Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13481

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
C-09-450271 - KG ZA 13-1029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing conservatoir beslag, gelegd op grond van onrechtmatige executie. Afstemmingsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/450271 / KG ZA 13-1029

Vonnis in kort geding van 10 oktober 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.M.A. [B] te Terneuzen,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P. Habermehl te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als '[eiser]' en '[gedaagde]'.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 oktober 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Op 27 april 2007 hebben [gedaagde] en [A] (hierna: '[A]') aan Multinvestments USA C.A. te Venezuela (hierna 'Multinvestments') onroerende zaken te Wassenaar verkocht voor een bedrag van € 8.000.000,--. Daarbij werd overeengekomen dat in geval van een toerekenbare tekortkoming, de nalatige partij een boete van
€ 800.000,-- verbeurt. Multinvestments werd bij de koop vertegenwoordigd door [eiser].

1.2.

Nadat Multinvestments haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet was nagekomen hebben [gedaagde] en [A] in rechte gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de overeengekomen boete. Daaraan legden zij ten grondslag dat [eiser] (i) als gevolmachtigde dient in te staan voor het bestaan en de toereikendheid van de volmacht, (ii) niet tijdig de naam van zijn volmachtgever heeft genoemd, zodat hij moet worden geacht de overeenkomst voor zichzelf te zijn aangegaan en (iii) onrechtmatig heeft gehandeld door zich voor te doen als voldoende gevolmachtigde vertegenwoordiger van Multinvestments, terwijl hij wist althans behoorde te weten dat deze vennootschap niet bestaat, dan wel niet in staat is haar verplichtingen na te komen.

1.3.

Bij vonnis van deze rechtbank van 5 november 2008 is de vordering van [gedaagde] en [A] afgewezen.

1.4.

In het tegen voormeld vonnis door [gedaagde] en [A] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Gravenhage - bij tussenarrest van 22 juni 2010 - de aansprakelijkheid van [gedaagde] op de hiervoor onder (ii) vermelde grondslag afgewezen en voor het overige [eiser] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs met betrekking tot het voorshands bewezen geachte feit dat Multinvestments niet bestond ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst, alsmede van bewijs van zijn stelling dat hij op 27 april 2007 beschikte over een toereikende volmacht van Multinvestments.

1.5.

Bij eindarrest van 15 mei 2012 heeft het gerechthof geoordeeld dat [eiser] erin is geslaagd te bewijzen dat Multinvestments bestond ten tijde van het ondertekenen van de koopovereenkomst, alsmede dat hij op 27 april 2007 een toereikende volmacht had van Multinvestments, zodat [eiser] niet aansprakelijk kan worden gehouden op basis van de hiervoor onder (i) en (iii) vermelde grondslagen. In verband daarmee is het vonnis van de rechtbank van 5 november 2008 bekrachtigd, met veroordeling van [gedaagde] en [A] in de proceskosten van het hoger beroep, welke veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

1.6.

Bij arrest van 18 september 2012 heeft het gerechtshof het in het eindarrest van 15 mei 2012 onjuist in rekening gebrachte bedrag aan griffierechten hersteld en het dictum op het punt van de proceskostenveroordeling dienovereenkomstig verbeterd, waardoor de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op dat moment worden begroot op een totaalbedrag van € 22.907,50.

1.7.

In het kader van de executie van het (verbeterde) eindarrest van 15 mei 2012 heeft [eiser] - middels deurwaarderskantoor Bazuin & Partners B.V. (hierna 'B&P') - de proces- en executiekosten ter zake van de appelprocedure geïncasseerd bij [A].

1.8.

[gedaagde] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen het tussen- en het eindarrest van het gerechtshof. In die procedure, waarin tegen [eiser] verstek is verleend, heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad op 21 juni 2013 geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing.

1.9.

Op 25 juni 2013 hebben [A] en [gedaagde] een overeenkomst gesloten, waarbij [A] haar (aandeel in een) vordering op [eiser] heeft overgedragen aan [gedaagde].

1.10.

Op 26 juni 2013 heeft [gedaagde] aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verlof gevraagd om ten laste van [eiser] conservatoir beslag te mogen leggen onder B&P op de door B&P ten behoeve van [eiser] geïncasseerde proceskosten. Daartoe voerde hij aan dat de executie van het eindarrest door [eiser] onrechtmatig is, aangezien [eiser] (i) zich heeft bediend van ten minste één vals stuk (een brief van de Banco Central de Venezuela) en (ii) heeft verzuimd inzage te geven in de originele (tweede) volmacht van Multinvestments, in verband waarmee de procureur-generaal in de cassatieprocedure heeft geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing. Diezelfde dag nog heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend, waarbij de vordering van [gedaagde] is begroot op € 30.000,--.

1.11.

Op 27 juni 2013 heeft [gedaagde] krachtens voormeld verlof ten laste van [eiser] conservatoir beslag laten leggen onder B&P. Naar aanleiding hiervan heeft B&P verklaard een bedrag van € 24.585,01 verschuldigd te zijn aan [eiser].

1.12.

Op 11 juli 2013 heeft [gedaagde] [eiser] in de hoofdzaak gedagvaard om op 12 september 2013 te verschijnen ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht. Daarbij vordert hij betaling door [eiser] van een bedrag van € 24.685,01 met de gebruikelijke nevenvorderingen.

1.13.

Op 27 augustus 2013 heeft [B] advocaten Terneuzen B.V., handelend onder de naam DITISRECHTadvocaten, een deel van haar opeisbare vorderingen op [eiser] tot een bedrag van € 27.500,-- verkocht en geleverd aan Judidit2 B.V. (hierna 'JD2').

1.14.

Op 30 augustus 2013 zijn JD2 en [eiser] overeengekomen dat [eiser] de door [B] advocaten Terneuzen B.V. aan JD2 overgedragen vordering voldoet door overdracht ter inbetalinggeving van alle vorderingen van [eiser] op B&P. [eiser] heeft zich daarbij jegens JD2 verplicht om - waar JD2 dat wenst - de nodige maatregelen te treffen tot opheffing van het door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde beslag onder B&P.

1.15.

Bij brief van 2 september 2013 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om het beslag onder B&P uiterlijk op 4 september 2013 op te heffen. [gedaagde] heeft daaraan geen gevolg gegeven.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert het door [gedaagde] op 27 juni 2013 ten laste van hem gelegde conservatoire derdenbeslag onder B&P op te heffen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2.

Daartoe voert [eiser] - (zeer) verkort weergegeven - aan dat het leggen en handhaven door [gedaagde] van het conservatoire derdenbeslag onder B&P onrechtmatig is, zodat het beslag onmiddellijk moet worden opgeheven.

2.3.

[gedaagde] heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

[gedaagde] stelt dat [eiser] geen belang heeft bij de gevorderde opheffing van het beslag, nu hij ([eiser]) zijn vordering op B&P bij overeenkomst van 30 augustus 2013 heeft overgedragen aan JD2. Dat verweer faalt. In die overeenkomst heeft [eiser] zich jegens JB2 immers ook persoonlijk verplicht om (in en buiten rechte) de nodige maatregelen te treffen tot opheffing van het beslag. Daarmee is het belang van [eiser] bij de onderhavige vordering gegeven.

3.2.

Voor zover [gedaagde] ook nog heeft willen aanvoeren dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, kan hij daarin evenmin worden gevolgd. Een vordering tot opheffing van een (vermeend onrechtmatig gelegd) beslag is naar haar aard namelijk reeds spoedeisend.

3.3.

Ingevolge artikel 705 lid 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt een gelegd (conservatoir) beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert (in dit geval [eiser]) om - met inachtneming van de beperkingen van een kortgeding procedure - aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (in dit geval [gedaagde]) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [eiser] daarin geslaagd. Daarvoor is het volgende van belang.

3.4.

De onderliggende vordering van [gedaagde] strekt er, kort gezegd, toe dat [eiser] het door middel van executie van het - verbeterde - eindarrest geïncasseerde bedrag ter zake van de proces- en executiekosten terugbetaalt. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] onrechtmatig gehandeld door over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het eindarrest, aangezien dat arrest geen stand zal houden in cassatie, nu [eiser] zich heeft bediend van een valse brief en heeft nagelaten inzage te verstrekken in de originele (tweede) volmacht van Multinvestments. Dat klemt te meer nu de procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing.

3.5.

De vordering van [gedaagde] is dus gegrond op onrechtmatige executie van het eindarrest van het gerechtshof en de daaruit voortvloeiende terugbetalingverplichting van [eiser]. Met het oog op de toetsing van de - vermeende - onrechtmatige executie is van belang de zogenaamde 'afstemmingsregel'. Deze brengt mee dat de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening, nadat de bodemrechter reeds een uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan, zijn vonnis in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenuitspraak of in een einduitspraak, in de overwegingen of in het dictum van de uitspraak, en ongeacht of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dat beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien de uitspraak van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. (HR 7-1-2011, LJN: BP 0015).

3.6.

Gelet op het voorgaande en nu een uitzonderingssituatie, zoals hiervoor bedoeld, is gesteld noch gebleken, moet in het bestek van de onderhavige procedure worden uitgegaan van de juistheid van het eindarrest. Daarmee is de bevoegdheid van [eiser] om over te gaan tot de executie van het - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - arrest gegeven en de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] - summierlijk - gebleken. De voorzieningenrechter deelt niet het betoog van [gedaagde] dat niet het arrest van het hof tot uitgangspunt moet worden genomen, maar de vraag of de nieuwe bodemprocedure kans van slagen heeft. In die redenering wordt de voorzieningenrechter immers gedwongen vooruit te lopen op de uitkomst van de cassatieprocedure en de afstemmingsregel beoogt nu juist dat te voorkomen.

3.7.

De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen.

3.8.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- heft op het door [gedaagde] op 27 juni 2013 ten laste van [eiser] onder B&P gelegde conservatoire beslag;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.182,82, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 274,-- aan griffierecht en € 92,82 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2013.

jvl