Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
VK-11_33614
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, asiel, christen, Hazara uit de provincie Herat, heeft zich in Nederland verdiept in het christendom, art. 3 EVRM, art. 15c definitierichtlijn,

beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/33614

V-nummer: [nummer 1]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde mr. T. Pondaag,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. C.W.M. van Breda.

Procesverloop

Eiser heeft op 18 oktober 2011 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 september 2011 (het bestreden besluit), waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S.A. Markarian, tolk in de Farsi taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag]1989 en de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Op 30 november 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij Afghanistan in 2001, op dertienjarige leeftijd, met het gezin van zijn ouders heeft verlaten. Dit hield verband met de omstandigheid dat zij christenen zijn. Een jaar voor hun vertrek kwam er een Amerikaan, [naam 2] (ook geschreven als: [naam 2]) genaamd, in hun gebied wonen. Eisers vader en de buurman, [naam 3], hadden contact met hem. Ongeveer een maand voor eisers vertrek uit Afghanistan is deze [naam 2] opgepakt, mishandeld en verhoord. [naam 2] heeft toen bekend dat hij mensen tot het christendom bekeerde en hij heeft namen genoemd. Kort daarna is [naam 2] vrijgekomen door toedoen van de Wahdat partij. Daarna verdween eerst de zoon van de buurman en daarna de andere buurman. Eisers vader heeft [naam 2] toen nog gesproken en die heeft gezegd dat zij beter konden vertrekken. Omdat zijn vader bang was dat één van hen of zij allemaal ook zouden verdwijnen, zijn zij met hun gezin en samen met het gezin van de buren vertrokken naar Iran. Eiser heeft drie en half jaar in Iran verbleven en vervolgens vijf jaar in Griekenland.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers aanvraag met toepassing van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. Verweerder stelt dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit of reisroute te kunnen vaststellen. Eiser heeft zijn gebruikte paspoort van Turkije naar Iran, alsmede zijn Griekse verblijfsdocument, niet overgelegd. Daarnaast heeft hij geen dan wel onvoldoende reisinformatie verschaft. Gelet hierop dient van eisers verklaringen positieve overtuigingskracht uit te gaan. Verweerder stelt dat dit niet het geval is, omdat eiser niet alleen zijn verklaringen over zijn identiteit en zijn reden voor het vragen van asiel heeft gewijzigd, maar ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij christen is. Eiser heeft inconsistent over zijn geloof verklaard. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij en zijn familie van oorsprong christen zijn. De stelling dat zijn familie behoort tot de kleine minderheid, minder dan 0,1 % van de oorspronkelijk sjiitische, Hazara christenen, is niet onderbouwd. Verder stelt verweerder dat in het herkomstgebied van eiser, de provincie Ghazni, geen sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn).

3.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, hem ten onrechte is tegengeworpen. Het niet overleggen van het paspoort, dat hij heeft gebruikt voor zijn reis van Iran naar Turkije, en de door de Griekse autoriteiten afgegeven verblijfskaart zijn verschoonbaar. Eiser stelt dat hij het paspoort heeft moeten afgeven aan de reisagent, omdat deze hem anders niet zou hebben geholpen. De rode verblijfskaart die hem in Griekenland is vertrekt heeft hij niet meegenomen, omdat deze al was verlopen toen hij in Nederland asiel heeft aangevraagd en bang was naar Griekenland te worden teruggestuurd. Daarnaast stelt eiser dat hij naar Noorwegen wilde doorreizen en om die reden de naam heeft opgegeven die in het valse paspoort was vermeld. Bij zijn asielaanvraag heeft hij wel zijn juiste personalia vermeld. Eiser handhaaft zijn stelling dat hij als zoon van christenen heeft te vrezen voor vervolging en hetgeen hij heeft aangevoerd over het christelijk geloof van zijn (voor)ouders. Daarnaast stelt eiser dat hij zich sinds anderhalf jaar heeft verdiept in het christendom en zich vanaf 2012 heeft aangesloten bij de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (hierna: GKV), waar hij een trouwe en frequente bezoeker is van diensten en Bijbelstudies. Naar het oordeel van de kerkenraad van GKV is eiser, omdat hij destijds al gedoopt is in Afghanistan, christen en kan hij om die reden niet nogmaals gedoopt worden in Nederland. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een verklaring overgelegd van de leden van de kerkenraad van de GKV te Ferwert van december 2012, een verklaring van 12 december 2012 van de pastoraal werkster en catecheet van de GKV en een verklaring van 27 november 2012 van de contactpersoon GKV voor asielzoekers. Eiser stelt dat, nu hij zelf overtuigd en praktiserend christen is, hij gegronde vrees voor vervolging te duchten heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Eiser beroept zich daarbij op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11 en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 november 2012, 201202404/1 en 201205451.

Voorts stelt eiser dat de situatie in de provincie Ghazni is verslechterd en zeer zorgwekkend is. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een rapportage van de Crisis Group Asia, Report nr. 207 van 27 juni 2011, een rapportage van de VN van 27 september 2011, een rapport “on the position of the Hazara minority in Afghanistan” van professor William Maley van 7 december 2011 (hierna: het rapport van Maley) en diverse uitspraken ven deze rechtbank, zittingsplaatsen Haarlem, Middelburg en Amsterdam.

4.

Verweerder heeft bij faxbericht van 2 april 2013 in het kader van artikel 83 van de Vw 2000 gereageerd op de in beroep overgelegde stukken. Verweerder stelt - samengevat -dat de overgelegde stukken waaruit eisers functioneren als kerklid, zijn deelname aan Bijbelstudie en zijn doopcatechese zouden moeten blijken, niet maken dat zijn gestelde christen zijn geloofwaardig wordt geacht. Het is in de eerste plaats aan eiser om zijn christen zijn aannemelijk te maken. Bij gebrek aan Afghaanse documenten komt het aan op de verklaringen van eiser. Verweerder stelt onder verwijzing naar het bestreden besluit dat eiser zijn gestelde geloof niet aannemelijk heeft gemaakt en dat hij dat met de recente overgelegde stukken evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Uit deze stukken blijkt immers dat eisers zijn verklaringen opnieuw heeft gewijzigd en bij de GKV iets anders heeft verteld over de christelijke opvoeding door zijn ouders, zijn doop en de datum van zijn doop dan bij verweerder. Gelet hierop heeft eiser nog immer niet aannemelijk gemaakt dat hij christen is.

Verder stelt verweerder dat uit de brieven en de verklaringen van eiser ook blijkt dat

eiser handelingen verricht, zoals deelname aan Bijbelstudie en het anderen willen

overtuigen van het geloof. Deze handelingen maken echter niet dat eiser zijn geloof

wel aannemelijk heeft gemaakt. Immers, het verrichten van deze handelingen doet

de tegenstrijdige verklaringen niet teniet. Zo bevatten de overgelegde brieven, naast

tegenstrijdigheden met eerder afgelegde verklaringen, slechts een opsomming van

de door betrokkene verrichte activiteiten, maar geven deze brieven geen inzicht in

het geloof van eiser. De omstandigheden dat iemand (uit studie) over Bijbelkennis beschikt, naar de kerk gaat, bijeenkomsten organiseert en andere handelingen verricht, kunnen op zichzelf niet doorslaggevend zijn om een gesteld geloof aannemelijk te achten. Het is immers eerst aan eiser om aannemelijk te maken dat hij het bij deze handelingen behorend geloof daadwerkelijk heeft.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Verdragsvluchtelingen komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3 van het EVRM kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn kan in aanmerking komen voor een subsidiaire beschermingsstatus, voor zover hier van belang, een onderdaan van een derde land ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

De vreemdeling die aanspraak heeft op subsidiaire bescherming als hiervoor bedoeld, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000.

6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Hiertoe is van belang dat eiser zijn gebruikte paspoort van Turkije naar Iran en zijn Griekse verblijfsdocument niet heeft overgelegd. Dat eiser zijn paspoort heeft afgestaan aan zijn reisagent komt voor zijn rekening en risico. Er is immers niet gebleken dat er sprake was van dwang van de zijde van de reisagent. Dat eiser zijn Griekse verblijfskaart uit angst heeft weggegooid is evenmin verschoonbaar. Daarnaast heeft eiser weinig tot geen reisinformatie kunnen geven. Verweerder heeft daarom kunnen komen tot het oordeel dat eiser toerekenbaar niet beschikt over (reis- identiteits- of andere) documenten. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat.

7.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de christelijke achtergrond van eiser niet geloofwaardig is. Eiser heeft immers eerst verklaard sjiiet te zijn, om daarna te verklaren dat hij christen is. Verder heeft eiser niet onderbouwd dat zijn ouders en grootouders van oorsprong christen

zijn. De enkele verwijzing naar algemene stukken op internet is onvoldoende.

Ook heeft eiser wisselend verklaard over zijn christelijke opvoeding, zijn gestelde doop, en het al dan niet verborgen houden van het christelijke geloof door zijn ouders. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat de redenen van vertrek van eiser en zijn familie uit Afghanistan niet gelegen zijn in het feit dat zij christen zijn. Dit geldt te meer nu uit het nader gehoor volgt dat zij verder geen problemen hebben ondervonden, maar uit voorzorg/angst Afghanistan hebben verlaten.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat uit de in beroep overgelegde stukken evenmin kan worden afgeleid dat eiser christen is. Verweerder heeft dat uitgebreid gemotiveerd in het faxbericht van 2 april 2013. Eiser heeft dat in beroep niet weerlegd. Verder zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier dat verweerder bij het stellen van vragen aan eiser over zijn geloofsovertuiging, zou zijn afgeweken van zijn vaste gedragslijn. Verweerder heeft gelet op de vage antwoorden en wisselende verklaringen van eiser kunnen komen tot het oordeel dat positieve overtuigingskracht ontbreekt en dat de geloofsovertuiging daarmee als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat hij bekeerd is, heeft verweerder deze bekering gelet op het vorenstaande eveneens ongeloofwaardig kunnen achten.

8.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag heeft. Niet in geschil is dat eiser, vanwege zijn Hazara-afkomst en herkomst uit de provincie Ghazni, behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep in de zin van paragraaf C24/1.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Het enkele feit dat iemand behoort tot een etnische groep die een minderheid is in een bepaald gebied, betekent echter niet dat hij risico loopt op verdragsschending op basis van alleen etniciteit. Wel kunnen leden van etnische groepen een risico lopen, met name in gebieden waar zij geen meerderheid vormen, afhankelijk van de individuele omstandigheden. De Afdeling oordeelde in diverse uitspraken (onder meer: 28 september 2012, LJN: BX9292) dat het enkel behoren tot de Hazara-groep niet genoeg is om aan te nemen dat iemand een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarvoor moeten er meer persoonlijke aspecten aangevoerd worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter geen beperkte individuele indicaties, in de zin van paragraaf C24/1.3.1 van de Vc 2000, aannemelijk gemaakt, op grond waarvan bij terugkeer een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt. Immers, zoals hiervoor al is overwogen, kon verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig achten, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat eiser zou moeten worden aangemerkt als een bekeerde christen.

9.

Gelet op rechtsoverweging 7 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eiser naar Afghanistan leidt tot een reëel risico als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

10.

Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op subsidiaire bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie in Afghanistan, en Ghazni in het bijzonder, niet zo uitzonderlijk ernstig is, dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Wat eiser op dit onderdeel heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Bij de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld, spelen individuele factoren, zoals etniciteit, verder geen rol. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ambtsbericht van juli 2012 onvoldoende grondslag biedt voor het oordeel dat de situatie zodanig ernstig is dat ieder burger louter door zijn aanwezigheid in Afghanistan, dan wel in Ghazni, een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn,

11.

Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

12.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2013.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.