Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13690

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
C-09-449996 - KG ZA 13-1009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; overheidsaansprakelijkheid, strafrecht. Vordering tot schorsing tenuitvoerlegging schadevergoedingsmaatregel afgewezen, aangezien niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden aangenomen dat het door eiser in te dienen herzieningsverzoek zal slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/449996 / KG ZA 13-1009

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.J.E. Hendriks te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederland (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 oktober 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[eiser] is bij arrest van 14 juni 2011 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar wegens opzettelijke brandstichting met eens anders dood ten gevolge. In datzelfde arrest is aan [eiser] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 58.666,- bij gebreke van betaling te vervangen door 313 dagen hechtenis. Bij arrest van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad het tegen voormeld arrest gerichte cassatieberoep verworpen, zodat de veroordeling onherroepelijk is.

1.2.

De veroordeling heeft kort gezegd betrekking op een brand die op 12 juli 2004 heeft gewoed in een pand in Arnhem ten gevolge waarvan één persoon is overleden. De in het arrest gehanteerde bewijsmiddelen betreffen onder meer een brandtechnisch onderzoek uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna ‘NFI’) en getuigenverklaringen van een drietal getuigen, onder wie de heer [A] (hierna ‘[A]’).

1.3.

Nadat het arrest van 14 juni 2011 was gewezen, heeft [eiser] gerechtelijke procedures geëntameerd tegen getuigen die in de strafzaak voor hem belastende verklaringen hebben afgelegd.

1.4.

De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: ‘CJIB’), dat op 18 november 2012 met de tenuitvoerlegging is aangevangen.

1.5.

Bij brief van 24 november 2012 heeft [eiser] het CJIB verzocht om, mede gelet op zijn inkomen en zijn gezinssituatie, in te stemmen met een betalingsregeling van € 100,- per maand. Bij brief van 28 november 2012 heeft het CJIB het verzoek van [eiser] afgewezen, omdat deze regeling niet leidt tot volledige betaling binnen de daarvoor gestelde termijn van 12 of 36 maanden.

1.6.

Op 11 december 2012 heeft de door [eiser] ingeschakelde deskundige J.A. Bolhuis (hierna ‘Bolhuis’) namens Brand Technisch Bureau Nederland aan de hand van het door de Technische Recherche (TR) opgestelde proces-verbaal en de door het NFI opgemaakte rapportages een rapport opgesteld met betrekking tot de brand die aanleiding heeft gegeven tot de onder 1.1 vermelde veroordeling. Dit rapport vermeldt – voor zover hier relevant – het volgende:

Op basis van dit proces-verbaal en de daarbij gevoegde bijlagen die zijn opgemaakt door de TR, is er in hoogste instantie een veroordeling van een verdachte wegens brandstichting gekomen.

Mijn conclusie die ik als deskundige verderop in deze analyse maak is dat er nog een nauwkeurig onderzoek aan de restanten van de verdeelinrichting, hoofdstroomkabel en het originele beeldmateriaal van de TR noodzakelijk is, alvorens definitieve conclusies te kunnen geven.

Mijn voorlopige conclusie betekent, nu er een noodzakelijke brandbare intermediair in het trapportaal ontbrak, dat het gepresenteerde brandstichtingscenario op de voet van het gepresenteerde proces-verbaal, de bijlagen en de rapporten van het NFI onmogelijk is.

1.7.

In het voorlopig getuigenverhoor in de zaak tussen [eiser] en Gordijn, aanhangig bij de rechtbank Gelderland, heeft [eiser] Bolhuis op 8 april 2013 als getuige doen horen. In het getuigenverhoor heeft Bolhuis verklaard dat, gelet op het brandbeeld, de conclusie van het NFI dat de brand veroorzaakt is door brandstichting met terpentine bij de voordeur mogelijk onjuist is en dat de brand zeer wel kan zijn ontstaan door overbelasting van de elektrische installatie. Blijkens het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal heeft Bolhuis onder meer verklaard:

Als er sprake is van een dergelijk elektrisch defect, past dat bij het brandbeeld dat nu is aangetroffen. Ik kan op dit moment niet beoordelen of een elektrisch defect zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Daarvoor zou ik de restanten van de meterkastbedrading moeten onderzoeken en bovendien is een nauwkeurige beoordeling van het fotomateriaal van de technische recherche van belang. In dit geval werd ten behoeve van drie ruimtes waarin cannabis werd gekweekt de stroom afgetapt voor de meter. Een kans dat daardoor een overbelasting van de elektrische installatie ontstaat, acht ik zeer hoog.

1.8.

Op 17 mei 2013 heeft [eiser] op de voet van artikel 461 Wetboek van Strafvordering (Sv) bij de procureur-generaal een met redenen omkleed verzoek ingediend om met betrekking tot de onder 1.1 vermelde veroordeling nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 457 Sv.

1.9.

Bij brief van 23 juli 2013 heeft de voorzitter van de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS) haar advies over de wenselijkheid van de gevraagde onderzoeken ter vertrouwelijke kennisname aan de advocaat van [eiser] gestuurd. De brief vermeldt dat het advies van ACAS tegelijk met de conclusie van de procureur-generaal openbaar gemaakt zal worden.

1.10.

In juni 2011 heeft de zoon van [eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder [eiser] en de Staat in verband met een (onherroepelijke) veroordeling op grond waarvan (de) erven van de benadeelde partij € 620.949,73, te vermeerderen met rente en kosten aan de zoon van [eiser] verschuldigd zijn.

1.11.

[eiser] woont samen met mevrouw [B] en haar twee kinderen uit een eerdere relatie.

1.12.

Het CJIB becijfert het door [eiser] uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel verschuldigde bedrag, inclusief opgelegde verhogingen en ontvangen betalingen van driemaal € 100,-, op € 70.077,20.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te gebieden de (verdere) executie van de schadevergoedingsmaatregel te staken en gestaakt te houden totdat er op de voet van artikel 482 Sv opnieuw over de strafzaak van [eiser] is geoordeeld en de door de deurwaarder gelegde beslagen komen te vervallen.

2.2.

Daartoe stelt [eiser] het volgende. Gelet op de bevindingen van Bolhuis en de verklaringen van de door [eiser] gehoorde getuigen, is de kans zeer groot dat de brand niet op de in de strafzaak bewezen geachte wijze is ontstaan en dat het herzieningsverzoek van [eiser] zal worden toegewezen. De executie van de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgeschort. Dit geldt temeer nu deze schadevergoeding (indirect) betaald moet worden aan degene die kennelijk de medeoprichter is geweest van de hennepplantages die (mogelijk) geleid hebben tot de brand. Aangezien de zoon van [eiser] ten laste van de erven van de benadeelde partij executoriaal derdenbeslag heeft gelegd onder [eiser] en de Staat, heeft de benadeelde partij voorts geen enkel belang bij voortzetting van de executie. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is jegens [eiser] bovendien onrechtmatig, aangezien hij een beperkte draagkracht heeft en hij thuis niet gemist kan worden. Gelet op het voorgaande dient de executie van de schadevergoedingsmaatregel te worden opgeschort, met dien verstande dat [eiser] wel bereid is om € 100,- per maand te (blijven) voldoen.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Aangezien [eiser] aan zijn vordering – impliciet – ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming van de vordering. [eiser] is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken – de schorsing van de executie van de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel – vooralsnog geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ter dienste staat.

3.2.

Bij de beoordeling van dit geschil staat voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter – zoals in dit geval de aan [eiser] opgelegde schadevergoedingsmaatregel –, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Op grond van artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een schadevergoedingsmaatregel zo spoedig mogelijk ten uitvoer te worden gelegd.

3.3.

De eventuele toewijzing van het door [eiser] in te dienen herzieningsverzoek kan tot gevolg hebben dat [eiser] niet langer gehouden is de schadevergoedingsmaatregel te betalen en dat de Staat de reeds door hem betaalde bedragen aan hem moet vergoeden. Hangende de beslissing op de aanvraag kan de Hoge Raad op grond van artikel 473 lid 4 Sv beslissen dat de executie van de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgeschort. Alleen indien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat het herzieningsverzoek zal slagen, kan de voorzieningenrechter in kort geding vooruitlopend op een eventuele opschorting door de Hoge Raad beslissen dat de executie reeds nu moet worden opgeschort.

3.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan (vooralsnog) geen sprake. Hoewel de bevindingen van de deskundige vragen oproepen over het door de TR en het NFI uitgevoerde onderzoek, volgt daaruit nog niet dat het door Bolhuis gepresenteerde scenario juist is of dat het door het hof bewezen geachte brandstichtingscenario onjuist is. Dit geldt temeer nu de conclusies van Bolhuis voorlopig zijn en hij zelf concludeert dat nader onderzoek nodig is. Daar komt bij dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waarom de getuigenverklaringen waarop zijn veroordeling mede is gebaseerd in strijd met de waarheid zouden zijn. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat deze getuigen gekant zijn tegen [eiser], volgt daaruit nog niet dat hun verklaringen onwaarachtig zijn. Indien het verzoek van [eiser] daartoe voldoende aanleiding geeft, dienen deze verklaringen in of vooruitlopend op de herzieningsprocedure nader te worden onderzocht.

3.5.

De omstandigheid dat de zoon van [eiser] ten laste van de benadeelde partij executoriaal derdenbeslag heeft gelegd onder [eiser] en de Staat, staat evenmin aan verdere tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel in de weg. Ook indien incasso van de schadevergoedingsmaatregel (alleen maar) leidt tot voldoening van de schuld aan de zoon van [eiser], is de benadeelde partij gebaat bij de incasso van de schadevergoedingsmaatregel. Het voorgaande laat onverlet dat de vordering van de zoon van [eiser] op (erven van) de benadeelde partij – mits deze zoon daarmee instemt – mogelijk aanknopingspunten kan bieden voor een (gedeeltelijke) betalingsregeling.

3.6.

Ook de door [eiser] aangeboden betalingsregeling in combinatie met zijn beperkte inkomen en zijn persoonlijke situatie leiden niet tot de conclusie dat tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel jegens [eiser] onrechtmatig is. Zoals door de Staat terecht is aangevoerd, vormt betalingsonmacht geen grond om geheel of gedeeltelijk af te zien van de tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel. Het CJIB is ook niet gehouden in te stemmen met een betalingsregeling die niet binnen een redelijke termijn leidt tot algehele voldoening van het openstaande bedrag. De voorgestelde regeling van € 100,- per maand – waaraan [eiser] overigens slechts driemaal heeft voldaan – zou leiden tot voldoening in ruim 58 jaar en is daarmee niet aan te merken als een redelijke regeling.

3.7.

Slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van de Staat tot dusver begroot op € 1.405,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 589,-;

- bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan deze proceskostenveroordeling is voldaan, wettelijke rente daarover verschuldigd is;

- veroordeelt [eiser] tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat, indien en voor zover [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis om die reden door de Staat aan [eiser] is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en met de explootkosten van de betekening van dit vonnis;

- verklaart de proceskostenveroordeling en de bepaling over de wettelijke rente uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2013.

WJ