Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13527

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/37196
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Libië. Kwetsbare minderheidsgroep. Personen met donkere huidskleur. Artikel 3 EVRM

- Human Rights Council, Report of the International Commission of Inquiry on Libya, van 2 maart 2012;

- United States Department of State, Country Reports on Human Rights Practices for 2011 – Libiya, van 24 mei 2012;

- Annual Report 2012 van Amnesty International;

- algemeen ambtsbericht over Libië van de minister van Buitenlandse Zaken van 25 mei 2012.

De algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie in Libië en de positie van Haussa en van personen met een donkere huidskleur in Libië niet zodanig is, dat iedere asielzoeker die afkomstig is uit dat land of die behoort tot de Haussa of die een donkere huidskleur heeft zonder meer als vluchteling dient te worden aangemerkt.

Genoemde rapporten bevestigen niet het beeld dat personen uit Libië met een donkere huidskleur systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser niet is gebleken van specifiek om hem betrekking hebbende omstandigheden of indicaties, anders dan het meer algemene gegeven dat hij een donkere huidskleur heeft, die het aannemelijk maken dat van een risico als voornoemd sprake zal zijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/37196

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2013

inzake

[eiser] , geboren op [geboortedatum], van Libische nationaliteit, eiser

gemachtigde mr. P.J.M. van Kuppenveld,

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. van der Lubbe.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 26 november 2012 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 13 september 2013, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser het volgende aangevoerd. Eiser is gevlucht voor de oorlog tussen de rebellen en het leger van Gadaffi. Omstreeks mei 2011 kwamen de rebellen in het dorp van eiser, Zuwarah. Eiser is toen ondergedoken en is ongeveer een maand later gevlucht uit Libië. Eiser stelt voorts dat hij als Haussa voortdurend werd gediscrimineerd. Eiser stelt dat hij als persoon met een donkere huidskleur behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep, op grond waarvan hij bij terugkeer naar Libië te vrezen heeft voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten en de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij verwijst in dit verband (onder meer) naar de volgende rapporten en passages:

Uit het rapport van Human Rights Council, Report of the International Commission of Inquiry on Libya, van 2 maart 2012:

(…)

211. When areas first came under thuwar control, Sub-Saharan African nationals and dark-skinned Libyan nationals were particularly vulnerable to house raids, arbitrary detention and violent attacks including executions on account of their skin colour and the prevailing suspicion that they might be mercenaries employed by the government.

(…)

Uit het rapport van het United States Department of State, Country Reports on Human Rights Practices for 2011 – Libiya, van 24 mei 2012:

(…)

During the year opposition forces reportedly violated human rights and humanitarian norms. Militias and their supporters--which were not fully under the control ofthe TNC or transitional government authority--committed unlawful killings, other physical violence, and other abuses. Principal targets were actual or suspected detained Qadhafi soldiers or supporters, possible sub-Saharan African

mercenaries or dark-skinned Libyans, and former members of the security forces. Disappearances, illegal detentions, and imprisonment of persons on political grounds occurred, as did looting and further violence. Vulnerable civilian populations, including ethnic minorities and migrants, faced discrimination and violence during and after the conflict.

(…)

(…)

Media and human rights groups reported that both sides stirred a climate of racism that increased the vulnerability of sub-Saharan nationals and dark-skinned civilians, including violent attacks, robbery, beatings, and abuses such as sexual violence.

(…)

(…)

There were reports in March and April of abuse of captured security service members and civilian

detainees, including perceived Qadhafi loyalists, sub-Saharan Africans, and darkskinned Libyans, in the East in addition to their being held in poor and overcrowded facilities. Violence, including beating, was common at the time of capture, particularly for Qadhafi fighters caught on the battlefront, but treatment in detention varied.

(…)

(…)

There was societal discrimination and violence against dark-skinned Libyans, including those of original sub-Saharan descent, in part due to allegations that Qadhafi used African mercenaries during the conflict.

(…)

Uit het Annual Report 2012 van Amnesty International:

(…)

In areas controlled by the NTC before as well as after August, when Tripoli fell to the forces opposing Colonel al-Gaddafi, militias in control of detention centres tortured or ill-treated detainees with impunity, seemingly to punish them for alleged crimes or to extract “confessions”. The most commonly reported methods included beatings all over the body with belts, sticks, rifle butts and rubber hoses; punching; kicking; and death threats. Individuals with dark skin, whether Libyan or foreign nationals, were especially vulnerable to abuse.

(…)

Uit het algemeen ambtsbericht over Libië van de minister van Buitenlandse Zaken van

25 mei 2012:

(…)

In het oosten van Libië begonnen de thuwar zich met de kennis en ervaring van overlopers te organiseren. Op 25 februari 2011 was het grootste deel van het oosten van Libië in handen van de thuwar. (…) Nadat de thuwar de macht hadden overgenomen, waren er vergeldingsacties tegen de Gaddafi-strijders. Ook waren Libiërs en arbeidsmigranten met een donkere huidskleur doelwit van lynching en mishandeling, omdat de thuwar naar alle waarschijnlijkheid geloofden dat zij huurlingen waren.

(…)

2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig wordt geacht. Nu de eis dat van eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan niet wordt gesteld vanwege de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser, zal de rechtbank de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 onbesproken laten en overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van eisers asielrelaas. De rechtbank stelt voorts vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Libië niet heeft te vrezen voor een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM, in welk verband verweerder geweigerd heeft eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1 of 2, van de Vw 2000.

3.

De rechtbank stelt voorop dat de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie in Libië en de positie van Haussa en van personen met een donkere huidskleur in dat land niet zodanig is, dat iedere asielzoeker die afkomstig is uit dat land of die behoort tot de Haussa of die een donkere huidskleur heeft zonder meer als vluchteling dient te worden aangemerkt.

4.

Wil aannemelijk zijn dat eiser bij uitzetting naar Libië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, dan dient hij specifieke onderscheidende kenmerken aan te dragen waaruit dit risico valt af te leiden. De enkele mogelijkheid dat dit risico zich zal voordoen is onvoldoende. Specifieke onderscheidende kenmerken zijn niet vereist, indien hij aannemelijk maakt dat hij behoort tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen.

5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de in rechtsoverweging 1 aangehaalde rapporten en passages niet het beeld bevestigen dat personen uit Libië met een donkere huidskleur systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser niet is gebleken van specifiek op hem betrekking hebbende omstandigheden of indicaties, anders dan het meer algemene gegeven dat hij een donkere huidskleur heeft, die het aannemelijk maken dat van een risico als voornoemd sprake zal zijn. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat eiser Libië indertijd heeft verlaten vanwege de algemene situatie. Dat eiser door zogenoemde “witte Arabieren” werd uitgescholden om zijn huidskleur, is voor eiser geen reden geweest Libië te verlaten. Uit de verklaringen van eiser is verder niet gebleken dat het leven in Libië voor hem onhoudbaar is geweest.

6.

Gelet op het vorenstaande is niet relevant de vraag of het beleid van verweerder, inhoudende dat personen uit Libië met een donkere huidskleur niet als kwetsbare minderheidsgroep worden aangemerkt, al dan niet kennelijk onredelijk is. De rechtbank gaat dan ook aan deze vraag voorbij.

7.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

8.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als rechter in tegenwoordigheid van

mr. S. Kriekaard als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State,

Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschriften verzonden: