Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13763

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
AWB 11/36159 en 11/36486
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aiel, Armenië, individueel ambtsbericht, ongeloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/36159 en 11/36486

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2], eisers,

gemachtigde mr. A.J.P. Lemmen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

(daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde mr. S.F.E. Verdonck.

Procesverloop

Eisers hebben op 9 november 2011 beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 17 oktober 2011 waarbij hun asielaanvragen zijn afgewezen (de bestreden besluiten).

De bestreden besluiten zijn gebaseerd op het individuele ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 mei 2011 (kenmerk DAC/AT-U110106.0003).

De rechtbank heeft op 14 juni 2012 de stukken opgevraagd die hebben geleid tot dit ambtsbericht. Bij brief van 27 juni 2012 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de gevraagde stukken overgelegd, met verzoek om beperkte kennisneming, als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 6 juli 2012 heeft deze rechtbank geoordeeld dat beperkte kennisname gerechtvaardigd is.

Voorts hebben partijen bij brieven van respectievelijk 17 juli 2012 en 6 augustus 2012 aan deze rechtbank toestemming verleend om conform het bepaalde in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb mede op de grondslag van deze onderliggende stukken uitspraak te doen.

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 5 februari 2013. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Beglarian, tolk in de Armeense taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak één maal verlengd.

Overwegingen

1.

Eisers hebben gesteld te zijn geboren op respectievelijk[geboortedag] 1980 en op [geboortedag] 1983 en de Armeense nationaliteit te bezitten. Op 29 maart 2010 hebben eisers mede ten behoeve van hun minderjarige kind een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het asielrelaas van eiseres is afhankelijk van dat van eiser.

2.

Eiser heeft -samengevat- verklaard dat hij werkzaam was als politieagent in Yerevan. Ter ondersteuning van zijn relaas heeft hij een kopie van zijn politiepas, zijn militair boekje en een dagvaarding van 7 december 2009 overgelegd. Op de avond van 20 november 2009 had hij dienst met zijn collega [naam 3]. Zij zagen hoe iemand door vier mannen in elkaar werd geslagen en besloten om in te grijpen. Eén van de daders was [naam 4], de zoon van politiecommandant [naam 5]. Deze persoon heeft eisers collega neergestoken. Deze is overleden. Eiser is vervolgens door de andere daders mishandeld waardoor hij het bewustzijn heeft verloren. Op 21 november 2009 heeft eisers leidinggevende geëist dat eiser een valse verklaring over de vechtpartij zou afgeven, maar eiser heeft dit geweigerd. Op 22 november 2009 zijn onbekende mannen de ouderlijke woning van de echtgenote van eiser binnengedrongen. Zij hebben vervolgens zijn echtgenote en zijn schoonvader mishandeld en bedreigd met een vuurwapen. Eiser heeft zijn echtgenote en zijn kind elders ondergebracht. Op 23 november 2009 heeft eiser zijn beklag gedaan bij commandant [naam 5]. Deze heeft eiser naar het politiebureau in Yerevan laten brengen waar hij acht dagen is vastgehouden. Eiser heeft verklaard hierbij te zijn gemarteld. Eiser zou gedwongen zijn te getuigen in een rechtszaak over de gebeurtenissen van 20 november 2009 waarbij hij een zekere [naam 6] moest aanwijzen als de dader. Op 7 december 2009 heeft de rechtszitting plaatsgevonden. Eiser herkende de beklaagde[naam 6] als het slachtoffer van het incident en heeft besloten om de waarheid te vertellen en [naam 4] te noemen als dader van de vechtpartij. Na de schorsing van de zitting is eiser naar het kantoor van een mensenrechtenorganisatie gegaan maar men weigerde hem te helpen. Toen eiser naar huis wilde gaan is hij achtervolgd en beschoten door de inzittenden van een Jeep. Eiser is naar zijn echtgenote en kind gevlucht. Op een gegeven moment heeft de moeder van eiser opgebeld met de mededeling dat er mannen waren langsgeweest die haar hebben gedwongen om hun verblijfplaats te verraden. Daarop heeft eiser met zijn echtgenote en kind Armenië verlaten. In beroep heeft eiser daaraan nog toegevoegd dat zijn schoonvader mede ten gevolge van de eerdere mishandeling met hartklachten in een ziekenhuis is opgenomen en uiteindelijk in september 2010 is overleden.

3.

Verweerder heeft in Armenië onderzoek laten instellen door de Minister van Buitenlandse zaken. In het ambtsbericht van 31 mei 2011 zijn de volgende onderzoeksresultaten vermeld.

1a. De door betrokkene in kopie overgelegde politiepas is een afschrift van een echt document.

1b. De politiepas is afgegeven door de daartoe bevoegde instantie.

Het hierboven genoemde document is op een aantal echtheidskenmerken onderzocht. In deze brief wordt niet ingegaan op deze kenmerken om de gebruikte onderzoeksmethoden- en technieken te beschermen.

2a-b. Betrokkene heeft van 3 april 2009 tot 21 december 2009 gediend bij het derde speciale bataljon, eerste eenheid, tweede peleton van de PPC.

3a. Betrokkene is op 21 december 2009 officieel uit zijn functie van politieagent ontheven.

3b. De reden is niet bekend; betrokkene heeft op eigen initiatief ontslag genomen.

4a. Op 7 december 2009 heeft er een zitting plaatsgevonden in de zaak tegen [naam 6]. Betrokkene staat in deze zaak vermeld als slachtoffer (samen met een andere politieagent). Het kan niet bevestigd worden of betrokkene als getuige is gehoord. Het is aannemelijk dat betrokkene, als slachtoffer, gehoord is in de zaak.

4b. De rechtszaak betrof een incident dat plaatsvond op 24 september 2009. Uit het vonnis blijkt dat de rechter het bewezen achtte, dat [naam 6] op straat probeerde van iemand een gouden ketting te stelen. Betrokkene en zijn collega gingen hierop betrokkene achterna. Tijdens de worsteling die daarna ontstond heeft [naam 6] de collega van betrokkene met een ‘elastische knuppel’ geslagen. Tijdens de rechtszaak heeft het slachtoffer[naam 6]‘vergiffenis geschonken’, waarop de rechter hem het vergrijp van mishandeling niet ten laste heeft gelegd.

5a-b. Deze vragen zijn niet onderzocht.

6.

Het is niet mogelijk gebleken deze vraag te beantwoorden.

4.

Op verzoek van de rechtbank heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 27 juni 2012 de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken overgelegd, met het verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

5.

Eisers hebben onder verwijzing naar de zienswijzen -samengevat- aangevoerd dat het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten hen ten onrechte is tegengeworpen.

Een stuk van 17 november 2009, betreffende de rechtszaak dat bij het verstrekte memo van de Minister van Buitenlandse Zaken was gevoegd, hebben eisers laten vertalen. Volgens eisers zijn de gegevens in het memo omtrent de rechtszaak niet helemaal juist. Volgens antwoord 4 van het memo was de naam van de bestolene [naam 7], volgens de vertaling betreft het echter [naam 8]. Volgens eiser roept dit vraagtekens op.

Voorts komt op het stuk van 17 november 2009 de naam van eiser niet voor, antwoord 4a van het memo vermeldt eiser echter wel als slachtoffer. De collega van eiser was [naam 3]. Volgens eiser is hij neergestoken door [naam 4]. Eisers menen dat de gegevens van de door verweerder onderzochte rechtszaak zijn gemanipuleerd. Ook is de afloop van deze zaak volgens eisers onwaarschijnlijk: de dader wordt niets ten laste gelegd omdat hem vergiffenis zou zijn geschonken.

Ter onderbouwing van zijn relaas heeft eiser in beroep nog een vertaling van een eerder overgelegde dagvaarding overgelegd. Eiser diende op 7 december 2009 als slachtoffer te verschijnen in verband met de strafzaak tegen [naam 6].

6.

Verweerder heeft eisers het ontbreken van voldoende reis- of identiteitsdocumenten verweten en gesteld dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Onder verwijzing naar de resultaten van het eerder genoemde individueel ambtsbericht heeft verweerder het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig geacht.

7.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten rechtens juist zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

8.

In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

9.

Eisers hebben verklaard dat zij hun vliegtickets en paspoorten hebben afgegeven aan de reisagent. Nu daarbij niet is gebleken van dwang van de zijde van de reisagent heeft verweerder kunnen komen tot het oordeel dat eisers toerekenbaar niet beschikken over reis- en identiteitsdocumenten. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat.

10.

De rechtbank stelt vast dat eisers de conclusie van verweerder dat uit onderzoek is gebleken dat het voorval zoals dat door eiser is beschreven, niet op 20 november 2009 maar op 24 september 2009 heeft plaatsgevonden, niet hebben bestreden. Ook blijkt uit onderzoek dat het voorval niet ging om een vechtpartij zoals eiser stelt, maar uit een achtervolging van een dief. De collega van eiser is daarbij niet doodgestoken zoals eiser heeft verklaard, maar met een elastische knuppel geslagen. Verweerder heeft op basis hiervan kunnen concluderen dat er andere zaken op een ander tijdstip speelden dan eiser heeft willen doen voorkomen. De dagvaarding die eiser heeft overgelegd (inhoudende dat hij op 7 december 2009 dient te verschijnen) doet hieraan niet af, nu deze dagvaarding het voorgaande niet aantast. De enkele verklaring van eiser voor bovengenoemde verschillen, te weten dat de rechtszaak voorwerp is geweest van manipulatie, acht de rechtbank niet voldoende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de voorgaande kernpunten in het relaas van eiser reeds kunnen komen tot het standpunt dat het relaas ongeloofwaardig is. Verweerder heeft om die reden de daaruit voortvloeiende problemen (de gestelde bedreiging en mishandeling van zijn echtgenote en zijn schoonvader) eveneens kunnen betwijfelen. Ook de verklaring van eiser dat hij op bevel van [naam 5] zou zijn vastgehouden en gemarteld heeft verweerder, gelet op het voorgaande, als ongeloofwaardig kunnen bestempelen. Verweerder heeft daarom kunnen komen tot het oordeel dat positieve overtuigingskracht ontbreekt en dat het asielrelaas daarmee als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.

11.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag hebben.

12.

Gelet op rechtsoverweging 10 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eisers leidt tot een reëel risico als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

13.

Eisers hebben gezien het vorenstaande niet aannemelijk gemaakt dat hun aanvragen zijn gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers daarom terecht afgewezen.

14.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 april 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.