Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13695

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
AWB 13/14673
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit en inreisverbod uitgereikt op Schiphol op het moment dat de vreemdeling vrijwillig wilde vertrekken

In de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2013, heeft de Afdeling –kortweg- geoordeeld dat er in het geval de vreemdeling zich op het moment van het uitreiken van het terugkeerbesluit op Schiphol bevindt en op het punt staat om vrijwillig Nederland te verlaten, geen grond is om aan te nemen dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Aldus kan dat onttrekkingsgevaar niet aan de verkorting van de vertrektermijn tot 0 dagen ten grondslag worden gelegd.

In het geval van eiseres deed zich ook de situatie voor dat zij zich op het moment van het uitreiken van het terugkeerbesluit op Schiphol bevond en op het punt stond om vrijwillig Nederland te verlaten, toen haar het terugkeerbesluit en het inreisverbod werden uitgereikt. Verweerder heeft, vanwege genoemde uitspraak van de Afdeling, aan het terugkeerbesluit niet een vertrektermijn van 0 dagen, maar een vertrektermijn van 28 dagen verbonden. Het tegelijk met het terugkeerbesluit opgelegde inreisverbod heeft verweerder dientengevolge niet op artikel 66a, eerste lid, Vw maar 66a, tweede lid, Vw gebaseerd.

(…)

Het is tussen partijen niet in geschil dat geen van de hier genoemde gevallen (A4/3.1 Vc)zich voordoet ten aanzien van eiseres. De aanwending van de discretionaire bevoegdheid om op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw een inreisverbod op te leggen, dient in beginsel te geschieden overeenkomstig relevant beleid indien dit is vastgesteld. Dit volgt uit artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat voorschrijft dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Door het inreisverbod aan eiseres op te leggen op de in rechtsoverweging 3 genoemde gronden met voorbijgaan aan het beleid zoals hierboven aangehaald, heeft verweerder niet overeenkomstig voornoemde beleidsregel gehandeld. Aldus heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 4:84 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/14673

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 september 2013 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Chinese nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. A.H. Diels, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen uitgereikt en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2013. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres was sinds 2002 onrechtmatig in Nederland. De laatste zes maanden woonde zij samen met haar vriend, de heer [naam] (hierna [naam]). Op 3 juni 2013 stond eiseres op Schiphol op het punt van –vrijwillige- uitreis, toen zij door de Koninklijke Marechaussee werd aangehouden. Aan haar is vervolgens het bestreden besluit uitgereikt. Eiseres en [naam] zijn op 20 juni 2013 in China in het huwelijk getreden.

2.

Eiseres stelt dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van het inreisverbod. Verweerder heeft het inreisverbod gebaseerd op artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit artikellid is een kan-bepaling. Voor de invulling hiervan kijkt verweerder, volgens zijn eigen beleid, naar het beleid over de ongewenstverklaring. Eiseres voldoet niet aan de in dat beleid genoemde gevallen; verweerder heeft daarom geen inreisverbod kunnen opleggen.

Eiseres meent, subsidiair zo begrijpt de rechtbank, dat verweerder bij het bepalen van de duur van het inreisverbod onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Eiseres heeft immers verteld dat zij onderweg was naar China om aldaar te trouwen met [naam]. Het inreisverbod is daarom een inbreuk op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.

Verweerder heeft het inreisverbod gebaseerd op de omstandigheden dat eiseres niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd, dat zij hier onrechtmatig heeft verbleven, zich aan het toezicht heeft onttrokken, in strijd met de Wet Arbeid Vreemdelingen heeft gewerkt en een relatie is gestart hangende onrechtmatig verblijf. Op die gronden is ook de inbreuk op het gezinsleven gerechtvaardigd, aldus verweerder. Bovendien is niet gebleken dat het eiseres en [naam] het gezinsleven niet op een andere manier kunnen invullen. Als eiseres een aanvraag om verblijf voor het uitoefenen van gezinsleven indient en zij aan de voorwaarden voldoet, zal verweerder het inreisverbod opheffen.

Voor wat betreft het beroep van eiseres op het beleid inzake de invulling van artikel 66a, tweede lid, Vw, merkt verweerder op dat dit beleid niet uitputtend is bedoeld. Toen het beleid werd geschreven was het uitgangspunt een vertrektermijn van 0 dagen, maar op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 mei 2013 (JV 2013/237; ECLI:NL:RVS:2013:CA0118) kan dat niet meer. Het ligt in de planning dat dit beleid wordt aangevuld.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

In de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2013, heeft de Afdeling –kortweg- geoordeeld dat er in het geval de vreemdeling zich op het moment van het uitreiken van het terugkeerbesluit op Schiphol bevindt en op het punt staat om vrijwillig Nederland te verlaten, geen grond is om aan te nemen dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Aldus kan dat onttrekkingsgevaar niet aan de verkorting van de vertrektermijn tot 0 dagen ten grondslag worden gelegd.

5.1

In het geval van eiseres deed zich ook de situatie voor dat zij zich op het moment van het uitreiken van het terugkeerbesluit op Schiphol bevond en op het punt stond om vrijwillig Nederland te verlaten, toen haar het terugkeerbesluit en het inreisverbod werden uitgereikt. Verweerder heeft, vanwege genoemde uitspraak van de Afdeling, aan het terugkeerbesluit niet een vertrektermijn van 0 dagen, maar een vertrektermijn van 28 dagen verbonden. Het tegelijk met het terugkeerbesluit opgelegde inreisverbod heeft verweerder dientengevolge niet op artikel 66a, eerste lid, Vw maar 66a, tweede lid, Vw gebaseerd.

6.

Artikel 66a, tweede lid, Vw bepaalt dat verweerder een inreisverbod kan uitvaardigen tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.

6.1

In hoofdstuk A4, paragraaf 2, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), getiteld ‘het inreisverbod’ is opgenomen dat het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling van overeenkomstige toepassing is op de bevoegdheid neergelegd in artikel 66a, tweede lid, Vw om een inreisverbod uit te vaardigen aan een vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. De bepaling verwijst verder naar paragraaf A4/3.1 Vc, waarin het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring is opgenomen. Hieruit blijkt dat verweerder kan overgaan tot ongewenstverklaring indien, kort gezegd,

- een vreemdeling de Vreemdelingenwet meermalen heeft overtreden of

- er sprake is van een aan een vreemdeling opgelegde maatregel op grond van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht of

- er sprake is van (een) veroordeling(en) ter zake een misdrijf/misdrijven of

- een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of

- een Lidstaat van de Benelux of Schengen om ongewenstverklaring van een vreemdeling verzoekt of

- op een vreemdeling artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is geacht.

7.

Het is tussen partijen niet in geschil dat geen van de hier genoemde gevallen zich voordoet ten aanzien van eiseres. De aanwending van de discretionaire bevoegdheid om op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw een inreisverbod op te leggen, dient in beginsel te geschieden overeenkomstig relevant beleid indien dit is vastgesteld. Dit volgt uit artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat voorschrijft dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Door het inreisverbod aan eiseres op te leggen op de in rechtsoverweging 3 genoemde gronden met voorbijgaan aan het beleid zoals hierboven in rechtsoverweging 6.1 aangehaald, heeft verweerder niet overeenkomstig voornoemde beleidsregel gehandeld. Aldus heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 4:84 van de Awb.

8.

Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet.

9.

Het voorgaande betekent dat de subsidiaire beroepsgrond geen bespreking behoeft.

10.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2013.

de griffier rechter

is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.