Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13782

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
AWB 13/20724
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Zolang het inreisverbod voortduurt heeft verzoeker geen belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening connex aan zijn bezwaar tegen de intrekking van hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie ook de uitspraak van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2013:298).

Wel heeft verzoeker belang bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende zijn bezwaar tegen het opgelegde inreisverbod omdat hij onbetwist heeft gesteld dat met zijn overplaatsing vanuit de ZZBI de Nederhof (zeer beperkt beveiligde inrichting) naar het Detentiecentrum Alphen aan den Rijn (gesloten inrichting) een dermate wijziging is gekomen in het regiem dat het voor hem praktisch onmogelijk is om tijdens zijn detentie zijn gezinsleven uit te oefenen.

Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling (o.a. ECLI:NL:RVS:2010:BO0828) waarin geoordeeld is dat een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waarvan de tenuitvoerlegging gelast is, gelijk is te stellen met een onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in de zin van artikel 3:86 van het Vb , alsmede gelet op de artikelen 14a en 14g van het Wetboek van Strafrecht, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de toepassing van artikel 3.86 Vb de bij arrest van 10 februari 2012 gelaste tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van acht maanden niet mocht relateren aan het strafbare feit gepleegd op 12 november 2007. Hieruit volgt dat verweerder op grond van de in artikel 3.86, tweede lid, neergelegde norm, bevoegd was de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning in te trekken. Nu het bezwaarschrift (nog) geen onderbouwde gronden tegen het opgelegde inreisverbod bevat betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat aan het aan verzoeker opgelegde inreisverbod onrechtmatigheden kleven. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/20724

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2013 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.G,C. van Riet, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. I. Boon, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘voortgezet verblijf’ met terugwerkende kracht per 12 november 2007 ingetrokken, aan verzoeker een terugkeerbesluit met onthouding van een vrijwillige vertrektermijn uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter het primaire besluit te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Verzoeker is naar eigen zeggen in 1992 Nederland binnengekomen. Hij is vanaf 11 oktober 1994 tot 11 oktober 1996 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Vervolgens is verzoeker met ingang van 10 februari 2006 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij echtgenote’, welke vergunning met ingang van 16 september 2011 is omgezet in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘voortgezet verblijf’, geldig tot 16 september 2016.

3.

De voorzieningenrechter ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verzoeker (spoedeisend) belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

3.1

Verzoeker heeft verzocht het primaire besluit - inhoudende de intrekking van de hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de oplegging van een inreisverbod voor de duur van 5 jaar - te schorsen, aangezien het besluit tot gevolg heeft dat verzoeker - vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf - niet langer in de Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting [naam] (ZZBI) mag verblijven en is overgeplaatst naar een gesloten inrichting, het Detentiecentrum [plaats]. Deze overplaatsing heeft verstrekkende gevolgen voor de uitoefening van zijn gezinsleven, aldus verzoeker. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij in de ZZBI elk weekend verlof had en dat weekend doorbracht in Amsterdam met zijn in België woonachtige partner en hun zoontje. In het Detentiecentrum is geen sprake van verlof. Het is de partner van verzoeker en hun zoon toegestaan verzoeker 1 uur in de week, op de door het Detentiecentrum te bepalen tijden, te bezoeken. De overgang van de ZBBI [naam] naar het Detentiecentrum [plaats] heeft, vanwege de wijziging van het detentieregime, daarmee een groot en onwenselijk gevolg voor de uitoefening van zijn gezinsleven, aldus verzoeker.

3.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat het belang van verzoeker het (strafrechtelijke) detentieregime betreft en dat dit regime in geval van verzoeker, zoals blijkt uit de op 7 augustus 2013 op grond van de artikelen 23 en 24 van de Penitentiaire beginselenwet aan hem opgelegde ordemaatregel, onlosmakelijk verbonden is met de in het besluit in primo neergelegde intrekking van de hem verleende verblijfsvergunning regulier en het uitgevaardigde inreisverbod. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder in het besluit is uitgegaan van het bestaan van gezinsleven tussen verzoeker en zijn in België verblijvende partner en hun zoon. De voorzieningenrechter heeft voorts geen aanleiding niet uit te gaan van het door verzoeker gestelde (grote) verschil in vrijheden en verloven tussen een gesloten inrichting, zoals het Detentiecentrum [plaats], en een zeer beperkt beveiligde inrichting, zoals de ZZBI [naam]. Nu de wijziging van het regime reeds heeft plaatsgevonden en vergaande consequenties heeft voor de mogelijkheid van verzoeker zijn gezinsleven uit te oefenen tijdens zijn detentie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gestelde belang bij het treffen van de voorlopige voorziening niet enkel de strafrechtelijke gevolgen van het besluit in primo betreft, maar ook een rechtens te beschermen belang in de vreemdelingrechtelijke procedure.

3.3

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder tegen eiser een inreisverbod heeft uitgevaardigd met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vw, aangezien verzoeker bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) volgt dat eiser, zolang voornoemd inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening connex aan zijn bezwaar tegen de intrekking van hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.
Bij het verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het bezwaar van verzoeker tegen het hem opgelegde inreisverbod heeft eiser belang. Of de intrekking van de verblijfsvergunning stand kan houden, kan, ingevolge de uitspraak van de Afdeling,

ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld.
De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verzoeker een (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening connex aan het bezwaar tegen opgelegde inreisverbod. De voorzieningenrechter zal hetgeen eiser aanvoert tegen de intrekking van de hem verleende verblijfsvergunning beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod.

4.

Verweerder heeft verzoekers verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 12 november 2007 ingetrokken, omdat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft in het besluit verwezen naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 februari 2013, waaruit blijkt dat verzoeker bij vonnis van 24 februari 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld is tot acht maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren, ter zake van witwassen, gepleegd op 12 november 2007 en op 24 januari 2008. Deze straf is bij vonnis van 10 december 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam volledig ten uitvoer gelegd omdat verzoeker zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De gevangenisstraf van acht maanden, afgezet tegen de duur van het rechtmatige verblijf van minder twee jaren, geeft, gelet op artikel 3.86, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) aanleiding verzoekers verblijfsvergunning in te trekken.

5.

Verzoeker voert aan dat verweerder de hem verleende verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken. Met de veroordelingen van verzoeker, afgezet tegen de duur van het rechtmatig verblijf, is niet voldaan aan de norm neergelegd in artikel 3.86, tweede lid, Vb. Verweerder had daarom niet de bevoegdheid de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning in te trekken. Ter onderbouwing hiervan voert verzoeker het volgende aan. Verzoeker is bij arrest van 24 februari 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam terzake van op 12 november 2007 en 24 januari 2008 gepleegde strafbare feiten veroordeeld (onder meer) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Nu verzoeker bij voornoemd arrest niet tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd veroordeeld, was verweerder niet bevoegd verzoekers vergunning op grond van deze veroordeling in te trekken. Verzoeker is vervolgens door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 10 februari 2012 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden vanwege strafbare feiten die zijn gepleegd in de periode van 3 november 2011 tot en met 6 februari 2012. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden gelast omdat verzoeker lopende de proeftijd van de eerdere veroordeling (ingegaan op 11 maart 2011) strafbare feiten heeft gepleegd, te weten in de periode van 3 november 2011 tot en met 6 februari 2012. De tenuitvoerlegging kon eerst gelast worden na veroordeling terzake van het op 3 november 2011 gepleegde feit. Verweerder dient bij het bepalen van de verblijfsduur uit te gaan van de duur van het rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan het moment dat het misdrijf is gepleegd of aangevangen. Dat is derhalve niet 12 november 2007, maar 3 november 2011. Uitgaande van 3 november 2011 bedroeg de verblijfsduur van verzoeker meer dan 5 jaar maar minder dan 6 jaar. Nu verzoeker in verband met de op die dag gepleegde feiten tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf van respectievelijk vijftien maanden en acht maanden werd veroordeeld, en dus niet tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vierentwintig maanden of meer, was verweerder niet bevoegd verzoekers vergunning in te trekken.

5.1

Volgens jurisprudentie van de Afdeling (zie in dit verband de uitspraak van 8 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0828) is een voorwaardelijke veroordeling een veroordeling tot een bepaalde straf, met het bevel de tenuitvoerlegging van die straf op te schorten. Indien de tenuitvoerlegging alsnog bevolen wordt, is - in aanmerking genomen dat aan de tenuitvoerlegging een rechterlijk oordeel ten grondslag ligt en de in artikel 3.86 Vb neergelegde zogenoemde glijdende schaal ten doel heeft de openbare orde te beschermen - sprake van een onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen straf in de zin van artikel 3:86 van het Vb.

5.2

Gelet op voornoemde jurisprudentie, waarin geoordeeld is dat een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waarvan de tenuitvoerlegging gelast is, gelijk is te stellen met een onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in de zin van artikel 3:86 van het Vb, alsmede gelet op de artikelen 14a en 14g van het Wetboek van Strafrecht, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de toepassing van artikel 3.86 Vb de bij arrest van 10 februari 2012 gelaste tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van acht maanden niet mocht relateren aan het strafbare feit gepleegd op 12 november 2007. Nu verzoeker op 12 november 2007 nog geen twee jaren rechtmatig verblijf had, is verweerder, op grond van de in artikel 3.86, tweede lid, neergelegde norm, bevoegd tot intrekken van de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning. In artikel 3.86, tweede lid, Vb, zoals dat luidde ten tijde van belang, is immers neergelegd dat bij voormelde verblijfsduur een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden die bevoegdheid reeds geeft. De bezwaargrond slaagt gelet daarop niet en kan daarom niet leiden tot vernietiging van het inreisverbod.

6.

Verzoeker heeft in zijn aanvullende gronden van bezwaar, die hij ter zitting overlegde, aangegeven aanvullende gronden te zullen indienen tegen het opleggen van het inreisverbod en de termijn ervan in verband met het gezinsleven dat verzoeker heeft met zijn in België woonachtige partner en hun zoon.

6.1

Nu het bezwaarschrift (nog) geen onderbouwde gronden tegen het opgelegde inreisverbod bevat, bestaat geen grond voor het oordeel dat aan het aan verzoeker opgelegde inreisverbod onrechtmatigheden kleven.

7.

Uit het voorgaande volgt dat het bezwaarschrift gericht tegen het opgelegde inreisverbod thans geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het belang van verzoeker bij schorsing van het besluit, op zichzelf beschouwd, niet kan opwegen tegen het belang van verweerder bij handhaving van het besluit. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het bezwaarschrift gericht tegen het opgelegde inreisverbod dan ook afwijzen.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.