Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13983

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
21-10-2013
Zaaknummer
09/994178-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft negen maal nagelaten om cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme te verrichten. Zij heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummer 09/994178-13

Datum uitspraak: 21 oktober 2013

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in economische strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

gevestigd: [adres 1].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 oktober 2013.

De verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door [directeur van verdachte], geboren op [geboortedag] 1953 en wonende [adres 1], zijnde directeur van de verdachte.

De vertegenwoordiger van de verdachte is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr D.E.Kruimel heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 30.000.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 maart 2011 tot en met 26 augustus 2011, althans in het jaar 2011, te Helmond en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland,

(telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag voor een bedrag van 15.000,- Euro,

(telkens) opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel niet volledig cliëntenonderzoek heeft gedaan,

immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd bij de volgende transacties:

-een op of omstreeks 25 maart 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110043), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 20.000,- Euro, door [persoon A.] en/of

-een op of omstreeks 22 april 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110081), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 16.250,- Euro, door[persoon B.] en/of

-een op of omstreeks 29 april 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110092), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 18.500,- Euro, door [persoon C.] en/of

-een op of omstreeks 18 mei 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110119), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.500,- Euro, door [persoon D.] en/of

-een op of omstreeks 16 juni 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110147), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.202,25 Euro, door [persoon E.] en/of

-een op of omstreeks 28 juni 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110155), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 17.000,- Euro, door [persoon F.] en/of

-een op of omstreeks 6 juli 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110165), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 19.067,20 Euro, door [persoon D.] en/of

-een op of omstreeks 8 juli 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110172), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 20.000,- Euro, door[persoon G.] en/of

-een op of omstreeks 20 augustus 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110205), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 21.900,- Euro, door [persoon H.];

Artikel 3 lid 1 WWFT

Artikel 1 sub 2 juncto artikel 6 WED

art 3 lid 1 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen.

Aan verdachte wordt verweten dat zij in strijd met haar wettelijke verplichting negen maal heeft nagelaten om op de voorgeschreven wijze een cliëntenonderzoek te verrichten.

Verdachte is verkoper van onder andere boten en trailers en valt, als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen waarvan betaling in contanten plaatsvindt voor bedragen van € 15.000 of meer, onder het begrip instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme.

In de periode van 25 maart 2011 tot 26 augustus 2011 heeft verdachte negen maal een contante betaling in ontvangst genomen van bedragen die varieerden van € 15.202,25 tot € 21.900. Tijdens een controle op 20 oktober 2011 van verdachtes administratie konden met betrekking tot deze transacties geen documenten worden getoond waar uit kon blijken dat het vereiste cliëntenonderzoek was uitgevoerd.

De vertegenwoordiger van verdachte ontkent dit niet, maar heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat hij het vereiste cliëntenonderzoek wel heeft verricht en de meeste van de benodigde documenten inmiddels wel kan tonen.

Artikel 4 van de WWFT schrijft voor dat de instelling de cliënt dient te identificeren en zijn identiteit dient te verifiëren voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of de incidentele transactie wordt uitgevoerd. Tijdens de controle op 20 oktober 2011, welke op 10 oktober 2011 was aangekondigd, was verdachte niet in staat om de vereiste documenten te tonen. Dat verdachte dat twee jaar later tijdens de terechtzitting wel kan, maakt die constatering niet anders.

De rechtbank moet oordelen over de vraag of verdachte met opzet heeft gehandeld. Verdachte drijft een onderneming. Het is moeilijk voorstelbaar dat in het kader van een onderneming bedrijfsactiviteiten niet met opzet worden verricht. Voor een ondernemer ligt de lat hoger dan voor de gemiddelde burger. Van hem kan de vereiste deskundigheid worden verwacht op het professionele terrein waarop hij zich beweegt. Bovendien kan hij voor de inhoud van regelgeving aankloppen bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie, een toezichthouder op de beroepsgroep of bedrijfstak of zijn licht opsteken bij de Kamer van Koophandel. Over de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme was in de onderneming en bij haar adviseurs kennis aanwezig. De verdachte was eerder beboet wegens het niet nakomen van verplichtingen voorvloeiend uit deze wet. Van verdachte mag worden verwacht dat zij zich terdege laat informeren over de grenzen van de op haar rustende verplichtingen.

De transacties waarbij geen cliëntenonderzoek is verricht, zijn gedragingen die passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Voorts zijn de gedragingen verdachte dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van gedragingen in de sfeer van de vennootschap.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de op haar rustende verplichting na te komen en acht haar schuldig aan het ten laste gelegde feit.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

zij in de periode van 25 maart 2011 tot en met 26 augustus 2011, te Helmond en Zoetermeer,

telkens als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag voor een bedrag van 15.000,- Euro,

telkens opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen dan wel niet volledig cliëntenonderzoek heeft gedaan,

immers heeft zij telkens opzettelijk geen identiteit vastgesteld en gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en gecontroleerd bij de volgende transacties:

-een op 25 maart 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110043), te weten een contante betaling van 20.000,- Euro, door [persoon A.] en

-een op 22 april 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110081), te weten een contante betaling van 16.250,- Euro, door[persoon B.] en

-een op 29 april 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110092), te weten een contante betaling van 18.500,- Euro, door [persoon C.] en

-een op 18 mei 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110119), te weten een

contante betaling van 15.500,- Euro, door [persoon D.] en

-een op 16 juni 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110147), te weten een

contante betaling van 15.202,25 Euro, door [persoon E.] en

-een op 28 juni 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110155), te weten een

contante betaling van 17.000,- Euro, door [persoon F.] en

-een op 6 juli 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110165), te weten een

contante betaling van 19.067,20 Euro, door [persoon D.] en

-een op 8 juli 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110172), te weten een

contante betaling van 20.000,- Euro, door[persoon G.] en

-een op 20 augustus 2011 verrichtte transactie (factuurnummer 20110205), te weten een contante betaling van 21.900,- Euro, door [persoon H.].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft negen maal nagelaten om cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme te verrichten. Zij heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. De financiële schade die witwassen in de samenleving veroorzaakt is groot.

Het gaat hier om een ernstig strafbaar feit, waarvoor een aanzienlijke onvoorwaardelijke geldboete in beginsel op zijn plaats is.

Verdachte heeft, zoals blijkt uit een uittreksel uit de justitiële documentatie, al eerder een boete moeten betalen wegens het niet-nakomen van verplichtingen ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De vertegenwoordiger van verdachte heeft verklaard dat hem daarnaast eenmaal een bestuursrechtelijke sanctie is opgelegd voor een vergelijkbaar feit. De rechtbank weegt dat in verdachtes nadeel mee.

Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete houdt de rechtbank voorts rekening met het aantal en de omvang van de bedragen van de betreffende transacties, welke variëren van € 15.202,25 tot € 21.900.

De rechtbank houdt rekening met de financiële situatie van verdachte en zal daarom een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke deel van de straf met proeftijd is tevens bedoeld om verdachte ervan te doordringen dat zij haar verplichtingen in de toekomst beter moet nakomen.

Alles overwegende acht de rechtbank een geldboete van € 16.000, waarvan € 8.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 16.000;

bepaalt dat een gedeelte van die geldboete, groot € 8.000 niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Steenhuis, voorzitter,

Van Zeijst-Repelaer van Driel en Enthoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Kistemaker, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 oktober 2013.