bezwaar van 6 maart 2013 en ook in het verweerschrift niet ingegaan op de stelling van eiser dat de verkeersaantrekkende werking na realisering van het bouwplan minder is dan in de huidige situatie en dat de ontsluiting van het perceel is gerealiseerd op de wijze die verweerder wenste. Deze stellingen van eiser zijn dus niet door verweerder bestreden.

8.

Verweerder heeft eerst ter zitting uiteengezet waarom hij van mening is dat, anders dan het bouwplan van eiser, de bouw van twee woningen op het perceel [a-straat 1] niet leidt tot aantasting van de privacy van de bewoners van de omliggende woningen. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat hij na de vergunningverlening voor de woningen [b-straat 1] en [b-straat 1a] zijn visie ten aanzien van de invulling van het perceel [a-straat 1] heeft aangescherpt, en dat hij thans van mening is dat het oprichten van nog eens drie woningen op dit perceel leidt tot een te hoge bebouwingsdichtheid ter plaatse. Weliswaar biedt het bouwplan van eiser meer doorzichten dan in de bestaande situatie, maar deze zijn heel smal. Het totaal aan bebouwing acht verweerder, ook vanwege de hoogte, te massaal. De vermindering van zonlichttoetreding beschouwt verweerder als een bijkomend argument voor het weigeren van de vrijstelling.
Verweerder meent dat de bouw van twee woningen op het perceel wel stedebouwkundig aanvaardbaar is omdat dan meer ruimte overblijft voor het zodanig – bijvoorbeeld schuin – situeren van de woningen dat rekening kan worden gehouden met de privacy van de bewoners van de [c-straat 1 tot en met 1d]. Ook de zonlichttoetreding zal daardoor verbeteren.

9.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de realisering van het bouwplan van eiser zal leiden tot een onaanvaardbare beperking van zonlichttoetreding voor de woningen [c-straat 1a tot en met 1c], zodat dit niet aan de weigering van de vrijstelling ten grondslag kan worden gelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voor het overige met de ter zitting gegeven nadere toelichting voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij de bouw van twee woningen wel en die van drie woningen niet aanvaardbaar acht en waarom hij geen medewerking wenst te verlenen aan het door eiser ingediende bouwplan. De rechtbank onderschrijft daarbij het standpunt van verweerder dat hij gehouden was het bouwplan te beoordelen zoals dat is ingediend.

10.

Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel - onder verwijzing naar woningen die zijn gebouwd aan de [a-straat 35 en 37] - slaagt niet, reeds omdat eiser dit niet nader heeft toegelicht en heeft volstaan met alleen het noemen van de beide woningen.
Voor zover eiser in het beroepschrift opnieuw een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel slaagt dit evenmin. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover is overwogen in haar uitspraak van 17 augustus 2011 en in de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012.

11.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het belang van een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft zijn standpunt omtrent het bouwplan van eiser echter pas ter zitting genoegzaam toegelicht en onderbouwd. Het bestreden besluit ontbeert een draagkrachtige motivering.
Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Nu verweerder zijn beslissing alsnog ter zitting adequaat heeft gemotiveerd, ziet de rechtbank evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.


12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13.

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Voskamp, voorzitter, D. Aarts en mr. H.P.M. Meskers, leden, in aanwezigheid van mr. A. Koppe, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.

ter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.