Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13302

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
C-09-425269 - HA ZA 12-988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot aansprakelijkstelling Staat voor schade als gevolg van het ten onrechte op nihil stellen van de aanslag recht van overgang. Beroep op verjaring naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Geen grond voor veroordeling van de Staat in de daadwerkelijk door eiser gemaakte proceskosten. Geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de hoofdregel van artikel 8:75BW rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/425269 / HA ZA 12-988

Vonnis van 4 september 2013 [bij vervroeging]

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats], Duitsland,

eiser,

advocaat mr. A.J. van de Graaf te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN FINANCIËN,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. drs. W.I. Wisman te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 augustus 2012, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 28 november 2012, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte houdende wijziging van eis, met productie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 augustus 2013.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. Dit vonnis wordt bij vervroeging uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

Bij notariële akte van 24 december 1993 heeft de vader van [eiser] (hierna: de vader) enkele in Nederland gelegen percelen landbouwgrond (hierna: de percelen) aan (de in Duitsland woonachtige) [eiser] verkocht voor een prijs van f 222.000. Ten tijde van de verkoop van de percelen is de economische eigendom van de percelen aan [eiser] overgedragen.

2.2.

In het testament van de vader is bepaald dat [eiser] de percelen krachtens een legaat zou verkrijgen, onder de voorwaarde dat afstand zou worden gedaan van het recht op levering voortvloeiend uit bovengenoemde verkoop. Aan het legaat is op

19 augustus 1998 uitvoering gegeven, doordat de juridische eigendom van de percelen bij notariële akte aan [eiser] is geleverd. Voorafgaande daaraan heeft [eiser] afstand gedaan van zijn recht op levering voortvloeiend uit de verkoop.

2.3.

Op 29 april 1998 heeft de Inspecteur van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Buitenland (hierna: de Inspecteur) schriftelijk aan [eiser] meegedeeld dat hij voornemens was het recht van overgang (een tot 1 januari 2010 bestaande vorm van successierecht die werd geheven wanneer een persoon die buiten Nederland woonachtig was Nederlands vastgoed erfde of geschonken kreeg), dat [eiser] verschuldigd was over de krachtens het legaat verkregen percelen, vast te stellen op

f 100.959.

2.4.

Nadien is tussen [eiser] en de Inspecteur discussie ontstaan over de hoogte van het verschuldigde recht van overgang. De Inspecteur meende dat bij de berekening van dit recht moest worden uitgegaan van de waarde van de percelen in vrij opleverbare staat

(f 537.000). Volgens [eiser] moest bij die berekening in acht worden genomen dat de economische eigendom van de percelen al aan hem was overgedragen.

2.5.

Op 29 januari 1999 heeft de Inspecteur een definitieve aanslag aan [eiser] opgelegd. [eiser] heeft hiertegen op 23 februari 1999 bezwaar gemaakt. Op 17 maart 2000 heeft de Inspecteur het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

2.6.

Op 21 maart 2000 heeft [eiser] beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het gerechtshof te ʼs-Hertogenbosch (hierna: het hof) heeft het beroep van [eiser] bij arrest van 27 augustus 2004 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag berekend naar een belastbare verkrijging van nihil en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [eiser] ter hoogte van € 966. Het hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat de Inspecteur aan de aanwezigheid van het legaat ten onrechte de conclusie had verbonden dat ten tijde van het overlijden van de vader geen leveringsverplichting rustte op de onroerende zaken.

2.7.

De Staatssecretaris van Financiën heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 19 augustus 2007 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad heeft aan [eiser] een proceskostenvergoeding toegekend van € 644.

2.8.

Bij brief van 24 augustus 2007 heeft de Inspecteur de aanslag verminderd naar een belastbare verkrijging van nihil. De Inspecteur heeft de onder 2.6 en 2.7 genoemde proceskostenvergoedingen voor de procedure aan [eiser] voldaan.

2.9.

Bij brief van 6 november 2007 heeft [eiser] de Inspecteur verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten in de bezwaarprocedure, ten bedrage van

€ 3.955,41. Bij brief van 14 november 2007 heeft de Inspecteur dit verzoek afgewezen op de grond dat de vordering van [eiser] was verjaard.

2.10.

In de bijlage bij het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juni 1998 “Behandeling verzoeken om vergoeding van kosten gemaakt in de bezwaarfase van fiscale procedures” is – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“Tekstsuggesties voor de afhandeling van verzoeken om vergoeding van de kosten met betrekking tot de bezwaarfase.

A.1. (…)

A.2 (Verjaring; besluit vernietigd na beroep)

Uw verzoek is ingekomen op een tijdstip waarop meer dan vijf jaren zijn verstreken na het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak waarin u in het gelijk bent gesteld. Ik ben van mening dat in verband daarmee uw eventuele aanspraken tot vergoeding van kosten betreffende de bezwaarfase zijn verjaard. (…)”

2.11.

Op 21 augustus 2003 heeft de Staatssecretaris van Financiën het besluit “Behandeling verzoeken om kostenvergoeding en schadevergoeding” genomen, welk besluit betrekking heeft op verzoeken om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tegen een besluit dat is genomen op of na 12 maart 2002. Dit besluit is op 1 oktober 2003 in werking getreden. Als bijlage bij dit besluit is een “handleiding afhandeling verzoeken om kostenvergoeding en/of schadevergoeding” gevoegd, waarin – voor zover relevant – het volgende is vermeld:

“2.23. Beoordelen van het verzoek

(…)

Aanvullende eisen:

(…)

- Het recht op schadevergoeding moet niet verjaard zijn. Het recht op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand is verjaard als het verzoek is binnengekomen op een tijdstip waarop meer dan vijf jaar zijn verstreken na de beslissing op het bezwaarschrift.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de Staat jegens hem aansprakelijk is voor alle schade die het gevolg is van het ten onrechte niet op nihil stellen van de aanslag recht van overgang van 29 januari 1999 en het onjuist ingenomen standpunt van de Inspecteur daaromtrent;

II. primair:

de Staat te veroordelen om aan hem voor de kosten van juridische bijstand te betalen € 24.688,90, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over € 16.353,41 vanaf 5 april 2013;

subsidiair:

de Staat te veroordelen om aan hem schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. de Staat te veroordelen om aan hem voor buitengerechtelijke kosten te betalen een bedrag van € 1.158;

IV. de Staat te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. De Staat heeft jegens hem een onrechtmatige daad gepleegd door op

29 januari 1999 een besluit te nemen en te handhaven dat naderhand door de rechter is vernietigd. De Staat is aansprakelijk voor de schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden. De schade bestaat uit de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase en in de procedures bij het hof en de Hoge Raad. Er is sprake van bijzondere omstandigheden die een integrale kostenvergoeding rechtvaardigen. Het moet de Inspecteur namelijk vanaf het begin duidelijk zijn geweest dat zijn beschikking geen stand zou houden. De Hoge Raad heeft de zaak immers afgedaan op één cruciale zin in het legaat die vanaf het begin helder was. De annotator bij het arrest van de Hoge Raad heeft ook opgemerkt dat dit arrest tegemoet komt aan het rechtsgevoel. Verder is gedurende de procedure de wet gewijzigd en kan in ieder geval van de cassatieprocedure worden gezegd dat deze geen enkele kans van slagen had. [eiser] heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt die conform het rapport Voorwerk II zijn begroot op € 1.158.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

kosten bezwaarfase - verjaring

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat [eiser] ter comparitie zijn vordering tot vergoeding van de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft beperkt tot een bedrag van € 79,41.

4.2.

Niet langer is in geschil dat de verjaringstermijn van vijf jaar die voor deze vordering geldt (3:310 BW), is ingegaan op 17 maart 2000. Partijen zijn het erover eens dat deze verjaringstermijn is voltooid op 17 maart 2005, dat wil zeggen ruimschoots voordat [eiser] de Staat aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase en vergoeding van deze kosten heeft gevorderd. [eiser] neemt het standpunt in dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in het licht van het eigen beleid van de Staat zoals dat is neergelegd in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 10 juni 1998 “Behandeling verzoeken om vergoeding van kosten gemaakt in de bezwaarfase van fiscale procedures” (zie 2.10).

4.3.

De rechtbank honoreert het standpunt van [eiser]. [eiser] heeft onbestreden gesteld dat de Staat tot 1 oktober 2003, toen het onder 2.11 genoemde besluit in werking trad, het beleid voerde dat bij de beoordeling van schadevergoedingsvorderingen als de zijne uitgangspunt was dat de verjaringstermijn werd geacht pas te gaan lopen na het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak waarbij de benadeelde in het gelijk was gesteld. Dit staat dus vast. Vast staat eveneens dat dit beleid per 1 oktober 2003 is gewijzigd in die zin dat sindsdien de Belastingdienst de datum van de beslissing op het bezwaarschrift als markering van de aanvang van de verjaringstermijn aanmerkt. Dit nieuwe beleid sluit aan bij de in dit verband relevante jurisprudentie van de Hoge Raad. Vanaf 1 oktober 2003 mocht [eiser] dan ook niet langer gerechtvaardigd erop vertrouwen dat de Inspecteur geen beroep zou doen op verjaring van zijn schadevergoedingsvordering zolang hij, [eiser], niet bij onherroepelijke gerechtelijke uitspraak in het gelijk was gesteld. De rechtbank acht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de Inspecteur (al) op 14 november 2007, met een beroep op verjaring, het nieuwe beleid aan [eiser] heeft tegengeworpen, terwijl er sinds 1 oktober 2003 nog geen vijf jaren waren verstreken. Op deze wijze heeft de Staat op de vordering van [eiser] in feite een kortere verjaringstermijn dan wettelijk voorgeschreven van toepassing verklaard, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat.

4.4.

De Staat heeft zich voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat de vordering van [eiser] niet is verjaard, bereid verklaard het gevorderde bedrag van € 79,14 aan [eiser] te betalen. De rechtbank zal de Staat dan ook veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [eiser].

kosten procedure hof en Hoge Raad

4.5.

Vervolgens rijst de vraag of [eiser] recht heeft op vergoeding door de Staat van zijn in de procedures bij het hof en de Hoge Raad (zie 2.6 en 2.7) werkelijk gemaakte proceskosten. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De Staat heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het kader van de procedures bij het hof en de Hoge Raad al een forfaitaire proceskostenvergoeding is toegekend conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en dat om die reden de vordering tot vergoeding van de proceskosten op grond van onrechtmatige daad niet voor toewijzing in aanmerking komt. Daartoe is het volgende van belang.

4.6.

In artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de bestuursrechter exclusief bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in bezwaar en beroep maakt. De op artikel 8:75 Awb gebaseerde forfaitaire regeling is neergelegd in het Bpb. Met deze exclusieve bevoegdheidsregeling heeft de wetgever beoogd de weg naar de burgerlijke rechter voor alle kosten die onder artikel 8:75 Awb vallen, waaronder de kosten van rechtsbijstand, af te snijden. Artikel 8:75 Awb en het Bpb zijn op grond van de artikelen 27j lid 1 en artikel 29 (oud) Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing in de fiscale procedure bij het gerechtshof en de Hoge Raad.

4.7.

Volgens vaste jurisprudentie is bij het bestaan van een op de wet gebaseerde forfaitaire regeling van de proceskosten slechts in zeer bijzondere gevallen grond de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld, wegens onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden. In andere gevallen brengen de wettelijke forfaitaire regelingen van de proceskosten mee dat de vordering tot betaling van proceskosten, ook al zou zij op onrechtmatige daad zijn gebaseerd, slechts kan worden toegewezen tot het bedrag dat daartoe op de voet van de toepasselijke regeling door de rechter zou moeten worden bepaald (vgl. HR 17 december 2004, LJN AQ3810).

4.8.

Op basis van de processtukken is de rechtbank van oordeel dat het door de Inspecteur ten overstaan van het hof en de Hoge Raad ingenomen standpunt niet onverdedigbaar was en dat de Inspecteur door dat standpunt in te nemen, en ook anderszins, geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Een “zeer bijzonder geval” als hiervoor bedoeld is dan ook niet aan de orde en voor het maken van een uitzondering op de hiervoor genoemde hoofdregel bestaat geen rechtvaardiging. Voor dit oordeel vindt de rechtbank overigens bevestiging in de mededeling van de gemachtigde van [eiser] in de procedure bij het hof, zoals die blijkt uit het arrest van 27 augustus 2004, te weten dat namens [eiser] genoegen wordt genomen met vergoeding van de kosten van het geding “volgens het puntenstelsel” en de dienovereenkomstige beslissing van het hof.

4.9.

In het licht van het voorgaande behoeven de overige verweren van de Staat geen bespreking meer. De gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar.

buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

4.10.

De door de Staat bestreden vordering van [eiser] voor buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar nu deze niet is toegelicht aan de hand van bewijsstukken en verder het gevorderde bedrag niet in verhouding staat tot de omvang van de schadepost die voor vergoeding in aanmerking komt.

4.11.

De rechtbank ziet in de uitkomst van de procedure aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

veroordeelt de Staat tot betaling aan [eiser] van € 79,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2007;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.1

1 type: 2091