Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13683

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
AWB 13/12113
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:238, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag niet aan eiser kunnen tegenwerpen zonder te motiveren dat verkrachting wereldwijd feitelijk als ernstig misdrijf wordt behandeld. Verweerder heeft voorts onvoldoende gemotiveerd waarom eiser in Libië in detentie geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

Bij zijn asielaanvraag heeft eiser verteld dat hij zijn zus heeft gedwongen seks met hem te hebben en dat hij naar aanleiding daarvan problemen heeft ondervonden met zijn familie en met de Libische autoriteiten. Bij terugkeer naar Libië vreest hij voor enkele jaren te worden gedetineerd vanwege de verkrachting. De omstandigheden in detentie zijn zodanig dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij de enkele aanwezigheid aldaar. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. Verkrachting is een absoluut niet-politiek delict en geldt als een zwaar misdrijf in Nederland en is ook strafbaar in Libië, aldus verweerder. Verweerder betwist voorts niet dat eiser bij terugkeer naar Libië een groot risico loopt om in detentie te belanden, maar, gelet met name op het meest recente algemeen ambtsbericht van Libië van mei 2012, verweerder stelt zich op het standpunt dat in detentie in zijn algemeenheid geen risico op schending van artikel 3 EVRM bestaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat verkrachting internationaal gezien als zodanig ernstig delict wordt beschouwd waartegen feitelijke vervolging plaatsvindt, dat het toepassing van artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag rechtvaardigt. De rechtbank stelt verweerder niet op grond van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht in staat om dit gebrek te helen, omdat verweerder tevens onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Libië. De verslagperiode van het ambtsbericht omvat de laatste periode van het Gaddafi regime, de gehele periode van de gewapende opstand tegen Gaddafi en de korte periode na diens dood. Uit het ambtsbericht volgt dat in al die periodes sprake was van onmenselijke behandeling en foltering, in afwisselende maten van omvang, in de detentiecentra. Op het moment dat het ambtsbericht werd opgemaakt stond Libië onder het bestuur van een interim-regering die geen einde kon maken aan deze omstandigheden. Het standpunt van verweerder dat slechts loyalisten van het voormalig regime van Gadaffi in het algemeen een risico lopen op een schending van artikel 3 EVRM in detentie, vindt aldus geen steun in het ambtsbericht.

Ten slotte heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het inreisverbod voor de duur van tien jaar een gerechtvaardigde inmenging is in het recht op familieleven, in de zin van artikel 8 EVRM, dat eiser onderhoudt met zijn partner.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/12113

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 september 2013

in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Libische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M. Berg, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. L.J.J. Stams, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Tevens heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 31 juli 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat - het volgende aangevoerd.
Eiser heeft te vrezen van zijn familie en van de autoriteiten van Libië. Op een dag had hij te veel alcohol gedronken toen hij ’s nachts thuiskwam. Hij liep de kamer van zijn slapende zus binnen, maakte haar wakker, sloeg haar en had vervolgens seks met haar. Dit is de eerste en enige keer dat eiser zoiets heeft gedaan. Zijn zus wilde in eerste instantie niet, maar nadat hij haar sloeg verzette zij zich niet meer. Plotseling kwam eisers vader de kamer binnen, die hem mishandelde. Eiser vluchtte en zijn vader volgde hem. Zijn vader reed hem aan met zijn auto - zonder hem hard te raken - en vertelde aan eiser dat hij hem zou vermoorden als hij ooit nog terug naar huis zou komen. Eiser vermoedt ook dat zijn vader aangifte heeft gedaan bij de politie, onder andere omdat de politie hem meerdere keren op zijn mobiele telefoon heeft gebeld. Eiser vreest dat hij voor zes à zeven jaar de gevangenis in moet bij terugkeer naar Libië en aldaar gemarteld zal worden.

2.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden.
Artikel 1(F), aanhef en onder b, van het van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951 (het Vluchtelingenverdrag) is op eiser van toepassing, aangezien hij in verband wordt gebracht met een absoluut niet-politiek misdrijf. Het relaas van eiser over de gedwongen seks met zijn zus wordt geloofwaardig geacht. Uit het in paragraaf C4/3.11.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neergelegde beleid, volgt dat verkrachting nooit als politiek misdrijf kan worden aangemerkt. Daarnaast is in het beleid opgenomen dat verkrachting een voldoende ernstig misdrijf is om eiser op grond van artikel 1(F) de bescherming van het Vluchtelingenverdrag te ontzeggen. In het bij het bestreden besluit herhaalde en ingelaste voornemen is overwogen dat het misdrijf verkrachting in Nederland strafbaar is gesteld onder artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht en wordt bedreigd met een maximale gevangenisstraf van 12 jaar of een geldboete van de vijfde categorie. Verkrachting wordt ook in Libië als een strafbaar feit aangemerkt.
Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich niet tegen uitzetting verzet. Gelet op het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van Libië van mei 2012 (het ambtsbericht) is de algemene veiligheidssituatie in de naweeën van de gebeurtenissen die hebben geleid tot de val van het regime van Mu’ammar Abu Minyar al Gaddafi nog steeds zorgelijk, maar bestaat er voor eiser geen reëel risico dat hij het slachtoffer wordt van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, louter door zijn aanwezigheid in dat land. Daarnaast behoort eiser niet tot een kwetsbare minderheidsgroep en heeft hij ook geen persoonlijke redenen voor gegronde vrees gegeven. Reguliere strafvervolging als gevolg van het feit dat hij zijn zus heeft verkracht kan niet als een schending van artikel 3 EVRM worden aangemerkt, aldus verweerder.

Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

3.

Eiser voert, zonder iets aan de feiten te willen afdoen, aan, dat gelet op alle feiten en omstandigheden, geen sprake is van een misdrijf in de zin van artikel 155 van het handboek van het United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR), dat toepasselijkheid van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag rechtvaardigt. Eiser wijst erop dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag naar de interpretatie van het UNCHR restrictief moet worden uitgelegd en dat slechts personen die zich schuldig hebben gemaakt aan de meest zwaarwegende en onacceptabele daden worden uitgesloten van de bescherming van het Vluchtelingenverdrag op grond van dat artikel. Gelet op de eenmaligheid van de gebeurtenis en het alcoholgebruik van eiser ten tijde van de verkrachting, is eiser van mening dat verweerder ten onrechte artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing heeft geacht.

3.1

Uit hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd blijkt dat eiser niet ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van zijn zus en dat hij ook niet betwist dat het hierbij om een niet-politiek misdrijf gaat. Bij de beoordeling van eisers beroepsgrond ligt daarom de vraag voor of verkrachting, onder de in deze zaak bekend zijnde en onbetwiste omstandigheden, kan worden aangemerkt als voldoende ernstig voor de toepassing van artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag.

3.2

Op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat:
a. (…);
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. (…).

In de door verweerder genoemde paragraaf C4/3.11.3.2. Vc, welk beleid, zonder inhoudelijke wijzigingen op de voor deze zaak van belang zijnde tekst, ten tijde van het bestreden besluit was neergelegd in paragraaf C2/6.2.8 Vc, is ten aanzien van artikel 1(F), onder b, Vluchtelingenverdrag, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“De ernst van een misdrijf wordt bepaald door:
-de aard van de handeling, en
-de omvang van de gevolgen van de handeling.

(...).

De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1(F) (b):
-moord;
-doodslag;
-verkrachting:
(...). ”

Artikel 155 van het UNHCR handbook, waar eiser naar verwijst, luidt als volgt:

“What constitutes a “serious” non-political crime for the purposes of this exclusion clause is difficult to define, especially since the term “crime” has different connotations in different legal systems. In some countries the word “crime” denotes only offences of a serious character. In other countries it may comprise anything from petty larceny to murder. In the present context, however, a “serious” crime must be a capital crime or a very grave punishable act. Minor offences punishable by moderate sentences are not grounds for exclusion under Article 1 F (b) even if technically referred to as “crimes” in the penal law of the country concerned.”

Voorts staat in de UNHCR “Background Note on the Application of the Exclusion Clauses: Article 1(F) of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees” (Background note), onder 38. en verder, het volgende vermeld:

“Serious crime

The term “serious crime” obviously has different connotations in different legal systems. It is evident that the drafters of the 1951 Convention did not intend to exclude individuals in need of international protection simply for committing minor crimes.Moreover, the gravity of the crime should be judged against international standards, not simply by its characterisation in the host State or country of origin. Indeed, the prohibition of activities guaranteed by international human rights law (for example, freedom of speech) should not be considered a “crime”, much less one of a serious nature.
In determining the seriousness of the crime the following factors are relevant:
• the nature of the act;

• the actual harm inflicted;

• the form of procedure used to prosecute the crime;

• the nature of the penalty for such a crime;

• whether most jurisdictions would consider the act in question as a serious
crime.

The guidance in the Handbook that a “serious” crime refers to a “capital crime or a

very grave punishable act” should be read in the light of the factors listed above.

Examples of “serious” crimes include murder, rape, arson and armed robbery. Certain

other offences could also be deemed serious if they are accompanied by the use of deadly

weapons, involve serious injury to persons, or there is evidence of serious habitual

criminal conduct and other similar factors. On the other hand, crimes such as petty theft

or the possession for personal use of illicit narcotic substances would not meet the

seriousness threshold of Article 1(F)(b).”



3.3 De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de hiervoor in rechtsoverweging 3.2 genoemde stukken van het UNHCR juridisch niet bindend zijn, kan de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 december 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK8653) aansluiting zoeken bij hetgeen daarin is overwogen, bij de beoordeling of een delict valt onder de reikwijdte van artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag. De vermelding van verkrachting als voorbeeld van een “serious crime” in de geciteerde paragraaf van de UNHCR Background Note geeft ondersteuning voor verweerders standpunt dat verkrachting onder artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag te plaatsen is. Hieruit volgt echter niet dat iedere verkrachting noodzakelijkerwijze als zodanig kan worden aangemerkt. Verweerder kan daarom in het geval van eiser slechts toepassing geven aan artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag, indien uit de motivering bij het bestreden besluit naar voren komt dat de verkrachting van eisers zus een delict is dat internationaal wordt gekwalificeerd als een ernstig misdrijf, waar bovendien feitelijke en actieve strafrechtelijke vervolging tegenover staat die kan leiden tot de oplegging van een relatief zware straf, zodat in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het delict internationaal gezien als voldoende ernstig wordt aangemerkt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de motivering van verweerder in het bestreden besluit en ter zitting dat sprake is van een ernstig niet politiek misdrijf niet deugdelijk en toereikend is. Verweerder heeft in het voornemen, dat in het bestreden besluit is ingelast en herhaald immers slechts vermeld dat verkrachting in Libië wordt aangemerkt als strafbaar feit - overigens zonder nadere toelichting - en dat het in Nederland een misdrijf is dat wordt bedreigd met een lange gevangenisstraf. Hoewel het feit dat verkrachting in Nederland geldt als een zeer ernstig vergrijp een relevante indicatie is voor de eventuele toepasselijkheid van artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag, kan dit gelet op genoemde uitspraak van de Afdeling en de in rechtsoverweging 3.2 geciteerde stukken niet doorslaggevend zijn. Nu eiser heeft erkend dat verkrachting een ernstig misdrijf is, maar heeft betwist dat dit internationaal ook het geval is, waarbij eiser met name twijfels heeft geuit over de mate waarin vervolging feitelijk plaatsvindt, schiet verweerders motivering te kort. Verweerder zal nader dienen te onderzoeken of verkrachting, onder de omstandigheden van het huidige geval, niet slechts in Libië en in Nederland maar in meerdere jurisdicties in verschillende werelddelen wordt aangemerkt als een ernstig delict in voornoemde zin dat feitelijk ook wordt vervolgd.

3.4

Uit het voorgaande volgt dat er een gebrek kleeft aan het bestreden besluit omdat verweerder in strijd heeft gehandeld met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bezien in het licht van de geboden restrictieve toepasbaarheid van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, waar eiser in beroep terecht op heeft gewezen, en de vergaande gevolgen voor eiser bij de toepassing ervan in beschouwing nemende, acht de rechtbank het van belang dat verweerder het besluit alsnog voorziet van een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:51a Awb de bevoegdheid om verweerder middels een tussenuitspraak daartoe in de gelegenheid te stellen. Gelet op het navolgende zal de rechtbank in deze zaak van deze mogelijkheid echter geen gebruik maken.

Artikel 3 EVRM

4.

Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel en onaanvaardbaar risico zal lopen om te worden gearresteerd, gedetineerd en onderworpen aan marteling of andere door artikel 3 EVRM verboden behandelingen. De Libische politie is immers op de hoogte van het feit dat de verklaringen van eiser aannemelijk en geloofwaardig zijn bevonden. In het ambtsbericht staat vermeld dat in gevangenissen en detentiecentra sprake is van grootschalige folteringen, martelingen en mishandelingen van gedetineerden. Bovendien zal eiser in Libië geen eerlijk proces krijgen.

4.1

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat paragraaf 2.5.6.4. van het ambtsbericht, waar eiser kennelijk op doelt, de situatie weergeeft met betrekking tot zaken die zich tijdens het Gaddafi regime en tijdens de omwenteling hebben voorgedaan. De mishandelingen, die in het ambtsbericht genoemd worden richtten zich tegen loyalisten of voormalig loyalisten van Gaddafi. Eiser behoort niet tot die categorie. Verweerder leest in het ambtsbericht niet dat in detentiecentra die onder toezicht staan van de overheid sprake is van grootschalige folteringen, martelingen en mishandelingen van gedetineerden.
Voorts heeft verweerder ter zitting een brief van 26 juni 2012, van de toenmalig minister voor immigratie, integratie en asiel aan de Tweede Kamer overgelegd, waarin hij naar aanleiding van het ambtsbericht ten aanzien van Libië zijn beleid toelicht. In de brief staat vermeld dat de (destijds) recente geweldsincidenten zich met name richtten tot voormalige Gaddafi-loyalisten of zich afspelen tussen de rivaliserende groepen. De situatie in Libië is weliswaar nog precair, maar niet dusdanig dat elke Libische vreemdeling bij terugkeer naar Libië louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Ieder asielverzoek zal daarom individueel moeten worden beoordeeld. Verweerder stelt zich ter zitting, onder vermelding van deze brief, op het standpunt dat gezien de interpretatie die de minister aan het ambtsbericht heeft gegeven, eiser enkel door verwijzing naar het ambtsbericht het risico op een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer niet aannemelijk kan maken. Gesteld nog gebleken is dat eiser een loyalist is van het voormalige regime van Gaddafi en eiser heeft daarom ook geen reden om te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM in detentie in Libië, aldus verweerder.

4.2.1

Omdat verweerder de brief van de voormalig minister van integratie, immigratie en asiel eerst ter zitting heeft overgelegd en eiser zich heeft verzet tegen het betrekken van deze brief bij de beoordeling, ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de vraag of de goede procesorde zich tegen de overlegging ervan verzet. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, gelet op de inhoud van de brief en gelet op het feit dat het een gepubliceerd en openbaar toegankelijk document betreft. De brief zal dan ook bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.

4.2.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder andere de uitspraak van 24 februari 2012, 201101708/1/V1) kan een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

4.2.3

In het ambtsbericht wordt onder 3.2.9.: “mishandeling en foltering”, gezien de bijzondere omstandigheden in Libië, voor wat betreft de huidige situatie inzake mishandeling en foltering verwezen naar paragraaf 2.5.6.: “schendingen”. Onder 2.5.6. in het ambtsbericht wordt uitgebreid melding gemaakt van executies en handelingen die kunnen worden aangemerkt als onmenselijke behandelingen dan wel foltering, soms tot de dood er op volgde, gepleegd door zowel de troepen van Gaddafi als door de “thuwar”, welke laatste term in het ambtsbericht wordt gebezigd als verzamelnaam voor alle andere gewapende strijdkrachten, zowel tijdens als na het conflict. De troepen van Gaddafi mishandelden en folterden vermeende thuwar, terwijl de daden van de thuwar zich richtten tegen vermeende Gaddafi-aanhangers. Veel van deze handelingen werden gepleegd tegen gedetineerden tijdens hun arrestatie en in detentie. In het ambtsbericht staat verder vermeld dat de thuwar zich niet alleen tijdens het gewapend conflict schuldig hebben gemaakt aan mishandeling en foltering. Voorts wordt melding gemaakt van mishandeling en folteringen, waartegen gedetineerden geen aangifte kunnen doen, in detentiecentra die onder toezicht staan van de interim-regering die na Gaddafi aan de macht kwam. Leden van de interim-regering hebben gezegd dat marteling en mishandeling onacceptabel is, echter aan het einde van de verslagperiode bleek dat er weinig actie werd ondernomen om daders te berechten die er verantwoordelijk voor zijn.

Blijkens het ambtsbericht hebben de thuwar de onmenselijke behandeling, gericht tegen vermeende (voormalig) aanhangers van Gaddafi, waar zij zich schuldig aan hebben gemaakt tijdens het conflict, in ieder geval voortgezet tot aan het einde van de verslagperiode. Het standpunt van verweerder dat op dit moment slechts loyalisten in hun algemeenheid een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM in Libië, is kennelijk daarop gebaseerd. Behalve dat niet is gebleken dat eiser geen loyalist is, vindt het uit genoemde vermelding in het ambtsbericht voortvloeiende standpunt van verweerder, dat niet-loyalisten in detentie geen reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM lopen, geen feitelijke steun in het ambtsbericht. De verslagperiode van het ambtsbericht omvat de laatste periode van het Gaddafi regime, de gehele periode van de gewapende opstand tegen Gaddafi en de korte periode na diens dood. Uit het ambtsbericht volgt dat in al die periodes sprake was van onmenselijke behandeling en foltering, in afwisselende maten van omvang, in de detentiecentra. Op het moment dat het ambtsbericht werd opgemaakt stond Libië onder het bestuur van een interim-regering die geen einde kon maken aan deze omstandigheden. Verweerder heeft zich niet kunnen beroepen op nieuwe informatie over de omstandigheden in de detentiecentra in Libië van na de publicatie van dit ambtsbericht. Ter zitting heeft verweerder er geen melding van gemaakt dat op korte termijn een nieuw ambtsbericht beschikbaar zal komen. De brief van de voormalig minister van immigratie, integratie en asiel die verweerder ter zitting heeft overgelegd bevat ook geen nieuwe feiten over de omstandigheden in de detentiecentra in Libië.

De rechtbank is van oordeel dat uit het ambtsbericht, waarop eiser zich beroept, blijkt dat de omstandigheden in detentie in Libië gedurende de verslagperiode in veel gevallen konden worden aangemerkt als strijdig met artikel 3 EVRM. Aan het einde van de verslagperiode was er bovendien geen redelijk uitzicht op verbetering, zodat eiser zich onder verwijzing naar het ambtsbericht op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Bij het ontbreken van nadere en meer recente informatie heeft verweerder zich in het bestreden besluit niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Libië. Verweerder heeft immers erkend dat eiser een groot risico loopt om in strafrechtelijke detentie te worden geplaatst bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt. Nu de reden daarvoor is gelegen in de inhoud van het ambtsbericht en het ontbreken van informatie over de huidige situatie in Libië, is het in redelijkheid niet mogelijk voor verweerder om het geconstateerde gebrek te herstellen na een tussenuitspraak van de rechtbank op grond van artikel 8:51a Awb. Om deze reden zal de rechtbank dan ook het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Het overige dat eiser heeft aangevoerd met betrekking tot artikel 3 EVRM behoeft voorts geen bespreking meer.

Inreisverbod

5.

Aangezien het bestreden besluit wordt vernietigd zal ook het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod niet in stand blijven. In het belang van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank evenwel hetgeen eiser tegen de oplegging van het inreisverbod heeft aangevoerd bespreken.

6.

Eiser voert aan dat hem een vertrektermijn is gegund, nu het beroep schorsende werking heeft. Dat betekent dat verweerder niet de bevoegdheid had om tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 66a, eerste lid, Vw.

6.2

De rechtbank verwerpt deze grond. Het enkele gegeven dat eiser de uitspraak van de rechtbank in Nederland mag afwachten betekent niet dat aan hem een vertrektermijn is gegund. In deze periode wordt eiser immers niet geacht om terugkeer naar het land van herkomst te bewerkstelligen.

7.

Voorts voert eiser aan dat hij thans een duurzame relatie onderhoudt met zijn Nederlandse partner. Een inreisverbod voor de duur van tien jaar zou het disproportionele gevolg hebben dat hij gedurende die periode zijn partner niet kan bezoeken.
Op 10 juni 2013 heeft eiser een brief van zijn partner overgelegd waarin zij haar relatie met eiser omschrijft en verklaart dat zij voornemens is om met hem te trouwen. Ter zitting hebben eiser en zijn partner, die tevens aanwezig was, desgevraagd bevestigd dat zij thans op islamitische wijze in het huwelijk zijn getreden. De enige reden dat zij niet voor de Nederlandse wet zijn getrouwd is dat eiser niet over de juiste verblijfsstatus beschikt, aldus eiser.

7.1

Verweerder heeft bij verweerschrift als volgt gereageerd. Voor zover eiser aanvoert dat het inreisverbod strijd zou opleveren met artikel 8 EVRM kan deze grond niet slagen. Voor strijd met artikel 8 EVRM dient ten eerste sprake te zijn van familie- of gezinsleven. Het begrip familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt beschreven in paragraaf B7/3.8.1 Vc. Het dient, in dit kader, te gaan om echtgenoten in een huwelijk of partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. De relatie die eiser zou hebben voldoet hier niet aan. Niet eerder dan in de gronden van beroep wordt deze relatie gemeld. Eiser heeft reeds bij het aanvullend gehoor van 7 november 2012 en het verhoor van de vreemdelingenpolitie op 27 februari 2013 de mogelijkheid gehad om aan te geven of er omstandigheden zijn op grond waarvan geen inreisverbod dient te worden opgelegd of de duur van het inreisverbod dient te worden verkort. In beide gehoren geeft hij niet aan een relatie te hebben. Tijdens het gehoor van 27 februari 2013 geeft hij zelfs expliciet aan géén relatie te hebben. De gestelde relatie van eiser valt dus niet onder het te eerbiedigen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Ter zitting heeft verweerder zich op het primaire standpunt gesteld dat, hoewel het in het verweerschrift niet naar voren komt, de relatie tussen eiser en zijn gestelde partner niet aannemelijk wordt geacht. Het subsidiaire standpunt is dat de relatie, gezien de aard ervan, geen bescherming behoeft onder artikel 8 EVRM.

7.2

Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 7 is de rechtbank van oordeel dat het bestaan van een affectieve relatie tussen eiser en zijn partner voldoende aannemelijk is gemaakt. Het feit dat eiser over zijn relatie eerder niet of onduidelijk heeft verklaard doet daaraan niet af. In beginsel valt deze relatie dan ook onder de reikwijdte van het begrip familieleven zoals genoemd in artikel 8 EVRM.
Het subsidiaire standpunt van verweerder, dat de relatie die eiser met zijn partner onderhoudt niet beschermenswaardig is onder artikel 8 EVRM, vindt voorts geen steun in de tekst en ratio van dat artikel noch in het beleid van verweerder zelf. Het inreisverbod voor de duur van tien jaar zorgt voor een inmenging in de relatie tussen eiser en zijn partner. Indien verweerder van mening is dat deze inmenging gerechtvaardigd is omdat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt, is verweerder gelet op vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder het arrest inzake Boultif tegen Zwitersland van 2 augustus 2001 (ECLI:CL:ECHR:2001:AD3516), gehouden om een gemotiveerde afweging te maken tussen de belangen van eiser en zijn partner enerzijds en het belang van de Nederlandse staat anderzijds. Nu een dergelijke belangenafweging achterwegen is gebleven is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van het inreisverbod op onjuiste wijze is gemotiveerd.

8.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het beroep gegrond zal worden verklaard.

9.

De rechtbank veroordeelt verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van Awb in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Thelosen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.