Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13819

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
C-09-450520, JE RK 13-2322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter constateert dat er aldus een deskundig rapport bestaat over de opvoedvaardigheden van de moeder, waarvan de inhoud nu niet gekend is. Of de moeder het al dan niet met de inhoud van het rapport eens is: haar recht op nieuw onderzoek naar de mogelijkheden voor terugplaatsing is niet onbegrensd en de kinderrechter is van oordeel dat thans het punt bereikt is waarop een aantal duidelijke conclusies moet worden getrokken.

De minderjarige woont sinds de leeftijd van vier maanden niet meer bij de moeder. De minderjarige heeft een hechtingsstoornis, zodat een beslissing om haar te verplaatsen uit een vertrouwde omgeving een extra zware motivering vereist. De hechting van de minderjarige in het huidige pleeggezin en aan de huidige verzorgers is van primair belang voor de ontwikkeling van de minderjarige. De ervaring dat weekends bij de moeder een terugslag veroorzaken, is zorgelijk. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet nader meer dient te worden onderzocht of de opvoedvaardigheden van de moeder op enig moment zodanig zijn dat de minderjarige bij de moeder kan wonen.

Uit de voorgeschiedenis komt naar het oordeel van de kinderrechter meer dan voldoende naar voren dat opvoeding van de minderjarige door de moeder geen optie is. Ten overvloede nodigt de kinderrechter Bureau Jeugdzorg uit om zich met de Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden over een verderstrekkende maatregel te beraden, dit mede met het oog op het belang van rust en duidelijkheid voor de minderjarige en het pleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Zaaknummer: C/09/450520

Rekestnummer: JE RK 13-2322

Datum beschikking: 30 september 2013

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 10 september 2013 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Delft (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats];

kind van:

[A] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

Als belanghebbenden in deze procedure worden tevens aangemerkt:

[B] en [C] (verder respectievelijk de pleegmoeder en de pleegvader),

wonend te [woonplaats].

De minderjarige verblijft feitelijk in een pleeggezin.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift, met als bijlagen het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling;

- het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg d.d. 9 september 2013 met de daarbij behorende aanvraag;

- het verweerschrift van de advocaat van de moeder, mr. T. Gümüs.

Op 30 september 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

mevrouw [D] namens Bureau Jeugdzorg;

de moeder, bijgestaan door mr. T. Gümüs;

de pleegmoeder.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 9 oktober 2012 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 29 oktober 2012 tot 29 oktober 2013.

Voorts heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij voormelde beschikking de aan Bureau Jeugdzorg gegeven machtiging om voornoemde minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 29 oktober 2012 tot 29 oktober 2013.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De moeder heeft alleen verweer gevoerd tegen het verzoek betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing.

De pleegmoeder staat achter de verzoeken.

Beoordeling

De pleegvader is conform de wettelijke vereisten opgeroepen, doch niet verschenen.

Bureau Jeugdzorg motiveert het verzoek kort weergegeven als volgt.

Bij de minderjarige is sprake van een reactieve hechtingsstoornis, van gedragsproblemen en ontwikkelingsmoeilijkheden die meer van een opvoeder vragen dan de moeder kan bieden. De minderjarige woont nu ruim drie jaar in het huidige, perspectiefbiedende, pleeggezin. De minderjarige kan hier op langere termijn blijven. Het pleeggezin komt tegemoet aan de behoeften van de minderjarige aan duidelijkheid en structuur. Het is belangrijk dat de minderjarige ook duidelijkheid krijgt over haar woonplaats in de toekomst.

Namens de moeder is bepleit het verzoek af te wijzen voorzover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft. Voorzover van belang is het volgende aangevoerd. Het contact en het verblijf van de minderjarige bij de moeder verloopt goed. De moeder laat zich vrijwillig behandelen, neemt haar medicatie en weet Bureau Jeugdzorg te vinden als zij hulp nodig heeft. De opvoeding van haar twee andere kinderen kan zij goed aan. De minderjarige heeft duidelijkheid en structuur nodig en de moeder vindt dat zij die kan bieden, beter dan dat de minderjarige van het ene naar het andere pleeggezin moet. De twijfel aan haar opvoedcapaciteiten eerder stond in verband met het feit dat zij onzeker was en met meerdere hulpverleners te maken had. De moeder vindt dat zij het recht heeft om voor de minderjarige te zorgen en dat de minderjarige meermalen heeft aangegeven bij haar te willen wonen.

De pleegmoeder heeft ter terechtzitting haar standpunt toegelicht, kort weergegeven als volgt. De minderjarige heeft veel tijd en aandacht nodig om binnen het pleeggezin te kunnen functioneren. De pleegmoeder is deskundige op het gebied van hechtingsstoornissen en het beeld van de minderjarige is daardoor mogelijk wat gunstig vertekend. De stoornis van de minderjarige heeft een progressief karakter en zal dus erger worden. Gaandeweg zal in het pleeggezin ook met de eigen kinderen samen worden bepaald of het goed gaat. Zolang het goed gaat zijn de pleegouders zeker bereid om de zorg voor de minderjarige te dragen.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. De moeder heeft met het verzoek daartoe ingestemd.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder het volgende.

De moeder heeft besloten geen inzage te geven in het NIFP rapport, dat over haar is uitgebracht. Met een vorige gezinsvoogd heeft zij besproken dat zij een nieuw onderzoek over haar opvoedkwaliteiten zou kunnen ondergaan.

De kinderrechter overweegt dat uit de voorgeschiedenis en uit de stukken onder meer het volgende als vaststaand naar voren komt. De grootvader moederszijde heeft zich jarenlang seksueel overschrijdend gedragen naar de moeder, die daar nog steeds negatieve gevolgen van ondervindt. De moeder heeft de minderjarige ook niet tegen zijn gedrag in bescherming genomen of kunnen nemen. Zij heeft gezien dat hij de minderjarige betastte.

De minderjarige heeft ruim twee jaar in een gezinshuis gewoond. De mogelijkheden voor terugplaatsing bij de moeder en de opvoedvaardigheden van de moeder zijn bekeken. Ook de minderjarige zelf is onderzocht. Geconcludeerd is dat volledige terugplaatsing bij de moeder niet haalbaar is. In 2009 is besloten dat de opvoedvaardigheden van de moeder onderzocht moeten worden om te bezien of de terugplaatsing mogelijk is. De moeder wilde vervolgens toch niet meewerken, vond later dat de minderjarige beter toch in het pleeggezin kon blijven en bepleitte weer later dat de minderjarige bij haar komt wonen. Als het onderzoek naar haar opvoedvaardigheden dan toch weer wordt hervat en resulteert in een NIFP-rapport, besluit de moeder vervolgens om geen inzage te bieden in de resultaten van dit onderzoek.

De kinderrechter constateert dat er aldus een deskundig rapport bestaat over de opvoedvaardigheden van de moeder, waarvan de inhoud nu niet gekend is. Of de moeder het al dan niet met de inhoud van het rapport eens is: haar recht op nieuw onderzoek naar de mogelijkheden voor terugplaatsing is niet onbegrensd en de kinderrechter is van oordeel dat thans het punt bereikt is waarop een aantal duidelijke conclusies moet worden getrokken.

De minderjarige woont sinds de leeftijd van vier maanden niet meer bij de moeder. De minderjarige heeft een hechtingsstoornis, zodat een beslissing om haar te verplaatsen uit een vertrouwde omgeving een extra zware motivering vereist. De hechting van de minderjarige in het huidige pleeggezin en aan de huidige verzorgers is van primair belang voor de ontwikkeling van de minderjarige. De ervaring dat weekends bij de moeder een terugslag veroorzaken, is zorgelijk. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet nader meer dient te worden onderzocht of de opvoedvaardigheden van de moeder op enig moment zodanig zijn dat de minderjarige bij de moeder kan wonen.

Uit de voorgeschiedenis komt naar het oordeel van de kinderrechter meer dan voldoende naar voren dat opvoeding van de minderjarige door de moeder geen optie is. Ten overvloede nodigt de kinderrechter Bureau Jeugdzorg uit om zich met de Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden over een verderstrekkende maatregel te beraden, dit mede met het oog op het belang van rust en duidelijkheid voor de minderjarige en het pleeggezin.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige

van 29 oktober 2013 tot 29 oktober 2014

met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,

en

verlengt de aan Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen

van 29 oktober 2013 tot 29 oktober 2014,

zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 9 september 2013;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Koekman, kinderrechter,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2013,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.