Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13316

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
C-09-432567 - HA ZA 12-1422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat in verband met opstellen echtscheidingsconvenant. Tekortschieten in onderzoeks- en informatieverplichting. Verlies van een kans. Verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/432567 / HA ZA 12-1422

Vonnis van 18 september 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.P. Snoek te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R. Kossen te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en mr. [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 november 2012, met vijftien producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met tien producties,

  • -

    het tussenvonnis van 30 januari 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 april 2013,

  • -

    de brief van Mr. Snoek van 1 mei 2013, met een productie.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Mr. [gedaagde] , advocaat, heeft in de periode vanaf oktober 2006 tot en met maart 2007 de belangen van mevrouw [eiseres] behartigd in verband met de echtscheiding van [eiseres] en de heer [X] .

2.2.

[eiseres] is gehuwd geweest met [X] van 27 mei 1988 tot 5 maart 2007 in algehele gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk zijn drie, ten tijde van de echtscheiding minderjarige, kinderen geboren: [A] , [B] en [C] . De echtscheiding tussen [eiseres] en [X] is uitgesproken op gemeenschappelijk verzoek bij beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 14 februari 2007. In deze beschikking is een door [eiseres] en [X] op respectievelijk 13 en 14 december 2006 ondertekend echtscheidingsconvenant (hierna: het echtscheidingsconvenant) opgenomen.

2.3.

Het echtscheidingsconvenant bevat, voor zover relevant, de volgende bepalingen:

“(…)

Artikel 1. Partneralimentatie

De vrouw is niet in staat om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man is slechts in staat om een bijdrage te betalen van € 100,= per maand, welke bijdrage hij met ingang van 1 december 2006 aan de vrouw zal betalen.

(…)

Artikel 2 De kinderen

2.1. (…)


Het hoofdverblijf van de minderjarigen is bij de vrouw, die op grond daarvan gerechtigd is tot de kinderbijslag.
(…)

2.3.

Met ingang van 1 december 2006 en zolang de kinderen minderjarig zijn zal de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voldoen van € 300,-- per maand en per kind.
(…)

Artikel 3 Verdeling van de gemeenschap van goederen

3.1.

De huwelijksgemeenschap van partijen bestaat uit:

- de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats] , ter zake van de aankoop daarvan afgesloten hypothecaire lening,

- de vennootschap onder firma, van de man, met de vrouw, genoegzaam aan partijen bekend,

- de inboedel van partijen,

- lijfrentepolissen op naam van de man,

- een lening van de vader van de man, pro resto € 3.000,-,

- een paard in gebruik bij de vrouw en twee paarden in gebruik bij de kinderen,

- de belastingaanslagen inkomstenbelasting 2005 en 2006.

3.2.

De onroerende zaak en de ter zake gesloten hypothecaire lening wordt aan de man toegescheiden tegen een waarde van respectievelijk € 675.000,= en

€ 250.000,-. De overwaarde bedraagt derhalve € 425.000,=, waarvan aan ieder der partijen toekomt € 212.500,=.

3.3.

De man zal ter gelegenheid van de hierna te vermelde notariële tenaamstelling van de woning aan de vrouw betalen een bedrag van € 100.000,=.

Het resterende bedrag van € 112.500,= blijft de man aan de vrouw schuldig en zal hij, verminderd met de hierna genoemde aflossingen, aan de vrouw betalen ter gelegenheid van de notariële levering na verkoop van de woning aan een derde.

3.4.

De man betaalt maandelijks ter aflossing van voornoemd bedrag van € 112.500,= aan de vrouw € 500,=. Zolang de vrouw haar paard gestald houdt in de stalling bij de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] (van de man), worden de stallingskosten van € 250,= per maand in mindering gebracht op het door de vrouw uit hoofde van overbedeling te ontvangen bedrag van € 112.500,=.

(…)

3.6.

De lening van de vader van de man wordt aan de man toegescheiden zonder verdere verrekening.

De man vrijwaart derhalve de vrouw ter zake.

3.7.

Het paard bij de vrouw in gebruik bij de vrouw, wordt aan de vrouw toegescheiden zonder nadere verrekening.

3.8.

De paarden in gebruik bij de kinderen blijven in gebruik bij de kinderen en blijven, zonder verrekening van kosten, gestald bij de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] .

3.9.

Partijen zullen de aangiften inkomstenbelasting 2005 en 2006 in overleg met

elkaar doen en de aanslagen bij helfte verdelen.

3.10.

De lijfrentes op naam van de man worden aan de man toegedeeld zonder nadere verrekening.

3.11.

De vennootschap onder firma van partijen wordt ontbonden en het transportbedrijf wordt door de man voortgezet als eenmanszaak.
De waarde van de vennootschap onder firma per 31 december 2006 wordt tussen

partijen bij helfte verdeeld aan de hand van de nog op te maken balans per 31 december 2006.

Het aan de vrouw toekomende aandeel in de waarde van de vennootschap onder firma per 31 december 2006 zal de man schuldig blijven aan de vrouw en zal eerst na verkoop en ter gelegenheid van de notariële levering van de echtelijke woning aan een derde door de man aan de vrouw betaald worden.

(…)

Artikel 4 De pensioenen en de verevening daarvan

Tussen partijen zal geen pensioenverevening conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding plaatsvinden en evenmin pensioenverrekening conform het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1991.

Artikel 5 Kwijting en vrijwaring

5.1.

De partijen verklaren hierbij dat zij hun huwelijksgemeenschap hebben verdeeld met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen.

(…)”

2.4.

In verband met de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant bevinden zich in het dossier van mr. [gedaagde] onder meer handgeschreven aantekeningen van een bespreking op 2 oktober 2006, van een inkomend telefoongesprek van [eiseres] op 9 oktober 2010, van een bespreking op 20 november 2006, alsmede van een inkomend telefoongesprek van [eiseres] op 27 november 2006.

2.5.

Verder heeft mr. [gedaagde] gecorrespondeerd met [X] , zijn advoca(a)t(en) en [eiseres] . Bij brief van 20 oktober 2006 heeft mr. [gedaagde] namens [eiseres] aan [X] een voorstel gedaan met betrekking tot de afwikkeling van de echtscheiding. In de brief is onder meer vermeld - zakelijk weergegeven - dat gesproken is over een bijdrage voor de kinderen van € 300,-- per maand en per kind en € 1.100,-- bruto per maand voor [eiseres] , in totaal derhalve € 2.000,-- per maand. De brief vermeldt in dit verband tevens:


“hoewel die bedragen wellicht niet in overeenstemming zijn met de wettelijke maatstaven is cliënte bereid in het kader van een regeling met deze bedragen akkoord te gaan.”

2.6.

Daarnaast vermeldt de brief van 20 oktober 2006 van mr. [gedaagde] in verband met de verdeling van de echtelijke woning:

“Voor wat betreft de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin u bent gehuwd, heeft u aangegeven dat u graag wilt blijven wonen aan de [adres 1] te [woonplaats] . Cliënte kan daarmee instemmen op voorwaarde dat er wel een regeling wordt getroffen voor de afwikkeling van de overwaarde daarvan. Immers het huis is, in uw opdracht overigens, getaxeerd op een bedrag van € 750.000,= en als cliënte daarvan wil uitgaan, met in aanmerking nemende de thans bestaande hypotheek van € 250.000,=, dan zou zij recht hebben op een betaling door u van € 250.000,=.

Cliënte wil daar in het kader van een minnelijke regeling mee instemmen, indien zij van u een voorschot ontvangt van € 25.000,= vóór 1 november a.s., een betaling van € 100.000,= (waarop genoemd voorschot dus in mindering kan strekken) ter zake van de overwaarde van de woning vóór 1 januari 2007 en een regeling in die zin dat indien u het huis verkoopt cliënte nog een bedrag van € 150.000,= uit de overwaarde zal ontvangen.
Ik wijs u erop dat op deze manier ook geen schenkingsrechten verschuldigd zullen zijn, omdat u op deze manier wel de reële overwaarde van het huis aan cliënte betaalt.”

2.7.

Mr. [gedaagde] vraagt [X] voorts - zakelijk weergegeven - om een concreet voorstel ten aanzien van de afwikkeling van de v.o.f., aan welke afwikkeling [eiseres] bereid is haar volledige medewerking te verlenen. Voorts gaat mr. [gedaagde] ervan uit dat [X] bereid is te blijven zorgen, althans huisvesting te bieden, aan de drie, per januari 2007 vier paarden van de kinderen en het paard van [eiseres] , waarbij [eiseres] voorstelt dat de paarden voor een periode van vijf jaar bij [X] kunnen blijven staan op de percelen bij de woning. Ten slotte vermeldt mr. [gedaagde] :

“Tot slot vermeld ik nog dat ik er vanuit ga dat de belastingaanslagen over 2005 en overigens ook over 2006, de periode waarin u nog samen bent geweest, worden verdeeld in die zin dat positieve en negatieve aanslagen worden verrekend met elkaar in die zin dat ieder de helft van de bedragen die betaald moeten worden, betaalt en de helft van de bedragen die ontvangen worden, ontvangt.”

2.8.

Bij faxbericht van 14 november 2006 bevestigt mr. [gedaagde] een gesprek met de advocaat van [X] , mr. Van Dooren, en haar mededeling dat het voorstel zoals verwoord in haar brief van 20 oktober 2012 één en ondeelbaar is.

2.9.

Bij faxbericht van 16 november 2006 bericht mr. Van Dooren over de kinderen, de alimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Met betrekking tot de alimentatie laat zij weten:


“Onder meer aan de hand van de jaarstukken over 2005 heeft cliënt een draagkrachtberekening doen opstellen. Deze draagkrachtberekening treft u hierbij aan. Ik verwijs u kortheidshalve naar de inhoud hiervan.

Zoals u ziet, laat de draagkracht van cliënt geen hogere alimentatie toe dan om en nabij

€ 1.000,-- per maand. Uitgaande van een kinderalimentatie van € 300,-- per maand per kind betekent dit dat een partneralimentatie rest ad (bruto) € 73,28 per maand. Cliënt is bereid om dit op te hogen naar € 100,--, zodat zijn totale bruto alimentatielast € 1.000,-- zal belopen.”

Over de verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt onder meer opgemerkt:


“Het is juist dat cliënt bereid en in staat is om de echtelijke woning te blijven bewonen. Daarbij maakt cliënt wel de volgende kanttekening.

Cliënt kan in de echtelijke woning blijven wonen, indien uw cliënte afziet van het opeisen ineens van het haar toekomende deel uit de overwaarde van de echtelijke woning. De echtelijke woning is getaxeerd op € 750.000,--. Cliënt merkt op dat uit het taxatie Zeecontainer, mestbak, de losgooibakje bij de houten stal en de bedrijfsgarage zakelijk geboekt zijn op de balans. In het taxatierapport, dat uw cliënte in haar bezit heeft, zijn de hiervoor genoemde zaken getaxeerd op € 75.000,--. Cliënt is van mening dat nu deze zaken op de balans genoteerd staan, deze in het kader van de verdeling van de V.O.F. moeten worden betrokken en derhalve in mindering komen op het door uw cliënt te ontvangen bedrag uit hoofde van overbedeling.
Daarnaast dient de hypothecaire lening ad € 250.000,-- dient hierop in mindering te worden gebracht, zodat een overwaarde resteert van € 500.000,-- -/- € 75.000,-- = € 425.000,--. Cliënt dient derhalve € 212.500,-- aan uw cliënte te betalen uit hoofde van de te verdelen overwaarde.
Cliënt kan echter slechts tot € 100.000,-- hypothecair lenen en dit bedrag ter beschikking stellen aan uw cliënte, het aan uw cliënte toekomende tegoed zal cliënt betalen, indien hij de echtelijke woning alsnog zou verkopen. Uit uw brief maak ik op dat uw cliënte hiermee kan instemmen.

Indien uw cliënte aanspraak zou maken op de haar toekomende ineens, zal cliënt de woning moeten verkopen. Aldus zullen uw cliënte en de kinderen niet meer in staat zijn de paarden te stallen bij cliënt. Van cliënt begreep ik dat dit – met name voor de kinderen van partijen – zeer teleurstellend zou zijn.

Cliënt is evenwel bereid om een middenweg aan uw cliënte voor te stellen. Cliënt is bereid om naast de betaling van € 100.000,-- uit hoofde van overbedeling maandelijks een bedrag van € 500,-- te betalen aan uw cliënte als voorschot op de verdeling. Indien cliënt de echtelijke woning zou verkopen, betaalt cliënt het overige deel, onder aftrek van de reeds betaalde bedragen.

Voor wat betreft de verdeling van de V.O.F. merkt cliënt op dat uitgangspunt dient te zijn de vermogens zoals deze op de balans van ultimo 2006 staan. Zodra deze gegevens beschikbaar zijn, zal cliënt een waardebepaling doen opstellen. (…)”

Verder kan [X] blijkens deze brief instemmen met de stalling van de paarden van zijn kinderen en die van [eiseres] bij hem, met dien verstande dat [X] de helft van de stallingskosten van € 1.000,-- per maand in mindering wenst te brengen op het door [eiseres] te ontvangen bedrag uit overbedeling. Vervolgens is gesteld:


“Het voorgaande geldt echter onder de voorwaarde dat uw cliënte geen aanspraak zal maken op de (contante waarde) van de lijfrentes van cliënt.”

Blijkens de brief acht [X] het voorts redelijk dat [eiseres] de helft van de lening van partijen bij de vader van [X] (welke lening in totaal € 6.000,-- beloopt) voor haar rekening neemt.

2.10.

Bij faxbericht van 24 november 2006 heeft mr. [gedaagde] gereageerd op het faxbericht van 16 november 2006 van mr. Van Dooren:

“(…) Het is jammer dat uw cliënt meent de gevolgen van de echtscheiding zo te moeten regelen.

Cliënte is echter bereid om daarin mee te gaan, als de echtscheiding dan wel snel wordt geregeld, inhoudende dat het convenant uiterlijk 15 december a.s. wordt getekend en de echtscheiding en de notariële wijziging tenaamstelling uiterlijk 1 februari 2007 plaatsvindt.

Cliënte ziet af van partneralimentatie, nu uw cliënt daarvoor blijkens uw berekening geen draagkracht heeft. Ik merk op dat zij zeker behoefte heeft aan een bijdrage.

Ten aanzien van de kinderen gaat cliënte akkoord met de voorstellen van uw cliënt, waarbij zij ervan uit gaat dat uw cliënt de kinderalimentatie met ingang van 1 december 2006 gaat betalen.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap kan in hoofdlijnen geschieden zoals voorgesteld door uw cliënt, met de volgende wijzigingen.

Het bedrag van € 100.000,= wordt uiterlijk 1 februari 2007 aan cliënte betaald en het restant van € 112.500,= houdt zij tegoed. Met het bedrag van € 100.000,= kan worden verrekend het deel van cliënte van de lening van de vader van uw cliënt van € 1.500,=.

Op het restant bedrag van € 112.500,= behoeft uw cliënt geen aflossing te doen, wel wordt rente berekend.

Cliënte haalt haar paard weg uit de stallen bij de woning van uw cliënt, zodat daar alleen de paarden van de kinderen blijven. Stallingskosten zijn dus niet meer aan de orde.

Spoedheidshalve stelde ik een concept convenant op, waarin het vorenstaande is verwerkt, zodat de datum van 15 december 2006 reëel blijft.”

2.11.

Bij brief van 24 november 2006 heeft mr. [gedaagde] aan [eiseres] een afschrift van

haar faxbrief van 24 november 2006 en een conceptconvenant, gedateerd 22 november

2006, gestuurd. Het conceptconvenant van 22 november 2006 bevat onder meer - zakelijk

weergegeven - de volgende afspraken.

- [eiseres] ziet af van partneralimentatie, hoewel zij niet in staat is in haar eigen

levensonderhoud te voorzien.

- Het hoofdverblijf van de kinderen is bij [eiseres] , [X] betaalt een bedrag van

€ 300,-- per kind per maand aan kinderalimentatie.

- De voormalige echtelijke woning wordt aan [X] toegedeeld, de ter zake gesloten

hypothecaire geldlening neemt [X] voor zijn rekening. De overwaarde bedraagt

€ 425.000,--, waarvan ieder der partijen toekomt € 212.500,--. [X] voldoet ter gelegenheid van de notariële tenaamstelling van de woning op zijn naam aan [eiseres] een bedrag van € 100.000,--, het resterende bedrag van € 112.500,-- blijft [X] aan [eiseres] verschuldigd en zal hij, vermeerderd met 5% rente per jaar, aan [eiseres] betalen ter gelegenheid van de notariële levering na verkoop van de woning aan een derde.

- [eiseres] betaalt [X] in verband met de lening aan de vader van [X] een

bedrag van € 1.500,-- ter gelegenheid van het notariële transport van de voormalige

echtelijke woning (door middel van verrekening met het door [eiseres] te ontvangen bedrag).

- Het paard in gebruik bij [eiseres] , wordt aan [eiseres] toegescheiden zonder nadere verrekening.

[eiseres] zal het paard uiterlijk 1 januari 2007 uit de stalling bij de voormalig echtelijke

woning ophalen.

- De paarden in gebruik bij de kinderen blijven in gebruik bij de kinderen en worden zonder

verrekening van kosten gestald in de stalling bij de voormalig echtelijke woning.

- De aangiften inkomstenbelasting 2005 en 2006 zullen in overleg tussen partijen worden

gedaan en partijen zullen de aanslagen bij helfte verdelen.

- De lijfrentes op naam van [X] worden toegedeeld aan [X] zonder nadere

verrekening.

- De vennootschap onder firma wordt ontbonden en het transportbedrijf wordt door

[X] voortgezet. De waarde van de vennootschap onder firma per 1 januari 2007

wordt tussen partijen bij helfte verdeeld aan de hand van de nog op te maken balans per 31

december 2006.

- Pensioenverevening en pensioenverrekening zullen niet plaatsvinden.

2.12.

Bij brief van 28 november 2006 heeft mr. [gedaagde] aan [eiseres] een afschrift van

haar faxbericht van diezelfde datum aan mr. Van Dooren met een aangepast

conceptconvenant (eveneens van die datum) gestuurd. Het aangepaste conceptconvenant bevat ten opzichte van het conceptconvenant van 22 november 2006 de volgende wijzigingen:

- De eerder bepaalde rentevergoeding van 5% per jaar in verband met de verdeling van de

echtelijke woning is vervallen.

- [X] betaalt maandelijks ter aflossing van zijn schuld van € 112.500,-- aan de vrouw

€ 750,--. Op die € 750,-- worden in mindering gebracht de stallingskosten van het paard

van de vrouw, dat in stalling bij de echtelijke woning blijft, een bedrag van € 250,--.

- De lening van de vader van [X] neemt [X] zonder verdere verrekening voor

zijn rekening en hij vrijwaart [eiseres] ter zake.

2.13.

In genoemd faxbericht van 28 november 2006 aan mr. Van Dooren met daarbij het aangepaste conceptconvenant heeft mr. [gedaagde] naar aanleiding van een telefoongesprek met een collega van mr. Van Dooren onder meer verzocht om bevestiging dat:

“een en ander in orde is, zodat het convenant definitief kan worden gemaakt en op de kortst mogelijke termijn worden getekend.”

2.14.

Bij faxbericht van 1 december 2006 reageert mr. Van Dooren op het faxbericht van mr. [gedaagde] van 1 december 2006. Daarin bericht zij - zakelijk weergegeven - dat zij het aangepaste conceptconvenant met [X] heeft besproken en dat [X] in staat en bereid is een bedrag € 100,-- per maand aan [eiseres] te betalen aan partneralimentatie en dat zij verzoekt dit bedrag in het convenant op te nemen. Om discussie in de toekomst over artikel 3.4 (de aflossing van [X] van de vordering van [eiseres] in verband met de verdeling van de echtelijke woning) te voorkomen, verzoekt zij wijziging van dat artikel conform de tekst die is opgenomen in het echtscheidingsconvenant. Voorts verzoekt mr. Van Dooren wijziging van het bepaalde in artikel 3.11 (betreffende de verdeling van de waarde van de v.o.f.) als volgt:

“De vennootschap onder firma van partijen wordt ontbonden en de onderneming zal door de man als eenmanszaak worden voortgezet. Aan partijen zal het hem c.q. haar toekomende deel van het eigen vermogen per 31 december 2006 van de vennootschap worden toegescheiden.”

2.15.

Bij faxbericht van 4 december 2006 bericht mr. [gedaagde] dat zij de wijzigingen betreffende artikel 1 partneralimentatie en 3.4 heeft opgenomen, maar de wijzigingen betreffende 3.11 niet, stellende dat hiermee de grens voor cliënte bereikt is. Mr. [gedaagde] stelt onder meer:

“Ik merk op dat er sprake is van een gemeenschap van goederen, waarin partijen zijn gehuwd en dat het zo zou moeten zijn dat partijen het vermogen dat er is, bij helfte verdelen.
Dat wordt door het thans voorliggende convenant op geen enkele wijze uitgevoerd.
Het is uw cliënt die wordt overbedeeld en cliënte is daar op zekere hoogte mee bekend en ook bereid om dat te aanvaarden, ter wille van een vlotte echtscheiding, maar datgene wat nu gebeurt ten aanzien van de vennootschap/onderneming is voor haar onacceptabel. Gelet op uw tekstvoorstel is te verwachten dat het eigen vermogen van cliënte anders wordt berekend dan de 50% waarop zij recht heeft. (…)

2.16.

Bij faxbericht van 6 december 2006 heeft mr. Bos, kantoorgenoot van mr. Van Dooren, aan mr. [gedaagde] bericht dat [X] niet kan instemmen met de door mr. [gedaagde] voorgestelde 50/50 verdeling van het vennootschapsvermogen, omdat [eiseres] slechts aanspraak heeft op [X] ter hoogte van haar aandeel in de vennootschap.

2.17.

Bij faxbericht van 7 december 2006 heeft mr. [gedaagde] aan mr. Bos - zakelijk weergegeven - onder verwijzing naar jurisprudentie en literatuur bericht haar standpunt niet te wijzigen en dat zij erbij blijft dat de totale waarde van de vennootschap onder firma goederenrechtelijk bij helfte moet worden verdeeld. De tekst van het convenant zoals laatstelijk gestuurd aan mr. Bos blijft dan ook, aldus mr. [gedaagde] , gehandhaafd.

2.18.

Aan het bepaalde in artikel 3.11 van het aangepaste convenant is toegevoegd dat [X] het aan de vrouw toekomende aandeel in de waarde van de vennootschap onder firma per 31 december 2006 schuldig zal blijven aan [eiseres] en dat dit bedrag eerst na verkoop en ter gelegenheid van de notariële levering van de echtelijke woning aan een derde door hem aan haar betaald zal worden. Vervolgens hebben partijen het echtscheidingsconvenant ondertekend.

2.19.

Na ontbinding van het huwelijk heeft [eiseres] bij dagvaarding van 30 november 2009 een gerechtelijke procedure tegen [X] ingeleid (bekend onder zaak/en rolnummer: 335138/HA ZA 09-4322) waarin zij - kort gezegd - betaling van de helft van de werkelijke waarde van de v.o.f. door [X] , vermeerderd met wettelijke rente en kosten, vordert. Bij vonnis van 26 januari 2011 is door de rechtbank ’s-Gravenhage in deze zaak een deskundigenonderzoek gelast. De rechtbank is ambtshalve bekend dat de zaak thans is doorgehaald.

2.20.

Bij brief van 9 maart 2010 is mr. [gedaagde] door [eiseres] aansprakelijk gesteld wegens het maken van beroepsfouten bij met name de begeleiding en advisering ter zake van het echtscheidingsconvenant. Mr. [gedaagde] heeft bij brief van 30 mei 2011 aansprakelijkheid ontkend.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat - :
I. voor recht te verklaren dat mr. [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiseres] - naar de rechtbank begrijpt - in de nakoming van de door [eiseres] aan haar verleende opdracht c.q. onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en - naar de rechtbank tevens begrijpt - de volledige schade die [eiseres] dientengevolge heeft geleden, dient te vergoeden,
II. mr. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 99.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente indien niet binnen twee weken na het ten dezen te wijzen vonnis is voldaan,
III. mr. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.043,19 inclusief BTW aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de diverse facturen,
IV. mr. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2006,
V. mr. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen tekortschieten van mr. [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen haar en [eiseres] , althans onrechtmatig handelen van mr. [gedaagde] ten grondslag. Volgens [eiseres] heeft mr. [gedaagde] haar niet deugdelijk geadviseerd en geïnformeerd en heeft zij aldus niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. [eiseres] stelt daardoor schade te hebben geleden, in ieder geval bestaande uit (advocaat)kosten, deskundigenkosten en proceskosten.

3.3.

Mr. [gedaagde] voert verweer. Zij bestrijdt primair dat zij de belangen van [eiseres] niet naar behoren heeft behartigd, subsidiair bestrijdt zij dat [eiseres] schade heeft geleden die daaraan kan worden toegerekend en uiterst subsidiair de omvang van de door [eiseres] gevorderde schade.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

In geschil is of mr. [gedaagde] bij haar advisering aan [eiseres] , welke advisering geleid heeft tot het echtscheidingsconvenant, gehandeld heeft zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. In dit verband geldt dat in het algemeen aan het optreden van een advocaat - evenals aan dat van andere beroepsbeoefenaars - hoge eisen worden gesteld. De zorgplicht van een advocaat in het onderhavige verband omvat naar het oordeel van de rechtbank mede een onderzoeksverplichting ten aanzien van de inkomens- en vermogenspositie van de echtelieden, alsmede de verplichting om een cliënt(e) voor hem (haar) kenbaar en concreet te informeren over de eventuele nadelige (financiële) gevolgen voor hem (haar) van een echtscheidingsconvenant.

De gestelde tekortkomingen
4.2. [eiseres] heeft gesteld dat mr. [gedaagde] op diverse punten tekort is geschoten in de nakoming van de opdracht die [eiseres] aan haar heeft verleend. Die punten zal de rechtbank hierna eerst bespreken.

Algemeen

4.3.

[eiseres] en mr. [gedaagde] hebben blijkens het verhandelde ter terechtzitting in verband met de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant mondeling overleg gevoerd. Dit overleg heeft, na onderhandeling tussen advocaten, geresulteerd in het echtscheidingsconvenant tussen [eiseres] en [X] . In confesso is dat [eiseres] zich op het moment van ondertekening van het echtscheidingsconvenant op zichzelf met de inhoud kon verenigen. De stelling van [eiseres] dat sprake is van een beroepsfout van mr. [gedaagde] omdat haar geen conceptbrieven en -convenanten voorafgaand aan de verzending aan (de advoca(a)t(en) van) [X] ter beoordeling zijn voorgelegd en dat het echtscheidingsconvenant bepalingen bevat die zonder haar nadrukkelijke instemming zijn opgenomen, stuit hierop af.

4.4.

Iets anders is of mr. [gedaagde] , zoals [eiseres] heeft gesteld en mr. [gedaagde] heeft betwist, [eiseres] voorafgaand aan de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant onvoldoende heeft geïnformeerd en geadviseerd over de eventueel nadelige gevolgen ervan, waaronder de fiscale gevolgen, in het bijzonder in verband met de bepalingen betreffende de verdeling van de echtelijke woning en de v.o.f. waarvan [X] en [eiseres] beiden vennoot waren. Uit de door mr. [gedaagde] overgelegde dossieraantekeningen en telefoonnotities is niet, althans niet zonder meer op te maken wat zij [eiseres] heeft geadviseerd in verband met de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant, daargelaten dat uit de genoemde dossieraantekeningen niet blijkt dat deze betrekking hebben op besprekingen die zij met [eiseres] heeft gevoerd. Uit die stukken blijkt in ieder geval niet dat [eiseres] voor haar kenbaar gewezen is op voor haar eventuele nadelige financiële consequenties van de gemaakte afspraken. Uitgangspunt bij de beoordeling van de rechtbank is gelet hierop dat deze gevolgen niet, althans in onvoldoende mate in het tussen [eiseres] en mr. [gedaagde] gevoerde overleg ter sprake zijn gekomen en dat [eiseres] in zoverre onvoldoende op de hoogte is geweest van de betekenis van de bepalingen in het echtscheidingsconvenant en wist waaraan zij instemming verleende. Weliswaar heeft mr. [gedaagde] in haar faxbericht van 6 december 2006 aan mr. Van Dooren opgemerkt dat het [X] is “die wordt overbedeeld” en dat [eiseres] “daar op zekere hoogte mee bekend” is “en ook bereid om dat te aanvaarden, ter wille van een vlotte echtscheiding”, die opmerking alleen acht de rechtbank onvoldoende voor de aanname dat [eiseres] voldoende op de hoogte is gesteld van de nadelige gevolgen van het echtscheidingsconvenant. De rechtbank acht in dit verband niet van belang of [eiseres] ten tijde van de echtscheiding labiel is geweest. Voorts merkt de rechtbank op dat financiële deskundigheid van [eiseres] , voor zover hier al sprake van is geweest, mr. [gedaagde] niet ontslaat van haar taak als advocaat om [eiseres] in het kader van een echtscheiding kenbaar te wijzen op de aan het echtscheidingsconvenant verbonden nadelige gevolgen voor haar inkomens- en vermogenspositie. De rechtbank neemt voormeld uitgangspunt in aanmerking bij haar beoordeling hierna van de door [eiseres] gestelde tekortkomingen in verband met de verschillende bepalingen in het echtscheidingsconvenant.



De echtelijke woning

4.5.

Volgens [eiseres] heeft mr. [gedaagde] niet, althans onvoldoende aan haar uitgelegd welke (fiscale en andere) consequenties het voor haar zou hebben wanneer zij het door [X] verschuldigde bedrag in verband met de verdeling van de echtelijke woning niet in één keer zou ontvangen en dat mr. [gedaagde] geen bewijs heeft opgevraagd van de door [X] gestelde beperking om meer dan € 100.000,-- ineens te voldoen. Voorts heeft zij gesteld dat mr. [gedaagde] verzuimd heeft zekerheden te bedingen en dat zonder grondige bespreking en uitleg en zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiseres] afstand is gedaan van een vergoeding van rente over het verschuldigde bedrag en dat zij ook overigens geen rentevergoeding heeft bedongen. [eiseres] stelt dat, indien zij die gelden in één keer had ontvangen, zij die had kunnen benutten voor de aanschaf van een eigen woning, auto, vakanties en/of inboedel. Daarnaast stelt zij jaarlijks te worden geconfronteerd met de fiscale consequenties van het convenant op dit punt, aangezien haar aanspraak in de overwaarde door de fiscus wordt beschouwd als box 3-vermogen en zij niet in aanmerking komt voor woon- en zorgtoeslag, terwijl zij niet door mr. [gedaagde] op die consequenties is gewezen.

4.6.

Mr. [gedaagde] heeft zich verweerd met de stelling dat de afspraken in het echtscheidingsconvenant worden verklaard door de toedeling van de echtelijke woning aan [X] , die vanuit die woning zijn ondernemersactiviteiten verrichtte (transportbedrijf en paardenstalling) en de onmogelijkheid om meer dan een bedrag van € 100.000,-- gefinancierd te krijgen. Zij heeft haar verweer dat [X] niet in staat was om meer dan
€ 100.000,-- ineens te voldoen niet feitelijk onderbouwd. Niet is gesteld of gebleken dat zij de juistheid van de mededeling van [X] nader heeft onderzocht. De financiële gegevens waarover mr. [gedaagde] blijkens haar onweersproken mededeling ter terechtzitting destijds beschikte (een aangifte IB van [X] over 2005, een balans 2005 en een winst- en verliesrekening 2005 van de v.o.f.), bieden naar het oordeel van de rechtbank geen, althans onvoldoende aanknopingspunten om er zonder meer vanuit te gaan dat [X] niet méér dan het door hem voorgestelde te betalen bedrag ineens kon betalen. Hier komt bij dat per de peildatum van 31 december 2006 sprake was van een forse overwaarde op de echtelijke woning, namelijk ten bedrage van € 457.000,--, zodat mr. [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank er mede hierom niet zonder meer ervan heeft mogen uitgaan dat [X] niet méér zou kunnen lenen. Van mr. [gedaagde] had als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat nader onderzoek op dit punt mogen worden verwacht. [eiseres] had naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval moeten weten, hetgeen niet is gebleken, dat het uitblijven van (volledige) uitkering van een bedrag ineens voor haar nadelige gevolgen zou hebben voor haar inkomens- en vermogenspositie.

4.7.

Met [eiseres] is de rechtbank voorts van oordeel dat van mr. [gedaagde] als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat had mogen worden verwacht dat zij [eiseres] zou hebben geadviseerd zekerheid ter voldoening van haar restantvordering te bedingen, bijvoorbeeld in de vorm van een door [X] te sluiten aanvullende hypothecaire geldlening. Dit gegeven de zeer lange aflossingstermijn, te weten minimaal twaalf en een half jaar en maximaal achttien jaar (afhankelijk van de duur van de stalling van het paard van [eiseres] in de stalling bij de voormalige echtelijke woning) en de daaraan verbonden risico’s voor voldoening van de restantvordering. Hier komt bij dat niet gesteld of gebleken is dat partijen ten tijde van het echtscheidingsconvenant uitgingen van de verkoop van de voormalige echtelijke woning op korte termijn. Voldoening van de restantvordering om die reden kon dan ook in redelijkheid niet worden verwacht. De enkele omstandigheid dat er, zoals mr. [gedaagde] heeft gesteld, geen aanleiding bestond te veronderstellen dat [X] niet aan zijn aflossingsverplichting zou voldoen, is naar het oordeel van de rechtbank, afgezet tegen de aflossingstermijn en de daaraan verbonden incassorisico’s, onvoldoende voor een andersluidende conclusie. Dit geldt temeer nu de draagkracht van [X] blijkens de door hem opgestelde berekening in verband met zijn alimentatieverplichtingen beperkt was en hij de aflossing uit zijn draagkrachtvrije ruimte diende te voldoen. Nu mr. [gedaagde] geen feiten heeft gesteld ter onderbouwing van haar verweer dat het niet mogelijk zou zijn geweest om een aanvullende hypothecaire geldlening of om anderszins zekerheid te verkrijgen, gaat de rechtbank ook aan dit verweer als onvoldoende feitelijk onderbouwd voorbij.

4.8.

Mr. [gedaagde] verweert zich wat betreft het door [eiseres] gestelde verzuim om een rentevergoeding te bedingen met de stelling dat zij gerechtvaardigd heeft afgezien van de in het conceptconvenant van 22 november 2006 opgenomen rentevergoeding omdat sprake is van een “communicerende vaten”-effect tussen een rentevergoeding en de draagkrachtruimte van [X] in verband met zijn alimentatieverplichtingen en dat, indien een rentevergoeding zou zijn bedongen, de draagkrachtruimte van [X] alsdan verminderd zou zijn met € 468,75 per maand. De rechtbank stelt voorop dat in het conceptconvenant van 22 november 2006 sprake is van een rentevergoeding van 5% per jaar over de restantvordering van [eiseres] van € 112.500,--, door [X] te betalen ter gelegenheid van de notariële levering na verkoop van de woning aan een derde. De in het conceptconvenant van 22 november 2006 bepaalde rentevergoeding strekt derhalve niet in mindering op de draagkracht van [X] , zodat het verweer van mr. [gedaagde] reeds daarom niet opgaat. In het aangepaste convenant van 28 november 2006 en in echtscheidingsconvenant is geen rentevergoeding opgenomen, maar wel een maandelijkse aflossing van € 500,--. Blijkens de door [X] opgestelde draagkrachtberekening, die ten grondslag heeft gelegen aan de afspraken betreffende de alimentatie, strekt deze aflossing niet in mindering op de draagkracht van [X] en dient [X] dit bedrag uit zijn draagkrachtvrije ruimte te voldoen. Gelet hierop en gezien de beperkte draagkracht van [X] blijkens genoemde berekening, kon naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet worden verwacht dat [X] maandelijks (in de vorm van rente) meer aan [eiseres] zou gaan betalen en dat mr. [gedaagde] [eiseres] zou hebben moeten adviseren daarop aanspraak te maken. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij van oordeel is, zoals hierna achter 4.16 wordt overwogen dat mr. [gedaagde] in redelijkheid heeft mogen uitgaan van voormelde draagkrachtberekening. Een en ander laat onverlet dat van mr. [gedaagde] als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat had mogen worden verwacht dat zij [eiseres] zou hebben geadviseerd om anderszins aanspraak te maken op de vergoeding van rente over het niet afgeloste bedrag. Dit nu [X] een substantieel deel van de vordering van [eiseres] niet ineens zou voldoen en, zoals eerder overwogen, niet gebleken is dat partijen destijds verwachtten dat het restant op korte termijn volledig zou zijn voldaan. Tegen deze achtergrond brengt de zorgplicht van een advocaat naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden mee dat een voorziening in de vorm van een rentevergoeding ter compensatie, zowel voor de situatie waarin sprake zou zijn van maandelijkse aflossing als voor de situatie waarin sprake zou zijn van verkoop van de woning aan een derde, wordt getroffen, althans dat wordt geadviseerd daarover in onderhandeling te treden.

De v.o.f.

4.9.

[eiseres] verwijt mr. [gedaagde] dat haar duidelijk had moeten zijn dat de omschrijving van artikel 3.11 van het echtscheidingsconvenant later tot (interpretatie)problemen zou leiden. Mr. [gedaagde] had expliciet moeten vastleggen op welke wijze de v.o.f. gewaardeerd zou worden. Zij heeft, aldus [eiseres] , ten onrechte de indruk gewekt dat met het echtscheidingsconvenant iedere discussie beëindigd zou zijn en dat partijen na een spoedige afwikkeling elkaar finale kwijting zouden (kunnen) verlenen. [eiseres] stelt dat zij om die reden tegen [X] een gerechtelijke procedure heeft moeten inleiden en daardoor schade heeft geleden. Verder verwijt [eiseres] mr. [gedaagde] te hebben verzuimd jaarstukken op te vragen en fiscaal advies in te winnen, alsmede een rentevergoeding te bedingen, een aflossingstermijn te bepalen en zekerheden te bedingen. Ook met betrekking tot de v.o.f. stelt [eiseres] dat mr. [gedaagde] haar niet heeft gewezen op de nadelige gevolgen verbonden aan het echtscheidingsconvenant.

4.10.

De tekst van artikel 3.11 van het echtscheidingsconvenant is vatbaar voor meerdere uitleg, zoals ook blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 26 januari 2011. Die omstandigheid leidt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet tot een tekortkoming van mr. [gedaagde] . Dit gezien de correspondentie tussen mr. [gedaagde] en mr. Bos, waarin de grondslag van de waardering punt van discussie is geweest en die tot handhaving van de door mr. [gedaagde] voorgestelde concepttekst wat betreft de bepaling van de waarde van de v.o.f. heeft geleid. Daarbij werd - naar moet worden aangenomen gezien de discussie die ontstond naar aanleiding van die concepttekst - uitgegaan van verdeling van de waarde van de v.o.f. in het economisch verkeer. Hieruit volgt dat mr. [gedaagde] evenmin kan worden verweten dat [eiseres] een gerechtelijke procedure heeft moeten inleiden met mede de uitleg van artikel 3.11 wat betreft de grondslag van de waardering als inzet. De rechtbank heeft in de betreffende procedure ook geoordeeld dat [X] in redelijkheid niet kon verwachten dat [eiseres] beoogde genoegen te nemen met de helft van de boekwaarde van de v.o.f. en in zoverre [eiseres] in het gelijk gesteld.

4.11.

Wel brengt de zorgplicht van mr. [gedaagde] als goed opdrachtnemer naar het oordeel van de rechtbank mee dat een echtscheidingsconvenant zodanig wordt geredigeerd dat de opeisbaarheid van een vordering uit hoofde van overbedeling in voldoende mate is gewaarborgd. Die zorgplicht heeft mr. [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank geschonden. Blijkens artikel 3.11 van het echtscheidingsconvenant was [eiseres] voor de opeisbaarheid van haar vordering op dit punt afhankelijk van de overdracht van de woning door [X] aan een derde, terwijl bij de totstandkoming ervan werd uitgegaan dat van verkoop geen, en in ieder geval niet op korte termijn, sprake zou zijn. Aldus is de reële mogelijkheid opengelaten dat van opeisbaarheid wellicht nimmer sprake zou zijn. Tegen deze achtergrond slaagt de stelling van [eiseres] dat van mr. [gedaagde] had mogen worden verwacht dat (ten minste) een aflossingstermijn zou worden bepaald (althans dat mr. [gedaagde] haar daartoe zou hebben geadviseerd). In het verlengde van hetgeen hiervoor achter 4.7 en 4.8 is overwogen, had voorts van mr. [gedaagde] mogen worden verwacht dat zij getracht zou hebben zekerheid tot voldoening van de vordering van [eiseres] te verkrijgen uit hoofde van de verdeling van de waarde van de v.o.f. en dat zij [eiseres] zou hebben geadviseerd aanspraak te maken op de vergoeding van rente.

De polissen

4.12.

Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat mr. [gedaagde] als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat de waarde van de lijfrentepolissen had behoren op te vragen. Het voorstel van [X] hield kort gezegd in dat de aanspraak van [eiseres] op verdeling van de (contante) waarde van die polissen (met een jaarpremie van € 2.243,-- derhalve maandelijks € 186,--) diende te worden weggestreept tegen de stallingskosten van de paarden van [eiseres] en de kinderen van in totaal € 1000,-- per maand. Eerst na het opvragen van de waarde van die polissen had mr. [gedaagde] de redelijkheid van dit voorstel kunnen beoordelen. Hier komt bij dat blijkens het echtscheidingsconvenant, anders dan [X] heeft voorgesteld, de lijfrentepolissen worden toegedeeld aan [X] zonder verrekening van de waarde ervan met [eiseres] en dat [X] alleen de stallingskosten van de paarden van de kinderen voor zijn rekening neemt en niet ook die van [eiseres] .

4.13.

Zoals mr. [gedaagde] erkent, heeft zij verzuimd de (waarde van de) levensverzekeringen op te vragen. De rechtbank passeert het niet feitelijk onderbouwde verweer van mr. [gedaagde] dat deze levensverzekeringen enige, althans slechts een geringe waarde vertegenwoordigden. Gegeven de finale kwijting die partijen blijkens het bepaalde in artikel 5 van het echtscheidingsconvenant aan elkaar verlenen ten aanzien van de verdeling, faalt ook de stelling van mr. [gedaagde] dat [eiseres] ter zake van de levensverzekeringen alsnog verdeling kan vorderen.

Belastingteruggaven

4.14.

Gelet op de brief van de belastingadviseur van 16 oktober 2008, waaruit blijkt dat in de balans van 31 december 2006 mede rekening is gehouden met een aanspraak van [eiseres] op de helft van ontvangen belastingteruggaven, welke aanspraak verrekend is met de vordering die [eiseres] ter zake van belastingaanslagen aan [X] diende te voldoen, passeert de rechtbank de stelling van [eiseres] dat sprake is van een beroepsfout doordat in het echtscheidingsconvenant geen rekening is gehouden met eventuele aanspraken van [eiseres] op belastingteruggaven en de verrekening daarvan.

Pensioen

4.15.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat [eiseres] en [X] in het echtscheidingsconvenant afstand doen van pensioenverevening in de zin van de Wet Verevening Pensioenrechten niet duidt op een tekortkoming van mr. [gedaagde] als advocaat. Als onweersproken staat vast dat geen sprake is geweest van over- en weer opgebouwde pensioenrechten in de zin van die wet. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals mr. [gedaagde] stelt, het bedrag dat gemoeid is met de fiscale oudedagsreserve dient te worden verdisconteerd in de bepaling van de waarde van de v.o.f., welke waarde bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld.

Partner- en kinderalimentatie

4.16.

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat niet in alle gevallen te worden verwacht dat deze zelf een alimentatieberekening maakt. Voor zover [eiseres] anders stelt, faalt deze stelling. In de onderhavige zaak bestond naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanleiding voor het maken van een dergelijke eigen berekening. Gegeven de aangifte 2005 en de balans en winst- en verliesrekening 2005 van de v.o.f. waarover mr. [gedaagde] beschikte en waaruit voorts de resultaten over 2004 blijken, heeft mr. [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de op haar rustende zorgplicht gehandeld door geen jaarstukken over voorgaande jaren op te vragen in verband met de beoordeling van de door [X] opgestelde alimentatieberekening. Bovendien verschillen de resultaten over 2005 en 2004 (over 2004 € 66.359,81 en over 2005 € 63.197,30) naar het oordeel van de rechtbank voorts niet zodanig dat mr. [gedaagde] alleen om die reden de resultaten van voorgaande jaren had moeten opvragen. Gelet op die relatief geringe verschillen faalt ook de stelling van [eiseres] dat sprake is van een tekortkoming van mr. [gedaagde] omdat zij zich ermee verenigd heeft dat [X] in zijn alimentatieberekening is uitgegaan van de resultaten over 2005. Hier komt bij dat [eiseres] beoogde met [X] tot algehele overeenstemming over het echtscheidingsconvenant te komen en wat betreft de partneralimentatie overigens geen beding van niet-wijziging in het echtscheidingsconvenant is opgenomen. Nu in de alimentatieberekening wat betreft de lasten verder is uitgegaan van keuzes die [eiseres] en [X] gedurende hun huwelijk geacht moeten worden gezamenlijk te hebben gemaakt (waaronder de keuzes voor het aangaan van (arbeidsongeschiktheids- en levensverzekeringen) en de lasten van [X] als gevolg van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding buiten beschouwing zijn gelaten, is naar het oordeel van de rechtbank van tekortschieten van mr. [gedaagde] wat betreft de berekening van de alimentatie geen sprake.

4.17.

Naar het oordeel van de rechtbank leiden voorts evenmin de omstandigheden dat geen voorlopige voorzieningen aanhangig zijn gemaakt en dat 1 december 2006 als ingangsdatum van de alimentatieverplichtingen van [X] is gekozen tot de conclusie dat mr. [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de opdracht. De advocaten zijn met elkaar in onderhandeling getreden en gedurende de periode van onderhandeling heeft mr. [gedaagde] er gerechtvaardigd vanuit mogen gaan dat partijen op relatief korte termijn tot overeenstemming zouden komen. Het belang van een snelle echtscheiding heeft zij ook steeds tegenover mr. Van Dooren en mr. Bos benadrukt, terwijl partijen binnen drie maanden nadat [eiseres] opdracht aan mr. [gedaagde] heeft verleend daadwerkelijk tot algehele overeenstemming zijn gekomen. [eiseres] heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit blijkt dat de financiële nood van [eiseres] zodanig hoog was dat, gegeven de gerechtvaardigde verwachting met betrekking tot het bereiken van overeenstemming tussen partijen, niettemin in rechte had moeten worden verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. In aanmerking genomen dat niet vaststaat dat [eiseres] reeds vanaf oktober 2006 huurlasten heeft gehad, nu [eiseres] haar stelling dat dit het geval was in het licht van de betwisting door mr. [gedaagde] niet heeft onderbouwd, kon voorts in redelijkheid worden uitgegaan van 1 december 2006 als ingangsdatum voor de alimentatieverplichtingen van [X] . De enkele omstandigheid dat [eiseres] mr. [gedaagde] heeft gevraagd of zij geld kon lenen van een vriend noopt niet tot een andere conclusie.



Conclusie

4.18. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat mr. [gedaagde] op een aantal punten tekort is geschoten in de nakoming van de opdracht die [eiseres] aan haar heeft verleend.Causaal verband

4.19.

Een vervolgvraag is of sprake is van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen de geconstateerde tekortkomingen en de schade die [eiseres] daardoor heeft geleden. Daarbij dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de thans bestaande feitelijke situatie en de hypothetische situatie indien de betreffende fout niet zou zijn gemaakt. Deze vergelijking laat zich in dit geval kenmerken door beantwoording van de vraag of [eiseres] door de genoemde fouten de kans op een betere uitkomst van de onderhandelingen met [X] , althans, indien deze onderhandelingen niet tot gehele of gedeeltelijke overeenstemming zouden hebben geleid, van een gerechtelijke procedure, is onthouden.

4.20.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat sprake is van het verlies van een kans op een betere uitkomst voor [eiseres] als gevolg van het tekortschieten van mr. [gedaagde] . Vaststaat dat [eiseres] in 2006 geen inkomen uit arbeid had, dat zij na het verlaten van de voormalige echtelijke woning een huurwoning diende te bekostigen en dat zij de dagelijkse verzorging van drie minderjarige kinderen op zich had genomen. Gelet hierop valt niet in te zien dat [eiseres] , indien deugdelijk geïnformeerd en geadviseerd, zou hebben ingestemd met het echtscheidingsconvenant, in ieder geval niet met het bepaalde in de artikelen 3.3 en 3.4 en 3.11 van het convenant gezien de aan die bepalingen verbonden voor haar aanzienlijk nadelige financiële gevolgen. Dit geldt ook indien ervan wordt uitgegaan dat [eiseres] zo spoedig als mogelijk tot een echtscheiding wilde komen en zij, zoals mr. [gedaagde] stelt en [eiseres] betwist, - mogelijk - bereid is geweest om die reden een zekere mate van overbedeling van [X] te aanvaarden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het mede de taak van een advocaat is om een cliënt(e) indien en voor zover nodig in zijn (haar) belang in snelheid te temperen, terwijl het er in de door mr. [gedaagde] gestelde situatie in ieder geval op aankomt dat kenbaar duidelijk is welke nadelen precies worden aanvaard.

4.21.

Voor de vestiging van de aansprakelijkheid van mr. [gedaagde] en daarmee voor toewijsbaarheid van de gevorderde verklaring voor recht is voldoende dat aannemelijk wordt geacht dat sprake is van een verlies van een kans voor [eiseres] . De vragen of en in hoeverre [X] daadwerkelijk meer dan € 100.000,-- ter voldoening van een bedrag ineens aan [eiseres] zou hebben kunnen lenen of een aanvullende hypothecaire geldlening tot zekerheid van voldoening van de vordering van [eiseres] zou hebben kunnen verkrijgen en of [X] hiermee en met rentevergoeding(en) voor [eiseres] zou hebben ingestemd, alsmede wat alsdan de fiscale gevolgen voor [eiseres] zouden zijn geweest (waaronder die voor de heffing in box 3), zo ook wat de uitkomst van de onderhandelingen of een gerechtelijke procedure voor [eiseres] zou zijn geweest indien de lijfrente- en levensverzekeringspolissen zouden zijn opgevraagd, zien naar het oordeel van de rechtbank op het vaststellen van de schade. In dat verband dient een schatting te worden gemaakt van de goede en kwade kansen die [eiseres] zou hebben gehad wanneer haar de kans op een beter resultaat niet was ontnomen. Naar het oordeel van de rechtbank leent de onderhavige procedure, waarin partijen geen, althans onvoldoende gegevens hebben verschaft om deze schatting te kunnen maken en verwijzing naar de schadestaatprocedure is gevorderd, zich niet voor deze vaststelling.

Conclusie

4.22.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht toewijzen, een en ander zoals in het dictum geformuleerd.

Verwijzing schadestaatprocedure

4.23.

Nu de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat sprake is van een verlies van een kans, heeft [eiseres] tevens de mogelijkheid van schade als gevolg van het tekortschieten van mr. [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt. Vragen over bestaan, aard en omvang van de schade en die over de toerekening daarvan aan mr. [gedaagde] dienen naar het oordeel van de rechtbank in de schadestaatprocedure aan de orde te komen. De rechtbank acht zich niet in staat tot begroting van de door mr. [gedaagde] geleden schade en zal de zaak dan ook op de voet van het bepaalde in artikel 612 Rv verwijzen naar de schadestaatprocedure. Aangezien eerst bij de vaststelling van de schade kan worden beoordeeld vanaf welk moment [eiseres] geacht moet worden schade te hebben geleden en derhalve vanaf welk moment mr. [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is, zal de vordering van [eiseres] (thans) in zoverre worden afgewezen.

4.24.

De vordering van [eiseres] om mr. [gedaagde] reeds nu te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 99.000,-- bij wege van gedeeltelijke schadevergoeding zal de rechtbank afwijzen, nu [eiseres] de gestelde schade op geen enkele wijze, ook niet, zoals aangekondigd, ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft onderbouwd. De door [eiseres] gestelde schadepost, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand van mr. [gedaagde] voor zover deze zien op de boedelverdeling en het maken van het echtscheidingsconvenant, dient mede te worden beoordeeld in de schadestaatprocedure.

4.25.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 1 achter b en c BW acht de rechtbank vatbaar voor toewijzing. Naar het oordeel staat als onvoldoende weersproken vast dat in het onderhavige geval is voldaan aan de in genoemde bepalingen vervatte dubbele redelijkheidstoets. Nu de hoogte van de door [eiseres] overgelegde gespecificeerde declaraties niet is betwist, noch de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen ziet de rechtbank, anders dan mr. [gedaagde] heeft gesteld, geen aanleiding om de gevorderde buitengerechtelijke kosten te matigen conform Voorwerk II.

Proceskosten

4.26.

Mr. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,17

- griffierecht 1.436,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.421,00 (1,0 punt × tarief € 1.421,00)

Totaal € 2.949,17

4.27.

Mr. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat mr. [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiseres] in de nakoming van de door [eiseres] aan haar verleende opdracht op de punten zoals overwogen in het lichaam van dit vonnis achter 4.6, 4.7, 4.8, 4.11, 4.12 en 4.13 en dat zij de volledige schade die [eiseres] dientengevolge heeft geleden, dient te vergoeden,

5.2.

veroordeelt mr. [gedaagde] tot vergoeding aan [eiseres] van die schade, op te maken bij staat,

5.3.

veroordeelt mr. [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 7.043,19 inclusief BTW aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de diverse facturen,

5.4.

veroordeelt mr. [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.949,17,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2013.1

1 type: 1772