Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13849

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
C/09/449835 / KG ZA 13-1006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter in Den Haag heeft het verzoek om onmiddellijke invrijheidstelling van een gedetineerde man afgewezen. De man stelt dat de Nederlandse staat onrechtmatig handelt omdat de celstraffen die aan hem zijn opgelegd het strafmaximum van twintig jaar zouden overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/449835 / KG ZA 13-1006

Vonnis in kort geding van 18 oktober 2013

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [plaats],

eiser,

advocaat mr. W. Knoester te Den Haag,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 oktober 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[eiser] is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 november 2000 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren ter zake van een gewapende overval, poging tot afpersing en afpersing met gewapende overval. Het door [eiser] tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 26 februari 2012 verworpen.

1.2.

Bij vonnis van 8 mei 2001 is [eiser] door de rechtbank Zutphen ter zake van het medeplegen van moord, vrijheidsberoving en zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaren. [eiser] heeft het door hem tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep op 21 september 2001 ingetrokken.

1.3.

[eiser] heeft een aanvraag tot herziening ingediend van voormeld vonnis van de rechtbank Zutphen. De Hoge Raad heeft deze aanvraag bij arrest van 27 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens hem geen sprake was van een omstandigheid als bedoeld in artikel 457, eerste lid aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

1.4.

De Justitiële uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening (Dienst Justis) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft op 11 januari 2013 verzoeken van [eiser] tot het verlenen van gratie van de resterende delen van voormelde gevangenisstraffen overeenkomstig de ingewonnen rechterlijke adviezen afgewezen.

1.5.

Bij brief van 14 augustus 2013 heeft de advocaat van [eiser] het Openbaar Ministerie (OM) onder verwijzing naar de ‘Aanwijzing executie’ verzocht aan te geven of het bereid is af te zien van verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen, voor zover deze het ten tijde van het opleggen van die straffen geldende strafmaximum van twintig jaar overschrijden.

1.6.

Het OM, arrondissementsparket Oost-Nederland, heeft bij brief van 28 augustus 2013 aan de advocaat van [eiser] bericht dat het geen aanleiding en/of mogelijkheid ziet om de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraffen te beëindigen. Deze beslissing is onder meer als volgt toegelicht:

(…) Ik zie geen aanleiding c.q. mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van de aan uw cliënt opgelegde vrijheidsstraffen te beëindigen. Uw cliënt heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het Zutphense vonnis, waardoor dit onherroepelijk is geworden. Er geldt ter zake van dit vonnis op grond van artikel 553 Sv sindsdien een plicht tot tenuitvoerlegging, ook indien zou moeten worden aangenomen (zoals u doet) dat aan het vonnis een gebrek kleeft.

Vergelijk: HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 841.

Van (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf kan slechts worden afgezien op in de wet genoemde gronden, zoals in het geval van een daartoe strekkende gratiebeslissing. Nu het gratieverzoek van uw cliënt is afgewezen, doet die mogelijkheid zich niet voor. (…)”

1.7.

Bij brief van 14 augustus 2013 heeft de advocaat van [eiser] de landsadvocaat de vraag voorgelegd of de Staat voornemens is de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraf van 26 jaren volledig te executeren. Daarbij heeft de advocaat van [eiser] zich op het standpunt gesteld dat indien de Staat voormelde vraag bevestigend beantwoordt, hij vanaf 14 augustus 2013 onrechtmatig jegens [eiser] handelt.

1.8.

[eiser] heeft op 27 september 2013 bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie opnieuw een verzoek ingediend tot het verlenen van gratie van de resterende delen van voormelde gevangenisstraffen. Op dit verzoek is – voor zover bekend – tot op heden niet beslist.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair te verklaren voor recht dat de Staat met ingang van 13 augustus 2013 onrechtmatig jegens hem handelt en de Staat te veroordelen hem onmiddellijk in vrijheid te stellen;

II. subsidiair de Staat te veroordelen tot het stoppen van de executie van de aan hem opgelegde vrijheidsstraffen en de Staat te veroordelen hem onmiddellijk in vrijheid te stellen;

III. meer subsidiair de Staat te veroordelen tot het toewijzen van het op 27 september 2013 ingediende verzoek tot gratieverlening en de Staat te veroordelen hem onmiddellijk in vrijheid te stellen;

IV. veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en rente.

2.2.

Daartoe voert [eiser] aan dat het OM blijkens de ‘Aanwijzing executie’ wel degelijk de bevoegdheid toekomt om de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde vrijheidsstraffen te beëindigen. Volgens [eiser] bestaat voor het OM ook voldoende aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. In dat verband wijst [eiser] op de omstandigheid dat de rechtbank Zutphen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 63 jo artikel 10, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.), op grond van welke bepalingen zij, gelet op de destijds maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaren en de reeds door het gerechtshof Den Haag opgelegde gevangenisstraf van zes jaren, slechts had kunnen besluiten tot het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf van veertien jaren dan wel een levenslange gevangenisstraf. Nu de rechtbank Zutphen dit heeft nagelaten, is volgens [eiser] aan hem een gevangenisstraf opgelegd die, voor zover deze de duur van twintig jaren overstijgt, een wettelijke grondslag ontbeert. Executie van een gevangenisstraf die de destijds toegestane maximale duur overschrijdt, levert naar de mening van [eiser] tevens een schending op van de artikelen 5 en 7 van het Europees Verdrag voor Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu bij gebreke van wettelijke basis geen sprake meer is van ‘lawful detention’. Indien het OM hem tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld had willen zien, had het volgens [eiser] de kans daarop vergroot door de mogelijkheid van gelijktijdige behandeling van de strafzaken te benutten. Door dit niet te doen, heeft het OM de rechter in eerste aanleg de mogelijkheid ontnomen een totaaloordeel te vellen en is volgens [eiser] hem de mogelijkheid ontnomen zijn proceshouding aan te passen na een eventuele veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf in eerste aanleg. Volgens [eiser] valt niet uit te sluiten dat hij door dit handelen van het OM in zijn belangen is geschaad. Indien de rechtbank Zutphen hem met een juiste toepassing van artikel 63 Sr. zou hebben veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien jaren, dan zou dat er volgens [eiser] toe hebben geleid dat hij per 13 augustus 2013 aanspraak had kunnen maken op voorwaardelijke c.q. vervroegde invrijheidstelling. Met zijn vordering wordt naar de mening van [eiser] het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet doorkruist nu niet wordt gevraagd het vonnis van de rechtbank Zutphen te vernietigen en de opgelegde straf aan te passen maar slechts om de executie van die straf te staken vanaf moment dat een wettelijke basis daarvoor ontbreekt en deze derhalve evident onrechtmatig is.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Ter beoordeling staat of het OM, als onderdeel van de Staat, gehouden is de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraffen te staken vanaf het moment dat – zoals [eiser] heeft aangevoerd – daarvoor een wettelijke basis ontbreekt. [eiser] heeft gesteld dat daartoe aan het OM de bevoegdheid toekomt krachtens de ‘Aanwijzing executie’.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser] met juistheid heeft gesteld dat aan het OM op grond van de ‘Aanwijzing executie’ in beginsel de bevoegdheid toekomt om bij wijze van hoge uitzondering in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval te besluiten de tenuitvoerlegging van een straf te staken. De ‘Aanwijzing executie’ noemt daarbij – niet limitatief – als bijzondere omstandigheden dat een zaak niet gratieerbaar is of tenuitvoerlegging van een straf geen redelijk doel meer dient.

3.3.

De Staat heeft zich ten verwere op het standpunt gesteld dat in dit geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de ‘Aanwijzing executie’ geen sprake is nu voor het OM een plicht tot tenuitvoerlegging van het resterende deel van de aan [eiser] opgelegde vrijheidstraffen geldt en zich in dit geval het gesloten stelsel van rechtsmiddelen doet gelden. De voorzieningenrechter volgt de Staat in dit betoog en overweegt daartoe als volgt.

3.4.

[eiser] keert zich in dit kort geding tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 8 mei 2001 waarin in zijn beleving een straf is opgelegd die het destijds geldende wettelijk strafmaximum te boven ging. De Staat heeft met juistheid betoogd dat een dergelijke veroordelende beslissing van de strafrechter waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, door het OM niet alleen mag maar ook ten uitvoer moet worden gelegd. Dat aan het bewuste vonnis mogelijk een gebrek kleeft, brengt niet met zich dat het OM onrechtmatig jegens [eiser] handelt door deze uitspraak onverkort ten uitvoer te leggen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken impliceert immers dat een uitspraak rechtskracht behoudt, zolang het niet als gevolg van het instellen van een rechtsmiddel is vernietigd. Nu [eiser] het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken, is in principe van onrechtmatigheid van de tenuitvoerlegging geen sprake. In zijn standpunt dat van een doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geen sprake is nu slechts wordt gevorderd de verdere executie van het vonnis te verbieden, kan [eiser] niet worden gevolgd. Deze vordering vindt immers zijn grondslag in de vermeende inhoudelijke onjuistheid van het vonnis. Beoordeling van de vordering op die grondslag vereist een inhoudelijk oordeel van de burgerlijke rechter over de juistheid van deze onherroepelijke beslissing van de strafrechter. Dit is volgens vaste jurisprudentie onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het strafrecht.

3.5.

Op voormelde regel dat een onherroepelijk beslissing ten uitvoer moet worden gelegd kan volgens vaste rechtspraak slechts een uitzondering worden aanvaard indien een uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing in strijd met fundamentele mensenrechten tot stand is gekomen, dan wel ingeval door de wijze van executie een zodanige schending van fundamentele mensenrechten dreigt te ontstaan, dat onverkorte tenuitvoerlegging niet meer kan worden beschouwd als krachtens het wettelijke stelsel toegelaten. Ook is een uitzondering op de executieplicht mogelijk voor zover de wet daartoe een grondslag biedt.

3.6.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een uitspraak van het EHRM in vorenbedoelde zin. Daarnaast heeft de Staat er terecht op gewezen dat de door [eiser] in het verleden gedane verzoeken tot het verlenen van gratie zijn afgewezen, zodat zich in dit geval geen situatie voordoet waarin de wet een grondslag biedt voor het aannemen van een uitzondering op de executieplicht. Daarmee resteert de stelling van [eiser] dat onverkorte tenuitvoerlegging van de op 8 mei 2011 opgelegde gevangenisstraf leidt tot een schending van de artikelen 5 en 7 van het EVRM. Ook in die stellingname kan [eiser] niet worden gevolgd. Van een schending van deze bepalingen is volgens [eiser] sprake nu hem een zwaardere straf is opgelegd dan destijds wettelijk gezien mogelijk was. De juistheid van die stelling kan niet door de burgerlijke rechter in kort geding worden beoordeeld. Zoals de Staat ter zitting terecht heeft gesteld, had het op de weg van [eiser] gelegen om die stelling in een door hem te entameren procedure in hoger beroep aan de strafrechter voor te leggen. [eiser] heeft daar kennelijk om hem moverende redenen van afgezien. Reeds gelet hierop gaat de door [eiser] gemaakte vergelijking met het onlangs door de Hoge Raad gewezen arrest in de Puttense moordzaak mank aangezien in die zaak immers in de strafrechtelijke procedure wel gebruik was gemaakt van de ter beschikking staande rechtsmiddelen. Bij die stand van zaken moet er in dit kort geding vanuit worden gegaan dat [eiser] destijds op rechtmatige wijze is gedetineerd en dat aan hem destijds een straf is opgelegd die in overeenstemming is met de destijds geldende wettelijke bepalingen. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van bijzondere omstandigheden die het OM zouden moeten nopen tot het stoppen van de executie van het vonnis van de rechtbank Zutphen van 8 mei 2011. De primaire en subsidiaire vordering van [eiser] liggen daarmee voor afwijzing gereed.

3.7.

De meer subsidiaire vordering van [eiser] tot veroordeling van de Staat tot toewijzing van het op 27 september 2013 gedane gratieverzoek is ten slotte evenmin toewijsbaar. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt is het aan de Dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en niet aan de voorzieningenrechter om een gratieverzoek inhoudelijk te beoordelen. Voor zover [eiser] betoogt dat de indiening van dit gratieverzoek dient te leiden tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, overweegt de voorzieningenrechter dat in dit geval van opschortende werking van rechtswege ex artikel 558a Sv geen sprake is. Of niettemin aanleiding bestaat om hangende de behandeling van het gratieverzoek de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten dan wel te schorsen, betreft blijkens artikel 559a, tweede lid, Sv, een discretionaire bevoegdheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Of de minister ter zake reeds een beslissing heeft genomen, is echter gesteld noch gebleken. Bij die stand van zaken komt aan de voorzieningenrechter niet de bevoegdheid toe om zich over de opschortende dan wel schorsende werking van het gratieverzoek uit te laten. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter overigens nog op dat een beslissing van de minister in vorenbedoelde zin in kort geding slechts marginaal kan worden getoetst.

3.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2013.

mw