Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13493

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
450036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter constateert, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, dat het wel mee lijkt te vallen met de frictie tussen de moeder en de grootmoeder moederszijde, maar dat er met name sprake is van frictie tussen de grootmoeder moederszijde en de biologische vader.

Vooralsnog is de kinderrechter van oordeel dat er geen sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af.

Ondersteuning van de grootmoeder moederszijde bij haar taken als opvoeder is, gelet op de problemen betreffende de omgang van de biologische vader met de minderjarige en de doorwerking hiervan op de minderjarige - naar het oordeel van de kinderrechter - wel noodzakelijk. Het belang van de minderjarige staat voorop. Dat de grootmoeder moederszijde de minderjarige opvoedt zonder dat hier enige financiële vergoeding tegen over staat verdient overigens alle lof.

Bij de benoeming van de bijzondere curator dient de kinderrechter in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking te nemen.

De kinderrechter overweegt dat het conflict dat zich betreffende de omgang afspeelt tussen de grootmoeder moederszijde en de biologische vader kennelijk enorme impact heeft op de minderjarige. Gelet op de persoonlijkheid van de biologische vader, zoals ook ter terechtzitting is gebleken, begrijpt de kinderrechter dat de omgangsmomenten erg stressvol kunnen zijn.

Het is in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige dat zij contact kan hebben met haar beide ouders zonder al te veel stress en commotie. Er moeten dat ook duidelijke afspraken worden gemaakt waaraan alle partijen zich dienen te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 13-2256

Zaaknummer : C/09/450036

Datum beschikking: 20 september 2013

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling en benoeming bijzonder curator

Beschikking op het op 2 september 2013 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord-Holland (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats];

kind van:

[A],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

In deze procedure worden tevens als belanghebbenden aangemerkt:

[B] ,

de biologische vader,

volgens de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie wonende op een onbekend adres, doch kennelijk verblijvende te [verblijfplaats],

en

[C],

de grootmoeder moederszijde,

wonende te [woonplaats].

De minderjarige verblijft feitelijk bij de grootmoeder moederszijde.

Procedure

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft zich bij beschikking d.d. 30 augustus 2013 onbevoegd verklaard om van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de rechtbank Den Haag.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- voornoemde beschikking d.d. 30 augustus 2013, waarvan de inhoud als hier overgenomen

dient te worden beschouwd;

- het verzoekschrift;

- het rapport van de Raad d.d. 13 augustus 2013;

- een stelbrief d.d. 16 september 2013 van mr. C.W. Kong, die als gemachtigde van de

grootmoeder moederszijde zal optreden.

Op 18 september 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

mevrouw [X] namens de Raad;

de moeder, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl;

de biologische vader;

de grootmoeder moederszijde, bijgestaan door mr. C.W. Kong.

Namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland is er niemand ter zitting verschenen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar. De grond voor het verzoek is, blijkens het rapport, gelegen in de omstandigheid dat de minderjarige in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De bedreiging bestaat er uit dat de moeder en de grootmoeder moederszijde onvoldoende in staat lijken te zijn om in het belang van de minderjarige te handelen. De minderjarige wordt geconfronteerd met het onderlinge verschil van inzicht en onvoldoende communicatie tussen de moeder en haar grootmoeder. De in het vrijwillige kader noodzakelijk geachte hulpverlening kon wegens het ontbreken van de benodigde toestemming van de moeder nog niet worden ingezet. Begeleiding door een neutrale derde persoon in het kader van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk.

De grootmoeder moederszijde heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

De moeder en de biologische vader hebben, ieder voor zich, verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Van de zijde van de Raad is ter zitting het verzoek gehandhaafd.

Mr. De Gruijl heeft - overeenkomstig zijn pleitaantekeningen - namens de moeder verweer gevoerd en afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling bepleit. Hiertoe is gesteld dat de gronden voor de ondertoezichtstelling ontbreken, nu er geen sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige en bovendien hulpverlening in het vrijwillige kader, hoewel de moeder hiertoe bereid is, nog niet is ingezet.

Nu de problemen in de communicatie tussen de moeder en de grootmoeder moederszijde met name de omgang met de minderjarige betreffen, wordt verzocht een bijzonder curator te benoemen die de belangen van de minderjarige terzake kan behartigen.

De biologische vader van de minderjarige heeft zich ter terechtzitting gepassioneerd tegen toewijzing van het verzoek verzet. Volgens de biologische vader ontwikkelt de minderjarige zich goed en zijn er geen redenen tot zorg. De biologische vader heeft voorts aangegeven het wel eens te zijn met de benoeming van een bijzonder curator.

De grootmoeder moederszijde heeft ter zitting meegedeeld dat de problemen die zij met haar dochter heeft met name worden veroorzaakt door de biologische vader van de minderjarige, die door zijn manier van doen haar dochter beïnvloedt. De afspraken die worden gemaakt betreffende de omgang met de minderjarige worden gedeeltelijk nagekomen of zelfs helemaal niet. Ondersteuning bij de uitvoering van de omgang met de minderjarige zou fijn zijn.

Mr. Kong heeft benadrukt dat het in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige is dat er concrete afspraken worden gemaakt die ook worden nagekomen.

De kinderrechter constateert, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, dat het wel mee lijkt te vallen met de frictie tussen de moeder en de grootmoeder moederszijde, maar dat er met name sprake is van frictie tussen de grootmoeder moederszijde en de biologische vader.

Vooralsnog is de kinderrechter van oordeel dat er geen sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af.

Ondersteuning van de grootmoeder moederszijde bij haar taken als opvoeder is, gelet op de problemen betreffende de omgang van de biologische vader met de minderjarige en de doorwerking hiervan op de minderjarige - naar het oordeel van de kinderrechter - wel noodzakelijk. Het belang van de minderjarige staat voorop. Dat de grootmoeder moederszijde de minderjarige opvoedt zonder dat hier enige financiële vergoeding tegen over staat verdient overigens alle lof.

Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank, dan wel de rechter onder wie de zaak aanhangig is - in casu de kinderrechter -, indien een zaak met betrekking tot de verzorging en opvoeding van een minderjarige reeds aanhangig is, en waarbij de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. Ter terechtzitting is van de zijde van de moeder dit verzoek gedaan.

Bij de benoeming van de bijzondere curator dient de kinderrechter in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking te nemen.
De kinderrechter overweegt dat het conflict dat zich betreffende de omgang afspeelt tussen de grootmoeder moederszijde en de biologische vader kennelijk enorme impact heeft op de minderjarige. Gelet op de persoonlijkheid van de biologische vader, zoals ook ter terechtzitting is gebleken, begrijpt de kinderrechter dat de omgangsmomenten erg stressvol kunnen zijn.

Het is in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige dat zij contact kan hebben met haar beide ouders zonder al te veel stress en commotie. Er moeten dat ook duidelijke afspraken worden gemaakt waaraan alle partijen zich dienen te houden.

Gelet hierop ziet de kinderrechter aanleiding op grond van artikel 1:250 BW een bijzondere curator over de minderjarige te benoemen. Deze onafhankelijke persoon dient de minderjarige te vertegenwoordigen.

De bijzonder curator zal een bemiddelende rol moeten spelen tussen de grootmoeder moederszijde en de biologische vader op een zodanige wijze dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over de momenten van omgang tussen de biologische vader en de minderjarige en de praktische uitvoering hiervan.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling;

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige:

mr. [Y]

[adres]

[woonplaats].

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2013, in tegenwoordigheid

van mr. M.M. de Witte als griffier.

Voor zover deze beschikking de afwijzing van de ondertoezichtstelling betreft kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.