Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13504

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
C-09-443243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de minderjarige al sinds 2008 bij de pleegouders verblijft. Hij krijgt daar de zorg en begeleiding die hij nodig heeft. De pleegouders zijn in staat om een veilige woon-, leef- en opvoedsituatie te bieden. Dat de minderjarige gedragsproblematiek laat zien, die gerelateerd is aan hechtingsproblematiek, is zorgelijk. De rechtbank acht het dan ook noodzakelijk dat er diagnostisch onderzoek naar de minderjarige plaatsvindt. De invulling van dat onderzoek is aan het LDH. Nu er al een intakegesprek heeft plaatsgevonden bij Lucertis, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat dit traject verder wordt doorlopen. Het is immers in het belang van de minderjarige dat het onderzoek op korte termijn wordt afgerond, opdat er passende hulpverlening, die de minderjarige zo nodig heeft, ingezet kan worden.

De rechtbank ziet gelet op het verhandelde ter zitting en de stukken geen aanknopingspunten voor terugplaatsing bij de moeder binnen de periode waarover de rechtbank heeft te beslissen. Daarenboven is het van belang dat het onderzoek bij Lucertis ten behoeve van diagnostiek en behandeling van de minderjarige, kan plaatsvinden vanuit een voor de minderjarige vertrouwde omgeving zodat de rechtbank daarin evenmin aanleiding ziet om de machtiging voor een kortere duur te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: JE RK 13-1296

Zaaknummer: C/09/443243

Datum beschikking: 13 september 2013

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 21 mei 2013 ingekomen verzoekschrift van:

het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (verder: het LDH), ingediend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats];

kind uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[A],

de vader,

wonende te [woonplaats],

en

[B],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

Als belanghebbenden in deze procedure worden tevens aangemerkt:

[C] en [D],

de pleegouders van de minderjarige.

De minderjarige verblijft feitelijk bij de pleegouders.

Procedure

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 9 juli 2013 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 12 juli 2013 tot 12 oktober 2013 en

de aan Bureau Jeugdzorg gegeven machtiging om voornoemde minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin verlengd van 12 juli 2013 tot 12 oktober 2013, en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking d.d. 12 juli 2013 waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd;

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 20 augustus 2013, met bijlagen, van de zijde van mr. E.J.P. Nolet;

- een verslag van de zijde van de pleegouders, ingekomen ter griffie op 11 september 2013;

- een fax d.d. 12 september 2013 van de zijde van het LDH;

- een brief van de minderjarige, ter zitting overgelegd door de pleegmoeder.

Op 13 september 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

- de heer [E] en mevrouw [F], namens het LDH;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. S. Salhi;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. E.J.P. Nolet;

- de pleegouders;

- de heer[G], namens de Raad voor de Kinderbescherming;

- de heer [H], begeleider van de moeder, werkzaam bij Humanitas.

Verzoek

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De ouders hebben ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige, althans hebben zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

Beoordeling

Het standpunt van het LDH

De heer [E] heeft aangegeven dat de minderjarige in het huidige pleeggezin de zorg en begeleiding krijgt die hij nodig heeft. Hij woont daar inmiddels vijf jaar en heeft het daar goed naar zijn zin. De minderjarige geeft zelf aan dat hij daar wil blijven wonen, hij heeft dit ook geschreven in een brief aan de rechtbank.

Er zijn evenwel ook zorgen, de minderjarige laat gedragsproblemen zien, vermoedelijk verband houdend met hechtingsproblematiek. De heer [E] is blij dat de moeder onlangs toestemming gegeven voor een persoonlijkheidsonderzoek, na dit jarenlang te hebben afgehouden. Kort geleden heeft de intake bij Lucertis plaatsgevonden. Dit onderzoek zal zich niet richten op het toekomstperspectief van de minderjarige. De heer [E] vindt het zorgelijk dat de moeder op dit moment een voorkeur uitspreekt voor onderzoek door de Opvoedpoli, hetgeen naar zijn mening alleen maar tot vertraging kan leiden. Het is niet in het belang van de minderjarige om hem opnieuw een intakegesprek te laten doen. Daarnaast is het de vraag in hoeverre de Opvoedpoli een onafhankelijke rol kan blijven spelen in het geval de uitkomsten van het onderzoek de ouders tegenvalt nu de Opvoedpoli de moeder op dit moment ondersteunt bij de opvoeding van de kinderen die bij haar thuis wonen.

De heer [E] stelt dat het na een langdurige uithuisplaatsing is niet in het belang van de minderjarige de gehechtheid met de pleegouders te doorbreken. De uithuisplaatsing dient gecontinueerd te worden.

Het standpunt van de moeder

Mr. Nolet heeft namens de moeder naar voren gebracht dat vanaf het moment dat de minderjarige uithuis is geplaatst nimmer gewerkt is aan terugplaatsing bij de moeder. Er ontstaat nu scheefgroei, omdat een moslim jongen in een christelijk gezin is geplaatst. Daarbij komt dat de omgang tussen de moeder en de minderjarige beperkt is. De moeder krijgt geen kans om een band met de minderjarige op te bouwen. Door deze situatie denkt de minderjarige dat zijn moeder niet van hem houdt, maar dat is niet het geval. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de moeder, volgens Bureau Jeugdzorg, geen goede opvoedster is. Dit jaar is echter de zus van de minderjarige teruggeplaatst bij de moeder en zij ontwikkelt zich zeer goed. De raadsman heeft geconcludeerd dat er een situatie is ontstaan waarin van twee kanten aan de minderjarige wordt getrokken. De minderjarige weet niet waar hij aan toe is. Het gevolg is dat de minderjarige zowel bij de moeder, de pleegouders en op school zorgelijk gedrag laat zien.

Er wordt nu gestart met een persoonlijkheidsonderzoek door Lucertis. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat het rapport zuiver tot stand komt, omdat het protocol niet wordt gevolgd en de pleegmoeder contacten heeft met Lucertis. De raadsman heeft derhalve verzocht het persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten door De Opvoedpoli. Zij kunnen tevens onderzoeken wat de beste woonsituatie voor de minderjarige is en daarmee wat zijn toekomstperspectief zou moeten zijn.

De raadsman heeft tot slot naar voren gebracht dat de moeder het liefst wil dat de minderjarige bij haar komt wonen. Dat kan echter niet per direct en dient gefaseerd te gebeuren. Het is derhalve van belang de omgangsregeling uit te breiden en onderzoek door De Opvoedpoli te laten plaatsvinden.

Het standpunt van de vader

Mr. Salhi heeft namens de vader aangegeven dat er duidelijkheid moet komen over het toekomstperspectief van de minderjarige. Bij het onderzoek van Lucertis wordt het toekomstperspectief niet meegenomen. Vandaar dat de vader ook achter onderzoek door De Opvoedpoli staat. Voorts heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat ook het contact tussen de vader en de minderjarige uitgebreid moet worden. Het lijkt er nu op dat de vader overal buiten wordt gehouden, hij voelt zich machteloos.

De raadsvrouw heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode toe te wijzen, in afwachting van het persoonlijkheidsonderzoek.

Het standpunt van de pleegouders

De pleegmoeder heeft laten weten dat zij met haar partner altijd haar best heeft gedaan om voor de minderjarige te zorgen zolang hij niet bij de moeder kon wonen. De pleegouders hebben altijd naar eer en geweten gehandeld en hebben zich afzijdig gehouden van een ‘moeder – moeder’ strijd. De minderjarige heeft hulp nodig voor zijn problematiek en het is derhalve noodzakelijk dat er gestart wordt met een persoonlijkheidsonderzoek.

De beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de minderjarige al sinds 2008 bij de pleegouders verblijft. Hij krijgt daar de zorg en begeleiding die hij nodig heeft. De pleegouders zijn in staat om een veilige woon-, leef- en opvoedsituatie te bieden. Dat de minderjarige gedragsproblematiek laat zien, die gerelateerd is aan hechtingsproblematiek, is zorgelijk. De rechtbank acht het dan ook noodzakelijk dat er diagnostisch onderzoek naar de minderjarige plaatsvindt. De invulling van dat onderzoek is aan het LDH. Nu er al een intakegesprek heeft plaatsgevonden bij Lucertis, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat dit traject verder wordt doorlopen. Het is immers in het belang van de minderjarige dat het onderzoek op korte termijn wordt afgerond, opdat er passende hulpverlening, die de minderjarige zo nodig heeft, ingezet kan worden.

De rechtbank ziet gelet op het verhandelde ter zitting en de stukken geen aanknopingspunten voor terugplaatsing bij de moeder binnen de periode waarover de rechtbank heeft te beslissen. Daarenboven is het van belang dat het onderzoek bij Lucertis ten behoeve van diagnostiek en behandeling van de minderjarige, kan plaatsvinden vanuit een voor de minderjarige vertrouwde omgeving zodat de rechtbank daarin evenmin aanleiding ziet om de machtiging voor een kortere duur te verlenen.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt dan ook verlengd tot 12 juli 2014.

Ter zitting is besproken dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek heeft gedaan naar een verder strekkende maatregel, maar dat onderzoek op dit moment heeft ingetrokken. Indien de Raad alsnog tot de slotsom komt dat een verderstrekkende maatregel nodig is, geeft de rechtbank de Raad in overweging om dat verzoek voor het verstrijken van onderhavige maatregelen bij de rechtbank in te dienen, opdat er duidelijkheid geboden kan worden over het perspectief van de minderjarige.

Beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige van 12 oktober 2013 tot 12 juli 2014 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,

en

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 12 oktober 2013 tot

12 juli 2014, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 29 mei 2013.

verklaart deze beslissing tot uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, voorzitter, mr. H.M.D. de Jong en

mr. H.M. Boone, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

13 september 2013, in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Limpt als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.