Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13313

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
C-09-428876 - HA ZA 12-1211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil met betrekking tot de omvang en wijze van uitoefening van een erfdienstbaarheid (afsluiten erf en kostenverdeling). Uitleg vestigingsakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/428876 / HA ZA 12-1211

Vonnis van 4 september 2013

in de zaak van

de stichting

MONUMENTENSTICHTING KASTEEL OUD WASSENAAR,

gevestigd te Wassenaar,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.J.Th. de Bree te Den Haag,

tegen

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS PARK OUD WASSENAAR,

gevestigd te Wassenaar,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P. Rijpstra te Den Haag.

Partijen zullen hierna de Stichting en de VvE genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 oktober 2012, met producties 1 t/m 20,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties 1 t/m 10,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties A t/m P,

  • -

    het tussenvonnis van 9 januari 2013, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

  • -

    de akte overlegging producties 21 t/m 29, tevens wijziging van eis in conventie aan de zijde van de Stichting,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 april 2013, waarbij de voortzetting van de comparitie is bevolen,

  • -

    de schriftelijke reacties op dit proces-verbaal van 17 april 2013 (mr. De Bree) en van 22 april 2013 (mr. Rijpstra),

  • -

    de akte overlegging producties 11 t/m 20 aan de zijde van de VvE,

  • -

    het proces-verbaal van de voortgezette comparitie van 23 mei 2013.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

De Stichting en de VvE hebben gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden gelegenheid om ten aanzien van het proces-verbaal van de comparitie van 2 april 2013 correcties van feitelijke aard door te geven. De rechtbank zal het proces-verbaal lezen met inachtneming van de namens de VvE door mr. Rijpstra gemaakte opmerkingen ter aanvulling van de tekst. De rechtbank neemt de – betwiste – opmerking van mr. De Bree (Stichting) niet over, nu deze niet strookt met de herinnering van de rechtbank.

2 De feiten

2.1.

De Stichting is eigenaar van het perceel gelegen in de gemeente Wassenaar, [sectie], nummer [perceel 1] (perceel [perceel 1]). Op dit perceel ligt een gebouw genaamd Kasteel Oud Wassenaar (hierna: het Kasteel). Het Kasteel is vanaf 1910 in gebruik als horeca-aangelegenheid. Tot aan de jaren 50 was het een hotel-restaurant, nadien fungeerde het als een hotel en ontvangstruimte ten behoeve van de regering. Sinds 1974 zijn de activiteiten beperkt tot de verhuur van zalen ten behoeve van ontvangsten, seminars, feesten en partijen, ook ten behoeve van particulieren.

2.2.

Perceel [perceel 1] wordt omsloten door de in de gemeente Wassenaar, [sectie], gelegen percelen [perceel 2] en [perceel 3](perceel [perceel 2] en perceel [perceel 3]). Deze percelen zijn in eigendom van de gezamenlijke eigenaren van de appartementen Park Oud Wassenaar. De appartementen (verdeeld in vier gebouwen, hierna aangeduid met de letters A t/m D) zijn gelegen op perceel [perceel 2]. Perceel [perceel 3]omvat het parkgedeelte, inclusief een waterpartij. Alle percelen tezamen worden aangeduid als Park Oud Wassenaar.

2.3.

De toegang tot het Kasteel en de appartementsgebouwen wordt aan de noordzijde verkregen vanaf de [straat 1]. Daar bevindt zich de Noordpoort. Gezien vanaf de noordzijde loopt er vervolgens een asfaltweg over perceel [perceel 3]slingerend naar de zuidzijde. Daar bevindt zich de Zuidpoort. Enkele meters na de Zuidpoort loopt de weg door over de erfgrens tussen de percelen met nummer [perceel 4] (in eigendom van de heer [P]) en met nummer [perceel 5] (in eigendom van de heer [Q] en mevrouw [R]). Vanaf de percelen [perceel 4] en [perceel 5] sluit de weg aan op een kruispunt waar de [straat 2], de [straat 3] en de [straat 4] samen komen. Deze weg, vanaf de [straat 1] tot aan de grens van perceel [perceel 3]met de percelen van [P], [Q] en [R], zal hierna worden aangeduid met ‘de Kasteellaan”.

2.4.

In het park loopt vanaf de hiervoor beschreven weg achter de appartementsgebouwen langs een rondweg om de gebouwen B, C en D te ontsluiten. Deze weg bevindt zich merendeels op perceel [perceel 3]en voor een klein gedeelte op perceel [perceel 2]. Tussen het Kasteel en gebouw A is ook een weg aangelegd om toegang te verschaffen tot gebouw A. Deze weg bevindt zich gedeeltelijk op perceel [perceel 3], maar merendeels op perceel [perceel 2]. Op diverse plaatsen langs deze rondweg en naast het Kasteel zijn parkeerplaatsen aangelegd. Deze parkeerplaatsen bevinden zich op perceel [perceel 3]. De parkeerplaatsen aan de toegangsweg richting gebouw A bevinden zich op perceel [perceel 2]. Aan de voorzijde van het Kasteel bevinden zich op perceel [perceel 1] zes parkeerplaatsen.

2.5.

De bestaande situatie is in een tekening weergegeven:

2.6.

Bij notariële akte van 14 juli 1975 zijn ten behoeve en ten laste over en weer van de percelen [perceel 2], [perceel 1] en [perceel 3]onder meer de navolgende erfdienstbaarheden gevestigd:

“1. ten nutte van voormeld Kasteel Oud Wassenaar, kadastraal bekend alsvoren, nummer [perceel 1], als heersend erf en ten laste van het hiervoor sub b omschreven onroerende goed, kadastraal bekend alsvoren nummer [perceel 3], als lijdend erf, de erfdienstbaarheid van weg om te gaan naar en te komen van de [straat 2] en de [straat 1], over de bestaande weg, de Kasteellaan, zo te voet als met auto’s of een ander vervoermiddel en deze auto’s of andere vervoermiddelen te parkeren op de daartoe kennelijk bestemde gedeelten, aangelegd als parkeerplaats.

De kosten van het onderhoud van de weg en de parkeerplaats komen ten laste van de eigenaar van gemeld perceel nummer [perceel 1], voor de helft en ten laste van de eigenaar van gemeld perceel nummer [perceel 3], voor de wederhelft.

(…)

5. ten nutte van gemeld Kasteel Oud Wassenaar, kadastraal bekend alsvoren nummer [perceel 1] als heersend erf en ten laste van het hiervoor sub b omschreven onroerend goed kadastraal bekend alsvoren nummer [perceel 3]als lijdend erf, de erfdienstbaarheid om over het lijdend erf te mogen wandelen, met dien verstande dat de bezoekers van het heersend erf uitsluitend zullen mogen wandelen op de groenstrook gelegen tussen onder 1 vermelde weg, lopend over het lijdend erf, en de vijver, deel uitmakende van het lijdend erf.”

2.7.

De bouw van de vier appartementsgebouwen is kort na voormelde akte gerealiseerd.

2.8.

Bij besluit van 22 juli 2005 is het complex Park Oud Wassenaar, omschreven als de historische buitenplaats Oud Wassenaar, met landhuis, historische tuin- en parkaanleg en voormalige dienstwoning en pergola aan de Schouwweg, aangewezen als beschermd monument in de zin de van Monumentenwet.

2.9.

Tussen [P], [Q] en [R] enerzijds en de Stichting, de B.V. Exploitatie Kasteel Oud Wassenaar en de VvE anderzijds is geprocedeerd over de vraag of op de percelen van eerstgenoemden (dat wil zeggen aan de zuidzijde van het park) een erfdienstbaarheid van weg rustte ten laste van de percelen van laatstgenoemden. De rechtbank oordeelde bij vonnis van 11 juli 2007 dat dit zo was en heeft de vorderingen tot opheffing en wijziging van de erfdienstbaarheid afgewezen. In zijn arrest van 6 december 2011 heeft het hof ’s-Gravenhage dit vonnis bekrachtigd. Daarbij heeft het ondermeer overwogen:

“3.12 Uit de hiervoor aangehaalde rechterlijke uitspraken en de daaraan ten grondslag liggende adviezen, inclusief het aangehaald ambtsbericht, volgt naar het oordeel van het hof dat het Pad als onderdeel van de oprijlaan/Kasteellaan wel degelijk een of dé hoofdingang naar de Villa was (…).

3.16 Indien al moet worden aangenomen dat thans zou moeten worden geoordeeld dat Monumentenstichting Kasteel Oud Wassenaar geen redelijk belang heeft bij de erfdienstbaarheid, waarvoor op zichzelf al onvoldoende aanwijzing bestaat, wordt door [P] c.s. niet gemotiveerd gesteld dat niet aannemelijk is dat een redelijk belang van Monumentenstichting Kasteel Oud Wassenaar bij de erfdienstbaarheid niet zou kunnen terugkeren. De enkele omstandigheid dat de Villa ook bereikbaar is via de [straat 1] en een recht van erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van de Vereniging van Eigenaars bestaat is daarvoor niet toereikend. De vordering stuit daarop al af.

Ten overvloede overweegt het hof dat de Villa nu al een eeuw lang een horecabestemming heeft. Het is aannemelijk dat ten behoeve van de exploitatie van een horecaonderneming of ten behoeve van de verhuur van de Villa aan een horecaonderneming, Monumentenstichting Kasteel Oud Wassenaar er een redelijk belang bij heeft dat de Villa niet alleen bereikbaar is via de [straat 1] maar ook via het Pad, zulks ook met het oog op bereikbaarheid bij calamiteiten. Het hof neemt daarbij in overweging dat, zoals ook blijkt uit de door [P] c.s. en de Vereniging van Eigenaars overgelegde afdrukken van de website van Exploitatie Kasteel Oud Wassenaar, de monumentale uitstraling van de Villa bijdraagt aan het exploitatieresultaat van een daar uitgebate horecaonderneming. Die monumentale uitstraling wordt ook voor arriverende horecagasten het best benadrukt bij binnenkomst over het Pad. Dit commercieel belang van Monumentenstichting Kasteel Oud Wassenaar c.s. weegt in de omstandigheden van het geval zwaarder dan de belangen van [P] c.s. bij bescherming van hun privacy en het voorkomen van hinder door passerend verkeer. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de woning van [Q] c.s. op tamelijk ruime afstand van het Pad is gelegen en daarvan is afgescheiden door een hekwerk en beplanting. De woning van [P] ligt veel dichter aan het Pad maar is daarvan eveneens nog steeds gescheiden door een hekwerk en een grond met beplanting (…).

3.18 (...) In zoverre het verkeer dat van het Pad gebruik maakt dat niet doet in verband met het in de Villa geëxploiteerde horecabedrijf is geen sprake van gebruik van de erfdienstbaarheid maar van gebruik zonder recht of titel. Dat valt buiten het bestek van deze procedure. Voor zover het verkeer van het Pad gebruik maakt om bij de Villa te komen is sprake van gebruik van de erfdienstbaarheid ten behoeve van het heersende erf – en het aldaar sinds 1910 geëxploiteerde horecabedrijf – en valt dat onder de erfdienstbaarheid. Dat het aantal gemotoriseerde verkeersbewegingen ten behoeve van de Villa sinds 1910 zal zijn gestegen, wil het hof aannemen maar dat brengt, zonder nadere, niet gestelde omstandigheden, niet maar dat sprake is van zodanige verzwaring van en hinder door de erfdienstbaarheid dat die er toe zou moeten leiden dat het hof voor recht verklaart dat alleen nog de bewoners van de van de appartementen van de Vereniging van Eigenaars en de bestuurders van Monumentenstichting Kasteel Oud Wassenaar c.s. van het Pad gebruik zouden mogen maken. Dat zou, in ieder geval ten opzichte van Monumentenstichting Kasteel Oud Wassenaar c.s. een te grote beperking betekenen ten opzichte van de erfdienstbaarheid zoals die vanaf 1910 ten behoeve van de Villa heeft bestaan.”

Dit arrest is onherroepelijk geworden.

2.10.

Op 17 januari 2008 is aan de VvE een monumentenvergunning verleend voor het wijzigen van de toegangspoorten en het plaatsen van een hekwerk en het daarbij aanleggen van een hellingbaan op monument Buitenplaats Oud Wassenaar. Naar aanleiding van het door de Stichting hiertegen ingestelde beroep heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 13 juni 2012 een tussenuitspraak gedaan en bepaald dat het college van B&W een herstelbeslissing diende te nemen. B&W heeft hieraan gevolg gegeven in een herstelbesluit van 10 juli 2012. In dat besluit is het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van deze uitspraak hebben wij het volgende besloten:

(…)

2. De van rechtswege verleende monumentenvergunning wordt gewijzigd in die zin dat daaraan het volgende voorschrift wordt toegevoegd:

- Aan de toegangshekken in de Noordpoort zal geen handmatig of automatisch te bedienen slot worden aangebracht.

- Aan de toegangshekken in de Zuidpoort mag een automatisch te bedienen slot worden aangebracht en in stand gehouden, mits de eigenaar en/of exploitant(en) van het Kasteel toegang krijgen door het benodigde aantal mobiele telefoonnummers op te slaan in de GSM-unit die wordt gekoppeld aan de entreehekken in de Zuidpoort.

- De voetgangers- en fietsershekken in zowel de Noordpoort als de Zuidpoort worden niet afgesloten.”

In de bij het besluit behorende overwegingen is voor zover relevant opgenomen:

“Een en ander in samenhang bezien zijn wij van oordeel dat de route over de [straat 1] langs de Noordpoort moet worden beschouwd als hoofdtoegangsroute naar het Kasteel. Dit is van belang bij de beoordeling van de beperking die de entreehekken meebrengen voor de exploitatie het Kasteel. (…)

De VvE heeft verklaard de entreehekken op de hierna te volgen wijze te willen gebruiken om ongewenst sluipverkeer tegen te gaan, maar niettemin een zo eenvoudig mogelijke toegang tot het Kasteel te verschaffen aan de eigenaar, exploitant(en) en bezoekers van het Kasteel.

In de Noordpoort zullen handbediende hekken worden geplaatst, waarop geen slot zal worden aangebracht. Deze hekken zullen dus in beginsel te allen tijde open (kunnen) staan en kunnen zo nodig op eenvoudige wijze door een ieder worden geopend. (…)

De Zuidpoort zal voor autoverkeer worden afgesloten doordat de hekken automatisch worden gesloten. De VvE zal aan de eigenaar en/of exploitant(en) van het Kasteel toegang bieden door een aantal mobiele telefoonnummers op te slaan in een zogenoemde GSM unit, die na herkenning van dat nummer vanuit het systeem automatisch de hekwerken zal openen. Het voetgangers- en fietsershek is handbediend en zal derhalve niet kunnen worden afgesloten.

Indien de toegangshekken op de hiervoor beschreven wijze worden gebruikt, zijn wij van oordeel dat de toegang tot het Kasteel slechts in zeer beperkte mate wordt bemoeilijkt en dat de belangen van het Kasteel bij de exploitatie van de horecafunctie daarom niet onevenredig wordt geschaad. Hierbij achten B&W van belang dat de hoofdtoegangsroute via de Noordpoort te allen tijde ongehinderd beschikbaar blijft. De tweede toegangsroute via de Zuidpoort blijft ook beschikbaar, zij het dat eerst toegang kan worden verschaft na het bellen naar de GSM unit. Wij zien echter niet in dat de exploitatie van de horecafunctie van het Kasteel daardoor onevenredig wordt beperkt of geschaad. Bovendien worden bezoekers en leveranciers ook in de bestaande situatie al door de bewegwijzering aangespoord om de hoofdtoegangsroute via de Noordpoort te gebruiken. Deze situatie zal dus worden gehandhaafd.”

Bij uitspraak van 21 november 2012 heeft de Afdeling het door de Stichting tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.11.

Bij afzonderlijke besluiten van 18 april 2012 heeft de gemeente Wassenaar omgevingsvergunningen verleend voor het restaureren van de Zuidpoort respectievelijk de Noordpoort.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De Stichting vordert na eiswijziging – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A)

Primair

Verwijdering van de navolgende borden en voorzieningen, die de uitoefening (kunnen) belemmeren van de aan de Stichting toekomende erfdienstbaarheid van weg, daaronder begrepen het recht van parkeren, op het perceel F [perceel 3], alsmede van de erfdienstbaarheid van het recht van wandelen op het perceel F [perceel 3]inclusief de strook grond gelegen ten zuiden van de gehele Kasteellaan:

1) De aan de eerste lantaarnpaal vanaf het kruispunt [straat 3]/[straat 2] in de rechter berm van de Kasteellaan boven elkaar bevestigde twee borden, te weten een geel bord met zwart opschrift: “GEEN doorgang opgebroken weg”, en daaronder een wit bord met het opschrift: “Park en kasteel via [straat 1] te voet: ook [straat 2]”.

2) Het zich links van de Kasteellaan ter hoogte van het einde van het perceel F [perceel 4] ([P]) bevindende licht blauwe bord met wit opschrift: “verboden toegang art. 461 wetb. v. Strafrecht”.

3) Het zich rechts van de Kasteellaan in het gras op enige afstand voor de zuidelijke toegangspoort bevindende recent geplaatste witte verticaal langwerpige bord met meerdere teksten: “privé terrein” en “15” en “toegang uitsluitend voor bewoners park” en “camera-bewaking” en “verboden toegang voor onbevoegden art. 461 wetb. v. Strafrecht”.

4) het aan de lantaarnpaal die zich kort na de lus in de Kasteellaan bij het gebouw A van de VvE bevindt aan de rechterzijde van de Kasteellaan, gezien in de richting van de zuidelijke ingang van het Kasteel en park, bevestigde gele bord met in zwarte letters het opschrift: “GEEN doorgang opgebroken weg”.

5) het zich aan het begin van de lus in de Kasteellaan bij het gebouw A van de VvE aan de linkerzijde, gezien in de richting van het gebouw A, bevindende witte bord met de opschriften: “eigen terrein” en “uitgezonderd bewoners appartementen”.

6) het kort voor de eerste serie parkeerplaatsen aan de linkerzijde van de lus in de Kasteellaan, gezien in de richting van het gebouw C van de VvE, geplaatste bord met een “P” en het opschrift “flats 17 t/m 31”.

7 en 8) de kort voor de tweede serie parkeerplaatsen aan de linker- respectievelijk rechterzijde van de lus in de Kasteellaan, gezien in de richting van het gebouw C respectievelijk B van de VvE, geplaatste borden met een “P”en het opschrift “flats 32 t/m 46”.

9) het aan de linkerzijde bij het begin van de lus in de Kasteellaan, aan de zijde van de [straat 1] geplaatst wit bord met de opschriften “eigen terrein” en het bord met “uitgezonderd voor bewoners appartementen”.

10) het aan de rechterzijde van de [straat 1] kort voor de noordelijke toegangspoort naar het Kasteel en het park, gezien in de richting van de Kasteellaan, geplaatst in verticale richting langwerpig wit bord met de opschriften “eigen terrein”, en “15” en “toegang uitsluitend voor bewoners park en kasteel” en “camera-bewaking” en “verboden toegang voor onbevoegden art. 461 wetb. v. Strafrecht”.

11) de tussen de noordelijke toegangspoorten aan de zijde van de [straat 1] bevestigde afsluitbare toegangshekken met toebehoren waaronder bevestigingsvoorzieningen aan de gemetselde pilaren en in het wegdek.

12) de tussen de zuidelijke toegangspoorten aan de kant van de [straat 3] / [straat 2] bevestigde afsluitbare toegangspoorten met alle toebehoren waaronder de met motoren aangedreven sluitarmen, de desbetreffende motoren, elektrische voorzieningen, sturingskast, fotocel, kabels, bevestigingsvoorzieningen aan de gemetselde pilaren en voorzieningen in het wegdek.

13) de tussen de pilaren van de zuidelijke toegangspoort aan de kant van de [straat 3] / [straat 2] met zwarte klinkers recent aangebrachte verkeersdrempel, en

14) het houten hekwerk dat als enige met dwarsverbindingen langs de zuidelijke zijde van de Kasteellaan ter hoogte van het grasveld voor het Kasteel een echt obstakel vormt.

Zulks op verbeurte aan de Stichting van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke zal zijn bij het volledig voldoen aan het vonnis met een maximum van € 30.000,-.

Subsidiair

Om, na een periode van dertig dagen na het verbeuren van de eerste dwangsom als onder het primair gevorderde bedoeld, te gehengen en gedogen dat de Stichting alle onder A) Primair sub 1 t/m 14 genoemde borden en voorzieningen, zal (doen) verwijderen en de Stichting te machtigen om tot de uitvoering hiervan desnoods de hulp van de sterke arm in te roepen en tot de betaling aan de Stichting van alle kosten die met de opheffing van alle belemmeringen gepaard gaan.

B)

Zich in de toekomst te onthouden van elke activiteit die een belemmering inhoudt van de uitoefening van de aan de Stichting toekomende erfdienstbaarheden, zoals het plaatsen van borden, het plaatsen van toegangshekken, drempels, opklapbare en afsluitbare paaltjes en dergelijke, het zelf of middels fysiek of anderszins verhinderen van de uitoefening van de erfdienstbaarheden, zulks onder verbeurte aan de Stichting van een dwangsom van € 10.000,- voor elke overtreding en van € 10.000,- voor elke dag of een gedeelte daarvan dat een overtreding voortduurt.

C)

Te gehengen en gedogen dat de Stichting ook in de toekomst alle objecten en/of voorzieningen zal (doen) verwijderen die de uitoefening belemmeren van de aan de Stichting toekomende erfdienstbaarheid van weg en de Stichting tot het uitvoeren hiervan te machtigen om desnoods de hulp van de sterke arm in te roepen en tot de betaling aan eiseres van alle kosten die met de opheffing van de belemmeringen gepaard gaan, en

D)

Tot betaling aan de Stichting van de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

De Stichting legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Aan de Stichting is bij akte van 14 juli 1975 een recht van erfdienstbaarheid verleend ten laste van de VvE met betrekking tot het gebruik van de weg en de parkeerplaatsen gelegen op perceel [perceel 3], alsmede het recht om te mogen wandelen (hierna: het wandelrecht) over het grasveld gelegen voor het Kasteel tot aan de vijver. Onder het gebruik is mede begrepen het gebruik door bezoekers (gasten) van het Kasteel. De Stichting is van mening dat zij in de uitoefening van de haar toekomende rechten wordt belemmerd door de VvE, nu deze diverse borden, hekken en dergelijke heeft geplaatst.

3.3.

De VvE voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De VvE vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van de Stichting tot betaling van € 35.544,61, vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

De VvE legt aan haar vordering ten grondslag dat zij ten behoeve van de weg, inclusief parkeerplaats, waarop de erfdienstbaarheid rust kosten van onderhoud heeft gemaakt. De kosten dienen overeenkomstig de akte van vestiging voor de helft vergoed te worden door de Stichting.

3.6.

De Stichting voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De door partijen in conventie en reconventie opgeworpen geschilpunten hebben betrekking op de omvang en wijze van uitoefening van de tussen hen geldende erfdienstbaarheden, namelijk de erfdienstbaarheid van weg en het recht tot gebruik van de groenstrook. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheden en vervolgens op de verdeling van de kosten.

De erfdienstbaarheid van weg

- gebruik parkeerplaatsen

4.2.

Tussen partijen is onder meer in geschil van welke op het Park Oud Wassenaar gelegen parkeerplaatsen de bezoekers van het Kasteel gebruik mogen maken. Op het Park bevinden zich de volgende parkeerplaatsen:

  • -

    a) 6 parkeerplaatsen aan de voorkant (zuidzijde) van het Kasteel op perceel [perceel 1];

  • -

    b) 29 parkeerplaatsen naast de gevel (oostzijde) van het Kasteel (20 parkeerplaatsen zijn gelegen op perceel [perceel 3]; 9 parkeerplaatsen bevinden zich formeel op perceelnummer [perceel 6], maar vormen feitelijk onderdeel van het Park; in de tekening opgenomen onder 2.5 wordt perceel [perceel 6] niet apart vermeld, maar beschouwd als onderdeel van perceel [perceel 3]);

  • -

    c) 39 parkeerplaatsen langs de rondweg bij de gebouwen B, C en D op perceel [perceel 3];

  • -

    d) 8 parkeerplaatsen aan de weg bij gebouw A op perceel [perceel 2].

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de 6 parkeerplaatsen op perceel [perceel 1] in eigendom zijn van de Stichting. Ook is niet in geschil dat de Stichting ten behoeve van de bezoekers van het Kasteel gebruik kan maken van de 29 parkeerplaatsen naast de gevel van het Kasteel op perceel [perceel 3](met inbegrip van perceel [perceel 6]). Het geschil tussen partijen met betrekking tot de parkeerplaatsen beperkt zich dan ook tot het gebruik van de rondweg en toegangsweg naar gebouw A en de daarlangs gelegen parkeerplaatsen genoemd onder (c) en (d).

4.4.

Voor de vraag welke rechten en verplichtingen uit een erfdienstbaarheid voortvloeien en voor de wijze waarop deze uitgeoefend moet worden, is beslissend de akte van vestiging van 14 juli 1975 waarin de erfdienstbaarheid werd gevestigd. Bij de uitleg van de vestigingsakte komt het daarbij aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele akte.1

4.5.

De Stichting heeft betoogd dat voordat de gronden in 1975 werden gesplitst om de bouw van de appartementen mogelijk te maken, het toenmalige hotel de beschikking had over een garage voor 20 auto’s. Dat was in elk geval de situatie rond 1930. Voor het overige konden auto’s op het terrein parkeren. Volgens de Stichting heeft de toenmalige eigenaar mr. [toenmalige eigenaar] in 1975 met de erfdienstbaarheid willen waarborgen dat het sinds 1910 bestaande horecabedrijf normaal zou kunnen blijven functioneren en daarom zoveel mogelijk parkeerplaatsen ten behoeve van het Kasteel binnen de grenzen van het park willen houden. De Stichting wijst er daarbij op dat het destijds de bedoeling was dat het Kasteel als (horeca)bedrijf diensten zou verlenen aan de appartementen. Na een procedure tussen de VvE en projectontwikkelaar MAVOB (Maatschappij Voorbereiding Bouwprojecten B.V.) is de service-overeenkomst die daarin voorzag, ontbonden. Daarnaast heeft de Stichting er op gewezen dat zich onder de appartementsgebouwen parkeergarages bevinden en elk appartement dus al over een parkeerplaats beschikt. Daaruit volgt, aldus de Stichting, dat de parkeerplaatsen aan de rond- en toegangsweg bedoeld zijn voor de bezoekers van zowel de appartementen als het Kasteel.

4.6.

De rechtbank verwerpt het betoog van de Stichting. Zoals de VvE met juistheid heeft betoogd, waren ten tijde van het opstellen van de vestigingsakte de appartementsgebouwen en de rond- en toegangsweg nog niet aangelegd. De in de vestigingsakte onder II.a gegeven omschrijving van perceel [perceel 3]: “een perceel park, weg en water” heeft derhalve uitsluitend betrekking op de toen bestaande weg: de Kasteellaan en niet op de later aangelegde rond- en toegangsweg. Dat blijkt ook uit de in de akte onder 1. opgenomen beschrijving van de erfdienstbaarheid van weg: “om te gaan naar en te komen van de [straat 2] en de [straat 1], over de bestaande weg, de Kasteellaan”. Anders dan de Stichting heeft betoogd, blijkt derhalve uit de akte van vestiging dat de erfdienstbaarheid betrekking heeft op de toen bestaande situatie en niet op de situatie zoals die zou zijn gerealiseerd na de bouw van de appartementen. Dat betekent dat ook de daaropvolgende beschrijving van de erfdienstbaarheid: het recht “om te mogen parkeren op de daartoe kennelijk bestemde gedeelten, aangelegd als parkeerplaats”, betrekking heeft op de toen bestaande situatie. Uit de woorden “kennelijk bestemde” en “aangelegd als” blijkt bovendien dat niet beoogd is mee te nemen de door de Stichting omschreven situatie dat buiten de parkeerplaats om op het terrein werd geparkeerd, maar dat bedoeld is de aangelegde parkeerplaats (enkelvoud) die, zo volgt uit de niet weersproken stellingen van de VvE, ten tijde van de vestigingsakte direct naast het Kasteel lag aan de oostzijde, op dezelfde locatie waar zich thans ook de parkeerplaatsen genoemd onder (b) bevinden. Bij de hiervoor gegeven uitleg van de vestigingsakte neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de onder (d) genoemde parkeerplaatsen zijn gelegen op perceel [perceel 2] en dat de onder (c) genoemde parkeerplaatsen voor een deel (het betreft de parkeerplaatsen gelegen aan de noordzijde tussen de gebouwen B en C) niet anders te bereiken zijn dan over perceel [perceel 2], terwijl de erfdienstbaarheid van weg uitsluitend betrekking heeft op perceel [perceel 3]. Deze parkeerkeerplaatsen moeten ook reeds om die reden uitgesloten worden geacht van de erfdienstbaarheid. Ook daarin ziet de rechtbank bevestigd dat de erfdienstbaarheid uitsluitend betrekking had op de toen bestaande weg en parkeerplaats gelegen naast het Kasteel. Voor een andersluidend standpunt, namelijk dat een deel van de langs de rond- en toegangsweg gelegen parkeerplaatsen wel en een deel niet tot de erfdienstbaarheid van weg zou behoren, valt in de akte immers geen enkele steun te vinden.

4.7.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de in de vestigingsakte vastgelegde erfdienstbaarheid van weg zich niet uitstrekt over de rond- en toegangsweg naar de appartementsgebouwen en de daaraan gelegen parkeerplaatsen, maar uitsluitend betrekking heeft op de Kasteellaan, zijnde de weg die van de [straat 1], voor het Kasteel langs, naar de percelen van [P], [Q] en [R] loopt. Dat betekent dat het op grond van de erfdienstbaarheid van weg aan de Stichting en de bezoekers van het Kasteel niet is toegestaan gebruik te maken van de parkeerplaatsen aan de rond- en toegangsweg. Dat betekent ook dat de VvE niet gehinderd kan worden in het plaatsen van borden aan het begin van de rond- en toegangsweg met de tekst “eigen weg” en parkeervakaanduiding. De vorderingen onder A) primair, 5 t/m 9 zullen daarom worden afgewezen.

- gebruik toegangspoorten

4.8.

Tussen de VvE (de appartementseigenaren), [P], [Q] en [R] en de Stichting bestaat al geruime tijd discussie over het afsluiten van de weg aan de Noord- en Zuidzijde van de weg waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd. De kwestie is in verschillende procedures, zowel bestuursrechtelijke als civielrechtelijke, aan de orde gesteld. In de onderhavige procedure betoogt de Stichting dat de weg vrij toegankelijk moet zijn voor haar, haar leveranciers en haar gasten in het belang van de uitoefening van het horecabedrijf. Kern van het betoog van de VvE is dat zij overlast ondervinden van het gebruik van de weg door de gasten. Bij evenementen komen deze in grote getale het park op, terwijl daar onvoldoende parkeerruimte is. Daarnaast ondervinden de parkbewoners hinder van onbevoegd gebruik van de weg door derden.

4.9.

Voor de beoordeling van onderhavig geschilpunt is in de eerste plaats de vestigingsakte relevant. Volgens deze akte staat de erfdienstbaarheid van weg het gebruik toe om te gaan naar en te komen van de [straat 2] en de [straat 1]. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze bewoordingen niet anders volgen dan dat de weg in beide richtingen mag worden gebruikt. Uit de verdere bewoordingen, namelijk dat het gebruik is toegestaan voor voetgangers, auto’s of andere vervoermiddelen, leidt de rechtbank bovendien af dat de erfdienstbaarheid van weg niet – zoals de VvE stelt – na de Zuidpoort afbuigt via het Kerkepad (zie tekening onder 2.5), maar doorloopt tot aan de percelen van [P], [Q] en [R]. Vast staat immers dat het Kerkepad een voetpad betrof, terwijl de erfdienstbaarheid uitdrukkelijk autoverkeer noemt, hetgeen alleen mogelijk is over de weg vanaf de Zuidpoort naar de percelen van [P], [Q] en [R]. In de procedure tussen [P], [Q] en [R] enerzijds en de VvE en de Stichting anderzijds heeft het hof in zijn arrest van 6 december 2011, onder 3.12 (slot), in vergelijkbare zin geoordeeld. De akte staat derhalve een onbelemmerd gebruik toe van beide ingangen in twee rijrichtingen. Daarbij kent de akte geen enkele beperking voor bezoekers, hetgeen ook voor de hand ligt, nu het Kasteel ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid in 1975 reeds vele jaren een horecagelegenheid was en die status in de toekomst zou behouden. Voor de beoordeling van onderhavig geschilpunt heeft echter ook als uitgangspunt te gelden dat de eigenaar van het dienend erf bevoegd is om zijn erf af te sluiten (art. 5:48 BW), mits hij ervoor zorg draagt dat de eigenaar van het heersende erf onbelemmerde toegang houdt, in die zin dat hij zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienende de toegang kan verschaffen tot dat erf ter uitoefening van zijn erfdienstbaarheid (HR 23 juni 2006, NJ 2006, 352).

4.10.

Feitelijk is de situatie thans zo dat de VvE op grond van de aan haar verleende monumentenvergunning (zie onder 2.10) tussen de noordelijke en zuidelijke toegangspoorten afsluitbare toegangshekken met toebehoren heeft aangebracht en aan de zuidkant bovendien een verkeersdrempel heeft aangelegd. De Stichting vordert de verwijdering daarvan. De rechtbank wijst de vorderingen (onder A) primair, 11 en 13) af en vordering (onder A primair, 12 gedeeltelijk toe. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

A) Met betrekking tot de toegangshekken aan de Noordpoort geldt dat daarop geen slot is aangebracht, dat deze te allen tijde open (kunnen) staan en zo nodig op eenvoudige wijze door een ieder kunnen worden geopend. Naar het oordeel van de rechtbank behoudt de Stichting door deze wijze van afsluiten een onbelemmerde toegang en kan de VvE daarom niet van deze wijze van erfafsluiting worden afgehouden.

Met betrekking tot de toegangshekken aan de Zuidpoort geldt dat daarop conform de monumentenvergunning wel een (automatisch) slot is aangebracht, waardoor de toegang vanaf de Zuidpoort voor autoverkeer is afgesloten. Toegang dient volgens de monumentenvergunning te worden verleend door aan de Stichting de mogelijkheid te geven een aantal mobiele telefoonnummers op te slaan in een GSM unit, waarmee de hekken automatisch geopend kunnen worden. Dit systeem leidt er echter toe dat slechts een gelimiteerd aantal – door de Stichting op te geven – kenbare personen van de zuidelijke toegangspoort gebruik kunnen maken. De rechtbank is van oordeel dat op deze wijze de Stichting niet de onbelemmerde toegang behoudt voor haar en haar bezoekers, zodat de afsluitende voorziening in strijd is met de aan de Stichting verleende erfdienstbaarheid van weg.

Het huidige toegangssysteem aan de Zuidpoort moet derhalve door de VvE worden gewijzigd. De rechtbank ziet echter, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in dat de onbelemmerde toegang uitsluitend zou kunnen worden bereikt door volledige verwijdering van de huidige inrichting (toegangshekken met toebehoren) zoals door de Stichting gevorderd. Het ligt voor de hand dat ook op minder ingrijpende wijze een geoorloofd resultaat kan worden bereikt. In elk geval dient het GSM-systeem buiten werking te worden gesteld, zodat de bezoekers van het Kasteel zich ongehinderd toegang kunnen verschaffen tot het Kasteel. De rechtbank zal daarom toewijzen de vordering tot verwijdering van de in de Zuidpoort aangebrachte met motoren aangedreven sluitarmen, de desbetreffende motoren, electrische voorzieningen, sturingskast, fotocel, kabels, bevestigingsvoorzieningen aan de gemetselde pilaren en voorzieningen in het wegdek, voor zover deze toebehoren de onbelemmerde doorgang van de bezoekers van het Kasteel feitelijk beletten. Voldoende is dat zodanige maatregelen worden getroffen dat de Stichting en de bezoekers van het Kasteel onafhankelijk, zonder medewerking van de VvE zichzelf toegang kunnen verschaffen via de Zuidpoort.

C) Met betrekking tot de bij de Zuidpoort aangelegde verkeersdrempel geldt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze in de weg staat aan een onbelemmerde toegang tot het Kasteel.

- gebruik verbodsborden

4.11.

In het verlengde van de discussie over het afsluiten van het erf, ligt de discussie over de plaatsing van diverse verbodsborden aan de zuidkant, ter hoogte van het kruispunt [straat 2], de [straat 3] en de [straat 4] en aan de noordkant bij de [straat 1]. Daarover het volgende.

4.12.

De Stichting vordert aan de noordkant en bij de rondweg verwijdering van de borden met de navolgende tekst:

  1. “GEEN doorgang opgebroken weg”

  2. “eigen terrein”, “15”, “toegang uitsluitend voor bewoners park en Kasteel”

  3. “camera-bewaking”

  4. “verboden toegang voor onbevoegden art. 461 wetb. v. Strafrecht”

Aan de zuidkant vordert de Stichting verwijdering van de borden met de tekst:

“GEEN doorgang opgebroken weg”

“Park & Kasteel via [straat 1] Te voet: ook [straat 2]”

licht blauw bord: “verboden toegang art. 461 wetb. v. Strafrecht”

“privé terrein”, “15”, “toegang uitsluitend voor bewoners park”

“camerabewaking”

“verboden toegang voor onbevoegden art. 461 wetb. v. Strafrecht”

4.13.

De Stichting legt aan haar vordering ten grondslag dat de tekst van deze borden in strijd is met de aan haar verleende erfdienstbaarheid van weg. De VvE bestrijdt dit en stelt dat zij belang heeft bij de borden om sluipverkeer tegen te gaan.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de eigenaar van het dienende erf niet het recht worden ontzegd om borden te plaatsen op zijn terrein, tenzij de eigenaar daarmee misbruik maakt van zijn bevoegdheid, onrechtmatige hinder toebrengt of de eigenaar van heersende erf beperkt in zijn rechten met betrekking tot de erfdienstbaarheid. Tegelijkertijd geldt dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwaarlijke wijze moet geschieden (art. 5:74 BW). Zoals hiervoor is overwogen moet de VvE aan de Stichting en haar bezoekers de onbelemmerde toegang verschaffen tot het Kasteel. Met het oog daarop is de rechtbank van oordeel dat de borden met de tekst “toegang uitsluitend voor bewoners park” (onder 4.12 (b) en (h)) en met de tekst “Park & Kasteel via [straat 1] Te voet: ook [straat 2]” (onder 4.12 (f) daarmee in strijd zijn en derhalve moeten worden verwijderd. De tekst doet immers geen recht aan de situatie dat de weg een ontsluitingsfunctie heeft voor zowel de bewoners van het Park als de bezoekers van het Kasteel. Overigens moet dan wel vast staan dat de VvE het onder 4.12 (f) genoemde bord (al dan niet met toestemming van [P]) heeft geplaatst. Zo niet dan zal aan [P] verzocht moeten worden om het bord van zijn perceel af te halen.

4.15.

Ten aanzien van de overige borden, genoemd onder 4.12 (b), (c), (d), (g), (h), (i) en (j) kan niet worden gezegd dat deze de erfdienstbaarheid belemmeren, nu de strekking van deze borden slechts is dat het hier om eigen terrein gaat en dat op dat terrein camerabewaking aanwezig is en een snelheidsbeperking geldt. De rechtbank kan zich voorstellen dat door het veelvuldig gebruik van borden bij de toegang de erfdienstbaarheid enige hinder ondervindt, maar dat brengt nog niet mee dat de hinder onrechtmatig is. Een passende oplossing zou zijn om expliciet te vermelden dat naast de bewoners van het Park ook de bezoekers van het Kasteel van de weg gebruik mogen maken. De rechtbank passeert de stelling van de Stichting dat de weg mogelijk een openbare weg is. In het licht van de vestigingsakte en de overgelegde stukken uit de eerdere gerechtelijke procedures met partijen waarin onbetwist tot uitgangspunt is genomen dat de weg behoort tot het perceel [perceel 3]dat in particulier eigendom is, acht de rechtbank deze – door de VvE gemotiveerd betwiste – stellingname onvoldoende onderbouwd.

4.16.

De borden onder (a) en (e) moeten wel worden verwijderd. Uit de stukken en de toelichting ter comparitie blijkt namelijk niet dat de weg is opgebroken, waardoor het Kasteel onbereikbaar is, maar dat sprake is van slecht wegdek. Aldus wordt aan de bezoekers van het Kasteel ten onrechte medegedeeld dat er geen doorgang is, hetgeen een ontoelaatbare belemmering vormt voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid.

4.17.

De rechtbank merkt over de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg ten slotte op dat veel klachten van de VvE over het gebruik van de weg berusten op de zorg om de verkeersveiligheid. In dat verband overweegt de rechtbank dat met het oog op de regel dat aan de eigenaar van het dienende erf niet meer overlast mag worden aangedaan dan redelijkerwijs voor een behoorlijke uitoefening van het recht noodzakelijk kan worden geacht en de door de Stichting te betrachten maatschappelijke zorgvuldigheid, deze zorg en verantwoordelijkheid ook op de Stichting rust, met name ten aanzien van het gebruik van de weg door haar bezoekers. De Stichting heeft, mede omwille van de verkeersveiligheid, ter zitting aangegeven dat zij bussen geen gebruik laat maken van de toegang aan de Zuidpoort, maar verwijst naar de [straat 1]. De rechtbank overweegt dat het ter voorkoming van onnodige hinder en met het oog op de verkeersveiligheid ook geboden lijkt om, gelet op het tweezijdig gebruik van de weg – die bemoeilijkt wordt doordat tussen de poorten slechts ruimte is voor één auto – en de geringe mogelijkheid om te (par)keren, bij evenementen met een groot aantal bezoekers of bij toenemende verkeersdrukte het autoverkeer te reguleren.

Het wandelrecht

4.18.

Op grond van de vestigingsakte van 14 juli 1975 is aan de Stichting de erfdienstbaarheid verleend om de bezoekers van het Kasteel over de groenstrook aan de voorzijde van het Kasteel tussen de weg en de vijver te laten wandelen. De Stichting heeft toegelicht dat de locatie met name wordt gebruikt voor het maken van (trouw)foto’s met het kasteel en de vijver als achtergrond. De VvE heeft recent ter hoogte van het grasveld voor het Kasteel een hek geplaatst om te voorkomen dat auto’s over het gras rijden of parkeren. Het hek bestaat uit houten palen van 75 cm boven de grond met dwarsbalken. Deze balken zijn, vanaf de overgelegde foto’s beschouwd, geplaatst op circa 10 centimeter vanaf bovenkant van de paal gezien. De Stichting vordert verwijdering van dit hek, omdat dit hek – in tegenstelling tot een ouder hekwerk waar eenvoudig over heen gestapt kon worden – een daadwerkelijk obstakel vormt voor de uitoefening van het wandelrecht. De VvE stelt dat het oudere hekwerk even hoog was als het huidige hekwerk.

4.19.

De rechtbank stelt op grond van de overgelegde foto’s en de opgegeven maten vast dat het nieuwe hekwerk zodanig hoog is (minstens 50 cm), dat daar niet (eenvoudig) overheen gestapt kan worden. Het hekwerk belemmert daarmee het wandelrecht van de Stichting. Dit klemt temeer nu het door de VvE te verwezenlijken doel: het voorkomen van rijden en parkeren op het grasveld, ook door andere minder bezwarende voorzieningen eenvoudig te realiseren is, bijvoorbeeld door paaltjes langs het grasveld te plaatsen zonder dwarsverbinding of door een laag hek te plaatsen, zoals te zien is op door de Stichting overgelegde foto’s uit vroeger jaren. De rechtbank passeert, met het oog op de foto waarop zowel het oude als het nieuwe hekwerk zijn te zien en duidelijk waarneembaar is dat de hekken in hoogte verschillen, de enkele stelling van de VvE dat het huidige hekwerk even hoog is als het oudere hekwerk is, als onvoldoende concreet onderbouwd. Het beroep op verjaring dat berust op deze stelling strandt daarom eveneens.

4.20.

De conclusie luidt derhalve dat de plaatsing van het hekwerk aan de voorzijde van het Kasteel ter hoogte van het grasveld onredelijk en buitenproportioneel is. De vordering onder A) primair, 14 zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen, in die zin dat de dwarsbalken van het houten hekwerk dienen te worden verwijderd.

Kosten van onderhoud van de weg

4.21.

In reconventie heeft de VvE met een beroep op de vestigingsakte vergoeding gevorderd van door haar wegens onderhoud van de weg gemaakte kosten. De Stichting bestrijdt op grond van de vestigingsakte gehouden te zijn de door de VvE gevorderde kosten te voldoen en stelt overigens dat indien dit wel het geval zou zijn de kosten niet noodzakelijk waren.

4.22.

De vestigingsakte bepaalt dat de kosten van het onderhoud van de weg en de parkeerplaats voor de helft ten laste de Stichting komen en voor de helft ten laste van de VvE. Volgens de VvE vallen de kosten van de verlichting langs de Kasteellaan, het hekwerk langs de Kasteellaan en de kosten van het tuinonderhoud voor het gedeelte waarover het wandelrecht zich uitstrekt, onder de kosten van onderhoud van de weg. De VvE verwijst naar een op 30 juli 1975 gesloten serviceovereenkomst, die later in een gerechtelijke procedure is ontbonden. De Stichting stelt zich op het standpunt alleen aangesproken te kunnen worden voor de kosten aan het wegdek van de weg en de parkeerplaatsen.

4.23.

De rechtbank ziet in de serviceovereenkomst eerder een aanwijzing dat met “onderhoud van de weg” door partijen uitsluitend het wegdek is bedoeld. In de artikelen 14 en 15 van de overeenkomst worden immers de kosten voor het onderhoud van de Kasteellaan en de parkeerplaatsen apart vermeld naast de kosten van de verlichting. Nu ook de vestigingsakte geen aanwijzing geeft voor een extensieve uitleg van het begrip weg is de rechtbank van oordeel dat de Stichting op grond van de erfdienstbaarheid slechts gehouden is tot een bijdrage in de kosten van het wegdek en – voor zover aanwezig – de berm. Dat betekent dat de Stichting op grond van de vestigingsakte niet gehouden is in de kosten van de verlichting en het hekwerk bij te dragen. Tegelijkertijd merkt de rechtbank op dat, naar de Stichting ter zitting ook heeft bevestigd, zij voor de exploitatie van het Kasteel voordeel geniet van de (naar de rechtbank begrijpt door de VvE aangeschafte en bij haar in eigendom zijnde) verlichting langs de parkeerplaatsen naast het Kasteel en de Kasteellaan. De rechtbank acht een bijdrage van de Stichting in de verlichting, bijvoorbeeld bij wijze van gebruiksvergoeding, dan ook redelijk, maar ziet daar onder de gegeven omstandigheden geen juridische grondslag voor. De rechtbank geeft partijen in overweging hierover contractuele afspraken te maken en/of de Stichting de verlichting in (mede)eigendom te geven. De kosten van tuinonderhoud vallen hoe dan ook niet onder de erfdienstbaarheid. Het in de akte opgenomen wandelrecht bepaalt zulks niet en tuinonderhoud kan – mede met het oog op de beperkte uitleg – niet onder de erfdienstbaarheid van weg worden geschaard. De kosten door de VvE gevorderd onder 48 (a), (b), en (e) van de eis in reconventie komen derhalve niet voor vergoeding door de Stichting in aanmerking.

4.24.

Onder 48, (c) en (d) van de eis in reconventie vordert de VvE de kosten die zij heeft gemaakt voor het schoonspuiten, het opnieuw bestraten van enkele parkeerplaatsen en het aanbrengen van belijning. Deze kosten vallen wel onder het bereik van de erfdienstbaarheid van weg. Bij de vraag of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen overweegt de rechtbank het volgende.

4.25.

Het onderhoud van de weg en de parkeerplaatsen waarop de erfdienstbaarheid rust, is naar het oordeel van de rechtbank primair een verantwoordelijkheid van de Stichting. Op grond van art. 5:75 lid 3 BW geldt dat de Stichting niet verplicht is om de werken en beplantingen op de erfdienstbaarheid volledig te onderhouden, maar om datgene te doen dat nodig is om schade of hinder voor het dienende erf te voorkomen. De VvE heeft gesteld dat zij de werkzaamheden heeft laten uitvoeren, omdat zij er hinder van ondervond dat bezoekers een deel van het parkeerterrein gebruikten dat daar niet toe behoort en doordat schade werd toegebracht aan bomen. Zij heeft de Stichting hiervan op de hoogte gebracht, maar deze weigerde in te stemmen, omdat volgens haar de werkzaamheden niet noodzakelijk waren. Daarmee hanteert de Stichting een onjuist criterium. Voor de vraag of onderhoud moet worden verricht, is immers niet bepalend of dat onderhoud dringend vereist is, maar of het dienende erf schade of hinder ondervindt. Dat er geen noodzaak was voor het verrichten van de werkzaamheden, ontslaat de Stichting derhalve niet van haar onderhoudsplicht. Nu de Stichting niet, althans onvoldoende heeft weersproken dat er schade was ontstaan aan de bomen en er sprake was van hinder doordat buiten de parkeervakken werd geparkeerd, en de rechtbank de door de VvE ingediende facturen, in weerwil van de door de Stichting niet met concrete offertes onderbouwde betwisting, niet buitensporig hoog voorkomen, acht de rechtbank de vordering van de VvE ter zake deze kosten toewijsbaar. Het gaat dan, blijkens de overgelegde facturen om de helft van € 499,99 en € 2.856,- en € 334,26, derhalve om een bedrag van in totaal € 1.845,13 dat door de Stichting aan de VvE moet worden vergoed.

in conventie

4.26.

Het voorgaande voert in conventie tot de navolgende conclusie.

4.27.

De rechtbank wijst toe de vordering tot verwijdering van de in de Zuidpoort aangebrachte met motoren aangedreven sluitarmen, de desbetreffende motoren, electrische voorzieningen, sturingskast, fotocel, kabels, bevestigingsvoorzieningen aan de gemetselde pilaren en voorzieningen in het wegdek, voor zover deze toebehoren de onbelemmerde doorgang van de bezoekers van het Kasteel feitelijk beletten.

4.28.

De rechtbank wijst voorts toe de vordering tot verwijdering van borden met (onder meer) de tekst: “GEEN doorgang opgebroken weg” en “toegang uitsluitend voor bewoners park” of “toegang uitsluitend voor bewoners Park en Kasteel”. Voor zover het bord met de tekst “Park & Kasteel via [straat 1] Te voet: ook [straat 2]” door de VvE is geplaatst, dient zij ook dat bord te verwijderen.

4.29.

Daarnaast wijst de rechtbank toe de vordering tot verwijdering van de dwarsverbindingen van het houten hekwerk langs de zuidzijde van het Kasteel (voorgevel) over de gehele lengte van het grasveld.

4.30.

Met het oog op de vordering onder B (dagvaarding), zal de rechtbank aan het dictum toevoegen dat de VvE de hiervoor genoemde toebehoren, borden en dwarsverbindingen ook in de toekomst verwijderd zal houden.

4.31.

Nu de rechtbank geen redenen heeft om aan te nemen dat de VvE niet vrijwillig zal voldoen aan hetgeen waartoe zij krachtens dit vonnis is verplicht en bovengenoemde verwijdering eenvoudig te realiseren is, zal zij geen dwangsom opleggen.

4.32.

De rechtbank wijst af de vordering tot inroepen van de sterke arm, nu deze bevoegdheid reeds volgt uit het bepaalde in art. 434 Rv.

in reconventie

4.33.

In reconventie luidt de slotsom dat de Stichting in totaal een bedrag van € 1.845,13 aan de VvE moet voldoen.

voorts in conventie en in reconventie

4.34.

Nu partijen over en weer in conventie en in reconventie op onderdelen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

gelast de VvE om te verwijderen en verwijderd te houden de in de Zuidpoort aangebrachte met motoren aangedreven sluitarmen, de desbetreffende motoren, electrische voorzieningen, sturingskast, fotocel, kabels, bevestigingsvoorzieningen aan de gemetselde pilaren en voorzieningen in het wegdek, voor zover deze toebehoren de onbelemmerde doorgang van de bezoekers van het Kasteel feitelijk beletten;

5.2.

gelast de VvE om te verwijderen en verwijderd te houden de borden aan de zijde van de [straat 1] en/of aan de zijde van het kruispunt tussen de [straat 3]/ [straat 2] en/of langs de Kasteellaan (exclusief de rond- en toegangsweg naar de appartementsgebouwen zoals overwogen onder 4.6) die de tekst “GEEN doorgang opgebroken weg” en “toegang uitsluitend voor bewoners park” of “toegang uitsluitend voor bewoners Park en Kasteel” bevatten en – voor zover dit bord door de VvE is geplaatst – het bord met de tekst “Park & Kasteel via [straat 1] Te voet: ook [straat 2]”;

5.3.

gelast de VvE om te verwijderen en verwijderd te houden de dwarsverbindingen van het hekwerk langs de zuidzijde van het Kasteel (voorgevel) ter hoogte van het grasveld;

5.4.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.7.

veroordeelt de Stichting om aan de VvE te betalen de som van € 1.845,13, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente daarover, te rekenen vanaf de respectievelijke data waartegen de Stichting is aangemaand tot betaling tot de dag der voldoening;

5.8.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.2

1 Zie onder meer HR 2 december 2005, NJ 2007, 5.

2 type: 1959