Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13312

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
C-09-440938 - HA ZA 13-402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Contractueel overeengekomen verlaging van verzekerde som door verzekeraar na aanspraak op uitkering bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Beroep op vernietiging van polisvoorwaarden slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/440938 / HA ZA 13-402

Vonnis van 11 september 2013

in de zaak van

[bewindvoerder], handelende in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [X],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. K.F.J. Machielsen te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

GOUDSE SCHADERVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Gouda,

gedaagde,

advocaat mr. C. Blanken te Den Haag.

Partijen zullen hierna [bewindvoerder] en De Goudse genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 2 april 2013, met producties,

  • -

    het herstelexploot van 8 april 2013,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 12 juni 2013, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 juli 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [X] heeft zich met ingang van 11 december 2006 bij De Goudse verzekerd tegen beroepsarbeidsongeschiktheid. Verzekerd is het beroep van autoruitenreparateur. De verzekerde som, in de polis aangeduid als “verzekerde jaarrente”, bedraagt volgens het polisblad € 40.000 (80% van het bij het aangaan van de verzekering opgegeven gemiddelde jaarinkomen van € 50.000). De verzekering kent een eigen risico-termijn van 365 dagen. Van de beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de verzekering) maken deel uit de Algemene Voorwaarden Zelfstandig Verzekerd 2008, alsmede de Bijzondere Voorwaarden. [X] is bij het sluiten van de verzekering bijgestaan door een onafhankelijk verzekeringsadviseur, Geldersch Pakhuys Bedrijfdsass., welke ook als zodanig op het polisblad staat vermeld.

2.2.

De Algemene Voorwaarden Zelfstandig Verzekerd 2008 bevatten, voor zover relevant, de volgende artikelen:

1.11 Jaarinkomen

Tot het jaarinkomen wordt conform de Wet op de inkomstenbelasting gerekend:

Voor de zelfstandige: de belastbare winst uit de onderneming vermeerderd met de ondernemersaftrek;

(…)

Artikel 20 Omvang van de uitkering

20.2

De maximale omvang van de dekking en uitkering bedraagt maximaal 100%, in het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid, of maximaal 80%, in het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid, van het gemiddelde jaarinkomen van de drie kalenderjaren voorafgaand aan de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. (…)

Indien op het moment dat er aanspraak wordt gemaakt op een uitkering uit hoofde van deze verzekering blijkt dat de verzekerde jaarrente de hierboven omschreven maximale dekking overschrijdt, heeft De Goudse het recht om de verzekerde jaarrente te verlagen tot deze maximale dekking. Voor de berekening van de maximale dekking en uitkering wordt het gemiddelde inkomen berekend als het gemiddeld inkomen over de afgelopen drie kalenderjaren voorgaande aan het jaar van het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Indien De Goudse van dit recht gebruik maakt, bestaat geen recht op restitutie van premie over de achteraf te hoog verzekerde jaarrente. Indien blijkt dat de verzekerde jaarrente lager is dan de hierboven omschreven maximale uitkering, zal de verzekerde jaarrente niet wijzigen.”

2.3.

De Bijzondere Voorwaarden bevatten, voor zover relevant de volgende bepaling:

● financiele clausule

In verband met een inkomensprognose is het de maatschappij toegestaan om, gedurende een periode van drie jaar na ingang van de verzekering, jaarlijks op basis van de financiele gegevens van het voorgaande jaar de verzekerde rente te verlagen tot maximaal 80% van het gerealiseerde inkomen.”

2.4.

Op 28 oktober 2010 ontving De Goudse een melding van arbeidsongeschiktheid van [X] in verband met psychische klachten. Bij brief van 20 oktober 2011 heeft De Goudse erkend dat [X] met ingang van 8 oktober 2010 volledig arbeidsongeschikt is.

2.5.

Bij brief van 9 maart 2012 heeft De Goudse [X] laten weten dat de verzekerde jaarrente op het moment dat aanspraak werd gemaakt op een uitkering te hoog was gebleken en dat deze per die datum met ingang van 28 oktober 2011 zou worden verlaagd tot € 20.627,00.

2.6.

[X] heeft geprotesteerd tegen de verlaging door De Goudse en maakt aanspraak op het meerdere.

3 Het geschil

3.1.

[bewindvoerder] vordert  samengevat – dat de rechtbank:

Primair:

I. voor recht verklaart dat De Goudse niet eenzijdig tot verlaging van de verzekerde som van de arbeidsongeschiktheidsverzekering mocht over gaan;

II. De Goudse veroordeelt om binnen 1 week na betekening van het vonnis de eenzijdige verlaging van de verzekerde som van de arbeidsongeschiktheidsverzekering ongedaan te maken en om deze met terugwerkende kracht te herstellen op € 40.000,00 per jaar en hiervan aan [X] een polisblad af te geven, zulks op straffe van een dwangsom;

III. De Goudse veroordeelt om aan [X] te betalen een bedrag van € 19.373,00, zijnde de achterstallige uitkering over de periode van 8 oktober 2011 tot 8 oktober 2012, vermeerderd met wettelijke rente;

IV. De Goudse veroordeelt om vanaf 8 oktober 2012 aan [X] te betalen een uitkering van 100% van de verzekerde som van € 40.000,00, vermeerderd met wettelijke rente;

Subsidiair:

I. De Goudse veroordeelt om binnen 1 week na betekening van het vonnis de eenzijdig verlaging van de verzekerde som van de arbeidsongeschiktheidsverzekering ongedaan te maken en om de verzekerde som met terugwerkende kracht te stellen op € 38.527,00, althans € 33.427,00, per jaar en hiervan aan [X] een polisblad af te geven, zulks op straffe van een dwangsom;

II. De Goudse veroordeelt om aan [X] te betalen een bedrag van € 10.195,00, althans € 6.115,00, wegens achterstallige uitkering over de periode van 8 oktober 2011 tot 8 oktober 2012, vermeerderd met wettelijke rente;

III. De Goudse veroordeelt om vanaf 8 oktober 2012 aan [X] te betalen een uitkering van 100%, althans 80%, van de verzekerde som van € 40.000,00, althans € 38.527,00, althans € 32.607,00, vermeerderd met wettelijke rente;

IV. Het beding uit art. 20.2. polisvoorwaarden, luidende “Indien De Goudse van dit recht gebruik maakt, bestaat geen recht op restitutie van de premie over de achteraf te hoog verzekerde jaarrente”, vernietigt en voor recht verklaart dat [X] vanaf 11 december 2006, althans 8 oktober 2010, recht heeft premierestitutie over de door hem onverschuldigd betaalde premies;

V. De Goudse veroordeelt om aan [X] terug te betalen de sedert 11 december 2006, althans 8 oktober 2010, door hem onverschuldigd betaalde premies, telkens vermeerderd met wettelijke rente;

VI. De Goudse te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan [X] te geven een deugdelijke en onderbouwde specificatie van de berekening van de onverschuldigd betaalde premies, zulks op straffe van een dwangsom;

Zowel primair als subsidiair:

I. voor recht verklaart dat [X] met ingang van 8 oktober 2011 recht heeft op volledige premievrijstelling;

II. De Goudse veroordeelt om rechtstreeks aan de bewindvoerder de buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen;

III. De Goudse veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[bewindvoerder] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De Goudse mocht niet tot een eenzijdige verlaging van de verzekerde som overgaan omdat sprake is van een sommenverzekering. Bovendien is sprake van rechtsverwerking, zodat de verlaging niet is toegestaan. Voorts betoogt [bewindvoerder] dat De Goudse de verlaging niet op de polisvoorwaarden heeft gebaseerd. De wijze waarop de uitkering en de aangepaste uitkering dienen te worden berekend is onduidelijk en om die reden dient de voor [X] meest gunstige berekening te worden gevolgd. Voor zover artikel 20.2 van de polisvoorwaarden bepaalt dat er geen recht bestaat op premierestitutie bij een verlaging van de verzekerde jaarrekening, geldt dat die bepaling vernietigbaar is op grond van de artikelen 6:236 sub a en 6:237 sub c en g BW jº artikel 6:233 sub a BW. Voorts heeft de verlaging van de verzekerde jaarrente te gelden als een partiële opzegging van de dekking, hetgeen verboden is op grond van artikel 7:940 lid 3 BW. Ook heeft De Goudse de verzekerde som meer verlaagd dan haar op grond van de polisvoorwaarden was toegestaan. Daarnaast dient die verlaging te worden doorgevoerd per ingangsdatum van de polis, te weten 11 december 2006 en niet pas per 28 oktober 2011. [X] heeft verder recht op premierestitutie met ingang van 11 december 2006. Tot zover [bewindvoerder].

3.3.

De Goudse voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Verlaging van de verzekerde som

4.1.

[bewindvoerder] voert als eerste stelling aan dat, omdat sprake is van een sommenverzekering, De Goudse niet kon overgaan tot verlaging van de verzekerde jaarrente. Volgens [bewindvoerder] dient bij een sommenverzekering de verzekerde som te worden uitgekeerd, ongeacht of daadwerkelijk sprake is van inkomensverlies. Voorts betoogt [bewindvoerder] dat de wijziging niet rechtsgeldig is omdat [X] niet voorafgaand met de verlaging heeft ingestemd.

4.2.

Met De Goudse is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat sprake is van een sommenverzekering niet relevant is voor de hier aan de orde zijnde vraag of De Goudse de verzekerde som mocht verlagen. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Het staat partijen op grond van het verzekeringsrecht immers vrij – ook bij een sommenverzekering – om af te spreken dat de verzekerde som tijdens de looptijd kan worden aangepast. Uit het tussen partijen bij het sluiten van de verzekering overeengekomen artikel 20.2 van de polisvoorwaarden (r.o. 2.2.) blijkt dat de verzekerde som tijdens de looptijd onder bepaalde omstandigheden kan worden aangepast. Van een wijziging zonder (voorafgaande) toestemming van [X] is derhalve geen sprake.

4.3.

Ter zitting heeft [bewindvoerder] nog aangevoerd dat op het polisblad staat vermeld “Genoemde verzekerde bedragen zijn gelijkblijvend gedurende de looptijd”. Volgens haar volgt daaruit dat partijen zijn overeengekomen dat de verzekerde jaarrente niet kan worden aangepast. De Goudse heeft ter zitting echter onbestreden gesteld dat de door [bewindvoerder] aangehaalde zin gelezen moet worden in samenhang met het aanvraagformulier dat door [X] is ingevuld en welk formulier De Goudse ook ter zitting heeft getoond. Op dat formulier heeft [X] gekozen voor een gelijkblijvende verzekerde som en niet – waarvoor hij ook had kunnen kiezen – een verzekerde som die wordt geïndexeerd. Nu [X] heeft gekozen voor een gelijkblijvende verzekerde som, is de eerdergenoemde zin op het polisblad vermeld, aldus De Goudse.

4.4.

De rechtbank is in het licht van het voorgaande van oordeel dat de vermelding “gelijkblijvend” niet meer en niet minder betekent dan “niet-geïndexeerd”, zodat de genoemde vermelding op het polisblad niet in de weg staat aan het inroepen van artikel 20.2 van de polisvoorwaarden door De Goudse.

4.5.

[bewindvoerder] betoogt voorts dat De Goudse haar recht heeft verwerkt om zich voor de verlaging van de verzekerde jaarrente te beroepen op artikel 20.2 van de polisvoorwaarden nu in dit artikel immers staat dat De Goudse het recht heeft om de verzekerde jaarrente aan te passen “op het moment dat aanspraak wordt gemaakt op uitkering”. Nu De Goudse de aanpassing van de jaarrente pas bij brief van 9 maart 2012 aan [X] heeft medegedeeld, terwijl [X] reeds op 28 oktober 2010 aanspraak had gemaakt op uitkering, is die aanpassing klaarblijkelijk niet gebaseerd op artikel 20.2 van de polisvoorwaarden en heeft bovendien te gelden dat De Goudse op dat moment haar recht op aanpassing reeds had verwerkt. Ook de redelijkheid en billijkheid verhinderen dat De Goudse de verzekerde jaarrente op 9 maart 2012 (nog) mocht aanpassen, aldus nog steeds [bewindvoerder]. Voorts voert [bewindvoerder] aan dat de verlaging van de verzekerde jaarrente heeft te gelden als een partiële opzegging van de verzekering, hetgeen verboden is op grond van artikel 7:940 lid 3 BW.

4.6.

De verweren van [bewindvoerder] falen. De Goudse heeft aangevoerd dat voor het vaststellen van de hoogte van de uitkering het gemiddeld inkomen over de afgelopen drie kalenderjaren voorafgaande aan het jaar van het intreden van de arbeidsongeschiktheid bekend dienen te zijn. Daarvoor is financiële informatie nodig die door [X] dient te worden aangeleverd. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [X], ondanks herhaalde verzoeken daartoe van De Goudse, daterend van 2 juli 2009, 10 december 2009, 9 augustus 2011, 20 oktober 2011 en 30 november 2011, nalatig is geweest met het verstrekken van de benodigde gegevens (in het bijzonder de IB-aangiftes over de jaren 2007, 2008 en 2009 met daarin alle benodigde financiële informatie), terwijl uit de in het geding gebrachte IB-aangiftes blijkt dat [X] reeds op 8 januari 2011 (de afdrukdatum van de als laatste ingediende IB-aangifte (van 2009)) over al deze IB-aangiftes beschikte. Nu hij die stukken toen niet aan De Goudse heeft verstrekt, volgt daaruit dat het in belangrijke mate aan [X] te wijten is dat De Goudse niet eerder in staat is geweest om de hoogte van de uitkering en het gemiddeld inkomen over de drie kalenderjaren voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Uit de feitelijke gang van zaken volgt tevens dat van een door [bewindvoerder] gesteld gerechtvaardigd vertrouwen bij [X] dat de verzekerde jaarrente niet zou worden verlaagd, geen sprake kan zijn. Van rechtsverwerking is gezien het voorgaande evenmin sprake, terwijl [bewindvoerder] haar beroep op de redelijkheid en billijkheid niet heeft onderbouwd, zodat de rechtbank ook daaraan voorbij gaat.

4.7.

Met betrekking tot het beroep op artikel 7:940 lid 3 BW, overweegt de rechtbank dat hetgeen [bewindvoerder] aanvoert niet juist is. Anders dan [bewindvoerder] betoogt, ziet artikel 7:940 lid 3 BW op opzegging van de verzekering. Nu in het onderhavige geval de dekking is aangepast op grond van een tussen partijen contractueel overeengekomen bepaling is uitvoering gegeven aan de verzekeringovereenkomst en is van (partiële) opzegging in het geheel geen sprake is. Artikel 7:940 lid 3 BW mist dan ook toepassing.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat De Goudse de verzekerde jaarrente bij brief van 9 maart 2012 mocht verlagen. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de hoogte van de uitkering en de aangepaste verzekerde jaarrente dienen te worden berekend en daarmee tot welk bedrag de jaarrente mocht worden verlaagd.

4.9.

[bewindvoerder] heeft voorts aangevoerd dat de in artikel 20.2 en in het bijzonder in artikel 1.11 van de polisvoorwaarden neergelegde berekening onduidelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank laat artikel 1.11 van de polisvoorwaarden geen andere conclusie dan dat het jaarinkomen dient te worden vastgesteld conform de Wet op de inkomstenbelasting (wet IB), in het bijzonder de artikelen 3.2 en 3.3 van die wet. Wat de in artikel 1.11 van de polisvoorwaarden genoemde termen “belastbare winst” en “de ondernemersaftrek” behelzen, blijkt duidelijk uit de voornoemde artikelen van de wet IB. Die termen en de daarbij behorende bedragen worden ook genoemd in de IB-aangiftes van [X], zodat aan de hand daarvan eenvoudig het gemiddeld jaarinkomen over 2007 tot en met 2009 als bedoeld in artikel 1.11 van de polisvoorwaarden is te berekenen. [bewindvoerder] heeft onvoldoende uiteengezet waarin de onduidelijkheid voor [X] schuilt. De enkele omstandigheid dat er in verband met de uitkering aan [X] een aantal van elkaar afwijkende berekeningen van het gemiddelde jaarinkomen zijn gemaakt – mede vanwege het niet aanleveren door [X] van de opgevraagde IB-aangiftes – is daarvoor ontoereikend.

4.10.

Met betrekking tot de berekening zelf geldt dat, anders dan [bewindvoerder] aanvoert, een verlies in het licht van de wet IB als negatief inkomen dient te worden aangemerkt en dat dit negatieve inkomen derhalve in de berekening dient te worden meegenomen (het betreft de uit de IB-aangifte 2009 blijkende “Belastbare winst uit onderneming” van -€ 27.407,00 voor het jaar 2009).

Premierestitutie

4.11.

[bewindvoerder] voert voorts aan dat voor zover artikel 20.2 van de polisvoorwaarden bepaalt dat er geen recht bestaat op premierestitutie bij een verlaging van de verzekerde jaarrekening, die bepaling in strijd is met artikel 7:938 lid 3 BW alsmede met de artikelen 6:236 sub a en 6:237 sub c en g BW, zodat dit beding op grond van artikel 6:233 sub a BW vernietigbaar is. In dit verband heeft te gelden dat [X] een consument-verzekerde is. [X] heeft verder recht op premierestitutie met ingang van 11 december 2006.

4.12.

Anders dan [bewindvoerder] aanvoert, is artikel 7:938 BW, dat bepaalt dat onder bepaalde omstandigheden recht op premierestitutie bestaat, ook voor consumenten van regelend recht. Daarmee staat reeds vast dat de wetgever de bedoeling heeft gehad dat partijen van dit artikel mogen afwijken, ook wanneer de verzekeringnemer een consument is. Daaruit volgt reeds dat een enkele afwijking van artikel 7:938 BW niet als onredelijke bezwarend kan worden gekwalificeerd. Overigens kreeg [X] ten tijde van het sluiten professionele bijstand, zodat hij niet als consument-verzekerde kan worden aangemerkt.

4.13.

De artikelen 6:236 sub a en 6:237 sub c en g BW doen niet af aan het voorgaande. Onder de gegeven omstandigheden heeft [bewindvoerder] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, hetgeen wel op haar weg lag, zeker nu De Goudse terecht heeft aangevoerd dat zij gedurende de periode waarover de verzekerde jaarrente met terugwerkende kracht wordt verlaagd, wel degelijk (en anders dan artikel 7:938 BW als voorwaarde voor premierestitutie stelt) risico heeft gelopen, omdat zij op basis van de verzekering gehouden was om ook uit te keren, wanneer [X] op een eerder moment arbeidsongeschikt was geworden. Nu [bewindvoerder] het in dit verband gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid niet heeft onderbouwd en de rechtbank voorts onvoldoende omstandigheden zijn gebleken, die een beroep op de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen, faalt ook dit verweer van [bewindvoerder].

4.14.

Uit al het voorgaande volgt dat [X] geen recht heeft op premierestitutie.

Ingangsdatum verlaging verzekerde jaarrente

4.15.

[bewindvoerder] heeft voorts betoogd dat de ingangsdatum van de verlaging van de dekking onder de verzekering de ingangsdatum van de verzekering, te weten 11 december 2006, dient te zijn en niet de door Goudse gekozen ingangsdatum van 28 oktober 2011.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat De Goudse ter zitting heeft erkend dat op grond van de polisvoorwaarden het recht op uitkering bestaat met ingang van 8 oktober 2011 in plaats van per 28 oktober 2011. Anders dan [bewindvoerder] aanvoert, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 20.2 van de polisvoorwaarden voldoende duidelijk dat de ingangsdatum van de aanpassing van de verzekerde jaarrente de datum is waarop aanspraak wordt gemaakt op uitkering, nu de vermelding van enige andere ingangsdatum ontbreekt. De ingangsdatum van de verlaging is derhalve 8 oktober 2011.

Premievrijstelling

4.17.

[bewindvoerder] heeft nog aangevoerd dat [X] met ingang van 8 oktober 2011 recht heeft op premievrijstelling en niet met ingang van 28 oktober 2011, waar De Goudse vanuit is gegaan. De Goudse heeft dit erkend en toegezegd hier bij haar berekening vanuit te zullen gaan. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.

Wettelijke rente

4.18.

De eerste uitkering door De Goudse aan (de bewindvoerder van) [X] dateert van 23 maart 2012. [bewindvoerder] stelt zich op het standpunt dat De Goudse wettelijke rente verschuldigd is vanaf 8 oktober 2011, althans vanaf 4 januari 2012. De Goudse heeft bestreden dat zij in verzuim is komen te verkeren en heeft – onbestreden – aangevoerd dat zij pas op 27 februari 2012 voor het eerst is aangemaand tot uitkering en vervolgens op 23 maart 2012 tot uitkering is overgegaan. Voorts heeft De Goudse onbestreden gesteld dat in de maand maart 2012 de bewindvoerders van [X] het niet eens waren over de vraag aan wie De Goudse diende uit te keren, zodat uiteindelijk pas op 23 maart 2012 kon worden betaald.

4.19.

In het licht van hetgeen zij onbestreden heeft aangevoerd is De Goudse tot de betaling op 23 maart 2012 niet in verzuim komen te verkeren. Anders dan [bewindvoerder] heeft betoogd brengt artikel 6:83 sub c BW niet mee dat De Goudse vanaf het moment dat aanspraak wordt gemaakt op uitkering van rechtswege in verzuim is. De verzekeringsvoorwaarden voorzien er immers in dat [X] eerst de benodigde gegevens moet aanleveren zodat de hoogte van de uitkering kan worden berekend, zodat gedurende die periode zonder ingebrekestelling geen verzuim kan intreden. De gevorderde wettelijke rente wordt dan ook afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.20.

[bewindvoerder] vordert betaling van buitengerechtelijke kosten. Nu de vordering van [bewindvoerder] voor het overgrote deel wordt afgewezen, komen de buitengerechtelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de vordering afwijzen.

4.21.

[bewindvoerder] zal als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Goudse worden begroot op:

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal €  2.994,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [X] met ingang van 8 oktober 2011 recht heeft op volledige premievrijstelling,

5.2.

wijst af het meer of anders gevorderde,

5.3.

veroordeelt [bewindvoerder] in de proceskosten, aan de zijde van De Goudse tot op heden begroot op € 2.994,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [bewindvoerder] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [bewindvoerder] niet binnen 14 dagen na heden aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.