Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13756

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
AWB 11/35521, 11/35410 en 11/35520
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing VVA BEP, ten onrechte ontbreken reisdocumenten tegengeworpen. Beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand laten. Relaas niet geloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/35521, 11/35410 en 11/35520

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaken tussen

[naam 1], geboren op [geboortedag]1943, eiseres 1;

[naam 2] , geboren op [geboortedag] 1970, eiser;

[naam 3] , geboren op [geboortedag] 1980, eiseres 2;

hierna te noemen: eisers,

gemachtigde mr. A.J.P. Lemmen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. L. Beening.

Procesverloop

Eisers hebben op 2 november 2011 beroep ingesteld tegen het besluiten van verweerder van 7 oktober 2011 waarbij de asielaanvragen van eisers zijn afgewezen (de bestreden besluiten).

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 15 januari 2012. Eiser 1 en eiseres 2 zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig K.K. Mkrttsyan, tolk in de Armeense taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eisers, zijnde moeder, zoon en zijn echtgenote, bezitten de Armeense nationaliteit. Op 21 januari 2010 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres 2 heeft dit mede namens haar minderjarige kinderen[naam 4], geboren op [geboortedag] 1998, en [naam 5], geboren op [geboortedag] 2001, gedaan. Bij besluit van 22 juli 2010 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Op 10 september 2010 zijn eisers met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie naar Armenië teruggekeerd.

2.

Op 26 januari 2011 hebben eisers opnieuw aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij hebben aan hun aanvragen ten grondslag gelegd dat eiser bij aankomst in Armenië op het vliegveld is mishandeld door politieagenten, hij van het vliegveld is afgevoerd en opgesloten werd in een psychiatrische kliniek. De problemen van eiser, die ten grondslag lagen aan eisers eerste aanvraag bestonden derhalve na hun terugkeer nog steeds. Daarom moesten eisers wederom hun land van herkomst verlaten.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat zij zijn teruggekeerd naar Armenië. Eisers hebben volgens verweerder echter onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van hun reisroute naar Nederland nu zij de door hun gebruikte grensoverschrijdingsdocumenten niet hebben overgelegd. Het relaas van eiser wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht, omdat dit relaas samenhangt met het eerder ongeloofwaardig geachte relaas en ook nu onvoldoende positief overtuigt. De relazen van eiseressen dragen een van eiser afhankelijk karakter en worden eveneens niet geloofwaardig geacht.

4.

Eisers hebben in beroep gesteld dat het ontbreken van reisdocumenten niet aan hen kan worden tegengeworpen, omdat zij de door de reisagent gebruikte toeristenlijst nooit in handen hebben gehad. De UNHCR had hen geen bescherming in Turkije kunnen bieden, omdat Turkije geen echte asielprocedure kent. Ten onrechte wordt het relaas van eiser over zijn aanhouding bij aankomst in Armenië en zijn opsluiting in een psychiatrische kliniek ongeloofwaardig geacht, aldus eisers. Ten onrechte heeft verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid betrokken dat van de door eisers overgelegde documenten, zijnde de brief van [naam 6], directeur van de betrokken kliniek, van 19 november 2010 en het op verzoek van de behandelend psychiater [naam 9] (zij was in het verleden tevens de coach van het sportteam waar eiser tot 1995 als professioneel gewichtheffer aan was verbonden) opgestelde medische onderzoeksverslag van [naam 10] van 15 september 2010, de authenticiteit niet kan worden vastgesteld. Eiser is na aankomst op het vliegveld in Yerevan direct opnieuw in de problemen gekomen en dit alleen al duidt volgens hem op geloofwaardigheid van het relaas in zijn eerdere procedure. Ook brengen eisers in beroep nog een verklaring van [naam 6], uitvoerend directeur van het centrum voor geestelijke gezondheid van [plaats], van 20 oktober 2011 in. In deze brief staat dat [naam 9] (lees: [naam 9]) sinds 15 december 1993 in voornoemd centrum werkzaam is als arts en psychotherapeut.

5.

Verweerder heeft ter toelichting op het bestreden besluit ter zitting naar voren gebracht dat aan eisers niet langer wordt verweten dat zij de bescherming van de UNHCR in Turkije hadden moeten inroepen. Hetzelfde geldt voor de zinsnede met betrekking tot de valse Turkse paspoorten, omdat dit de eerste reis van eisers in september 2009 betreft . Wel wordt hun tegengeworpen dat zij de toeristenlijst die de reisagent bij controles heeft gebruikt als reisdocument - door eisers beschreven als een wit papier met hun foto’s erop - niet hebben overgelegd. Verweerder handhaaft dan ook dat eisers terecht artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is tegengeworpen. Verweerder werpt ten slotte evenmin langer tegen dat het voor rekening en risico van eisers dient te komen dat verweerder over onvoldoende referentiemateriaal beschikt om de door hen ingebrachte documenten (brieven) op authenticiteit te onderzoeken. De door eisers ingebracht documenten nemen, gezien hun aard en inhoud, de ongeloofwaardigheid van het relaas echter niet weg.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2012 (zaaknummer: 201109724/1/V2, www.raadvanstate.nl) volgt dat, indien een vreemdeling na een eerdere weigering om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen een opvolgende aanvraag indient en stelt na de eerdere weigering in het land van herkomst te hebben verbleven voor de terugkomst naar Nederland, de op die aanvraag genomen besluit van gelijke strekking kan worden getoetst als ware het een eerste afwijzing, indien de vreemdeling aantoont dat hij daadwerkelijk in dat land is teruggekeerd.

7.

De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen onweersproken vast staat dat eisers na hun vorige asielprocedure zijn teruggekeerd naar Armenië en aan hun opvolgende asielaanvragen gebeurtenissen ten grondslag hebben gelegd die dateren van na hun terugkeer in Armenië.

8.

In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

9.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit herhaalt hetgeen in het voornemen is overwogen, te weten dat eisers toerekenbaar niet de grensoverschrijdingsdocumenten hebben overgelegd waarvan zij zich tijdens hun reis van Armenië naar Nederland hebben bediend. Volgens verweerder betreft dit de Turkse paspoorten en de toeristenlijst. Eisers hebben in hun zienswijze en in beroep betoogd enkel de door hun overgelegde W-documenten en hun laissez passer, op 25 augustus 2010 via het consulaat in Den Haag afgegeven voor hun terugkeer naar Armenië, in handen te hebben gehad en niet de grensoverschrijdingsdocumenten welke verweerder aan hen tegenwerpt. Verweerder heeft ter zitting gepreciseerd dat het tegenwerpen van het toerekenbaar ontbreken van reisdocumenten zich toespitst op het niet inbrengen van de toeristenlijst. Nu verweerder zich in het voornemen van eiser op het standpunt heeft gesteld dat eiser toerekenbaar niet de door hem gebruikte grensoverschrijdingsdocumenten of andere documenten als genoemd tijdens zijn eerste gehoor heeft overgelegd is de rechtbank van mening dat de bestreden besluiten ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Eisers hebben immers steeds aangegeven deze toeristenlijst nimmer zelf in handen te hebben gehad. Verweerder heeft zodoende ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eisers tegengeworpen en een onjuiste beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van eisers gehanteerd. De beroepen zijn derhalve gegrond en de bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid ook zonder toepassing van de toets van positieve overtuiging onaannemelijk kunnen achten dat eiser na hun terugkeer problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn eerder ongeloofwaardig geachte relaas. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld moge het zo zijn dat eiser heeft vastgezeten in een door hem als psychiatrische kliniek omschreven psychologisch gezondheidscentrum, maar deze omstandigheid maakt de samenhang met de gestelde problemen met de Armeense autoriteiten nog immer niet geloofwaardig. De door eiser ter onderbouwing van deze feiten en omstandigheden ingebrachte documenten, te weten de schriftelijke verklaringen van [naam 6] van 19 november 2010 en van 20 oktober 2011 en het medisch onderzoeksverslag van deskundige [naam 10] van 15 september 2010 maken dit niet anders. De enkele vaststelling van verwondingen van gemiddeld niveau door slagen met harde en stompe voorwerpen die mogelijk op 10 september 2010 kunnen zijn ontstaan, zegt niets over de toedracht van de aanhouding. In dit verband overweegt de rechtbank dat in de verklaringen van eiseressen onvoldoende steun blijkt voor de door eiser geschetste toedracht van de gebeurtenissen bij aankomst in Yerevan. In dit verband merkt de rechtbank op dat de verklaring van [naam 6] van 19 november 2010 slechts een in objectieve bewoordingen opgestelde verklaring betreft over de psychische toestand waarin eiser onder politiebegeleiding naar het Psychologisch Gezondheidscentrum van[plaats] is gebracht.

11.

Verweerder heeft onder deze omstandigheden kunnen komen tot het oordeel dat de asielrelazen als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt.

12.

Eisers hebben gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat hun aanvragen zijn gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers daarom terecht afgewezen.

13.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- in verband met de beroepen (1 punt voor de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 944,- (negenhonderdvierenveertig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.