Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14081

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_4021
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:3071, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proceskostenveroordeling
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

In geschil is of X, een Rijnvarende, in 2007 in Nederland premies volksverzekeringen is verschuldigd. De rechtbank oordeelt dat X onder het Verdrag Rijnvarenden valt. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vennootschap [E], bij wie hij in dienstbetrekking was en in Luxemburg is gevestigd, het schip feitelijk exploiteerde. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Het Luxemburgse Tribunal Administratif heeft geoordeeld dat [E] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt en de Luxemburgse autoriteiten de SVB hebben geïnformeerd dat [E] zich uitsluitend met het uitlenen van personeel heeft beziggehouden. Voorts oordeelt de rechtbank dat Nederland niet is gebonden aan de E-101 verklaring omdat het Verdrag Rijnvarenden van toepassing is en niet de Verordening nr. 1408/71 van de EU. Tot slot wordt het standpunt van X dat de uitspraak op bezwaar niet zorgvuldig is voorbereid door de rechtbank verworpen.

Wetsverwijzingen
Wet vervoer binnenvaart 5
Algemene Ouderdomswet 2
Algemene Ouderdomswet 6
Algemene Ouderdomswet 6a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/4021

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

de inspecteur van de Belastingdienst /[P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 10 april 2013 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.689 en een premie-inkomen van € 24.150 (aanslagnummer [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2013.

Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.689 en een premie-inkomen van € 22.507;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.179, te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 44 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1.

Eiser, geboren op [datum] 1970, heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2007 in Nederland.

2.

Eiser was in 2007 werkzaam op het binnenvaartschip [schip] dat eigendom is van [D] B.V. te [plaats] ([D]). Eiser stond dat jaar op de loonlijst van [E] S.A.R.L, gevestigd te Luxemburg ([E]).

3.

Op 5 januari 2006 hebben de Luxemburgse autoriteiten aan eiser een zogeheten verklaring E-101 afgegeven. Voor zover hier van belang is daarin vermeld dat met ingang van 1 januari 2002 op eiser de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg van toepassing is.

4.

Het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 25 november 2004 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven. De Rijnvaartverklaring vermeldt [D] als eigenaar van het schip. Op 25 augustus 2006 is door de bevoegde Luxemburgse instantie ten name van [E] een zogenoemd "Certificat d’Exploitant" afgegeven. Op 14 november 2007 is door het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat een nieuwe Rijnvaartverklaring afgegeven waarop [D] als eigenaar en [E] als exploitant van het schip staan vermeld. Op 24 juli 2009 is de Rijnvaartverklaring ingetrokken.

5.

In een brief van 21 december 2012 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (ILT) aan verweerder meegedeeld dat aan het binnenvaartschip [schip] een certificaat is afgegeven als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Uit de brief blijkt dat het certificaat geldig was in 2007.

6.

Eiser heeft aangifte gedaan voor de IB/PVV 2007 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.140. In zijn aangifte heeft eiser verzocht om vrijstelling van de heffing van PVV. Met dagtekening 2 juli 2010 heeft verweerder de onderhavige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.689 en een premie-inkomen van € 24.150. Daarbij heeft verweerder de verzochte premievrijstelling niet verleend voor de periode 1 januari 2007 tot en met 15 november 2007.

7.

In geschil is het antwoord op de vraag of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van PVV voor de periode 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007.

8.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voor het gehele jaar 2007 geen PVV verschuldigd is, zodat verweerder ten onrechte geen vrijstelling PVV heeft verleend voor de periode 1 januari 2007 tot en met 15 november 2007. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd:

  • -

    de bewijslast ter zake van de vaststelling van de premieplicht rust op verweerder;

  • -

    uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 februari 2000, nr. C-202/97 (Fitzwilliam) volgt dat Nederland is gebonden aan de E101-verklaring;

  • -

    de premieplicht is op grond van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Verdrag Rijnvarenden) niet aan Nederland toegewezen, omdat de in Luxemburg gevestigde [E] de exploitant van het schip is; verweerder gaat ten onrechte voorbij aan het aan [E] afgegeven “certificat d’exploitant”;

  • -

    er is geen sprake van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit en verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

9.

Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser voor de periode 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de PVV. Verweerder concludeert tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, omdat bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van verzekeringsplicht tot en met 15 november 2007 in plaats van 13 november 2007.

10.

Vast staat dat eiser in 2007 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is eiser dat jaar aan te merken als Nederlands ingezetene en derhalve in beginsel in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking hiervan bepaalt artikel 6a, aanhef en onderdeel b van de AOW dat zo nodig niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. Eiser heeft in dat kader gesteld dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de sociale verzekeringen.

11.

Vast staat dat eiser een werknemer is die behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en, gelet op de voor verweerder overgelegde brief van ILT van 21 december 2012, is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte. Eiser is derhalve een rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag Rijnvarenden, zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van dit verdrag moet worden beoordeeld.

12.

Artikel 11, tweede lid, van het Verdrag Rijnvarenden bepaalt dat op de rijnvarende de wetgeving van toepassing is van de verdragsluitende partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, onderdeel m, bedoelde schip behoort, en aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden heeft bij Besluit nr. 5 van 27 maart 1990 (het Besluit), op de voet van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Verdrag Rijnvarenden - voor zover hier van belang - bepaald dat als ‘onderneming waartoe het schip behoort’ in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Verdrag Rijnvarenden in beginsel geldt de onderneming die het betreffende schip exploiteert, ongeacht of deze onderneming al dan niet eigenaar is van het schip. Als onderneming waartoe het schip behoort heeft te gelden de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist wordt door artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag Rijnvarenden (vgl. Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938). Voor de toepassing van het Besluit zijn de gegevens, vermeld op de Rijnvaartverklaring maatgevend.

13.

. Voor de in geschil zijnde periode staat [E] niet op de op 25 november 2004 afgegeven Rijnvaartverklaring als exploitant vermeld. Deze vermeldt alleen [D] als eigenaar van het schip. Aangezien eiser stelt dat [E] als exploitant van het schip moet worden aangemerkt, waardoor hij in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is, rust gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank op hem in redelijkheid de bewijslast aannemelijk te maken dat het schip tot de onderneming van [E] behoort van wie de zetel zich in Luxemburg bevindt.

14.

Eiser heeft daartoe aangevoerd dat uit het op 25 augustus 2006 afgegeven "Certificat d’exploitant" en de op 14 november 2007 nieuw afgegeven Rijnvaartverklaring moet worden afgeleid dat [E] in 2007 de exploitant van het schip was.

Hoewel de Rijnvaartverklaring naar het oordeel van de rechtbank openstaat voor tegenbewijs, is eiser in die bewijslast niet geslaagd. Weliswaar staat [E] op de op 14 november 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring vermeld als exploitant, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat [E] in de periode daarvoor het schip feitelijk exploiteerde. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het Luxemburgse scheepsregister in oktober 2011 alle Certificaten d’exploitant ten name van [E] heeft ingetrokken naar aanleiding van een uitspraak van 16 juni 2010 van het Luxemburgse Tribunal Administratif waarin is geoordeeld dat [E] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt. Verder heeft het Centre Commun de la Sécurité Sociale op 19 december 2011 de Sociale Verzekeringsbank (SVB) geïnformeerd dat [E] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt, omdat [E] zich uitsluitend met het uitlenen van personeel heeft beziggehouden en de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het commerciële en economische management niet bij [E] ligt maar uitsluitend bij de eigenaar van het schip. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het schip niet voor rekening en risico van [E] werd geëxploiteerd en dient op basis van de op de Rijnvaartverklaring van 25 november 2004 vermelde gegevens de eigenaar als exploitant te worden aangemerkt. Nu niet in geschil is dat [D] in Nederland is gevestigd, is op eiser over de in geschil zijnde periode van 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing.

15.

Nu verweerder bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van verzekeringsplicht tot en met 15 november 2007 in plaats van 13 november 2007, heeft verweerder geconcludeerd tot vermindering van het premie-inkomen tot op € 22.507. Eiser betwist deze berekening niet.

16.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat Nederland dient af te zien van premieheffing nu de Luxemburgse autoriteiten een verklaring E-101 hebben afgegeven waarin is bepaald dat op eiser de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg van toepassing is. In artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (de Verordening), waaraan de afgegeven verklaring E-101 zijn rechtsgeldigheid ontleent, is bepaald dat het Verdrag Rijnvarenden van toepassing blijft en de Verordening daarvoor niet in de plaats treedt. Nu eiser gelet op hetgeen hiervoor in 11 is overwogen als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op hem het Verdrag Rijnvarenden van toepassing en niet de Verordening. Reeds daarom kan in het onderhavige geval geen betekenis worden toegekend aan een E-101 verklaring, die immers alleen van belang is voor de toepassing van de Verordening. Verweerder was bij de beoordeling van de verzekerings- en premieplicht van eiser uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen derhalve niet gebonden aan de verklaring E-101. Eiser mocht aan die verklaring ook niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat verweerder de heffing van premie volksverzekeringen achterwege zou laten. Daarnaast blijkt uit de door verweerder in het geding gebrachte stukken dat de Luxemburgse autoriteiten de verzekeringsplicht van eiser met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 hebben beëindigd en de afgegeven verklaring E-101 zijn geldigheid heeft verloren.

17.

Eiser heeft voorts nog aangevoerd dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar niet zorgvuldig zijn voorbereid omdat verweerder geen overleg heeft gepleegd met de Luxemburgse autoriteiten en evenmin contact heeft opgenomen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Naar het oordeel van de rechtbank faalt deze beroepsgrond. Uit de gedingstukken blijkt dat overleg heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de SVB en tussen de Nederlandse en Luxemburgse autoriteiten. Voorts blijkt dat in de periode van 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving niet op eiser van toepassing was en van de door eiser gestelde dubbele verzekeringsplicht dan ook geen sprake is.

18.

Gelet op het bovenstaande onder 15. is het beroep gegrond verklaard.

19.

Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De te vergoeden kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.179 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, rechter, in aanwezigheid van mr. B.H. Suijkerbuijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep