Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13206

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_25184vk
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2072, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verblijfsbeëindiging ogv Richtlijn 2004/38/EG, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden - In geschil is of sprake is van een dringend geval abi artikel 30 van de Richtlijn, og waarvan de vertrektermijn kan worden gesteld op nul dagen.

Uit bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 15 juli 2005, 200505057/1, www.raadvanstate.nl) blijkt dat bij EU-onderdanen verkorting of onthouding van de vertrektermijn alleen mogelijk is in naar behoren aantoonbare dringende gevallen. Hiervan is slechts sprake bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde.

Gelet op de gedingstukken en de toelichting van verweerder ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een dringend geval om tot verkorting van de vertrektermijn over te gaan. Gelet hierop heeft het bezwaarschrift van verzoeker geen redelijke kans van slagen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 67, geldigheid: 2013-10-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/25184

uitspraak van 7 oktober 2013 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk)

Procesverloop

Verzoeker, geboren op [datum] 1992, bezit de Roemeense nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 10 september 2013, uitgereikt op 19 september 2013, heeft verweerder het verblijfsrecht van verzoeker beëindigd op grond van de Richtlijn 2004/38/EG, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn). Voorts heeft verweerder bij dit besluit verzoeker ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.

Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

In het in bezwaar bestreden besluit is vermeld dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten en kan worden uitgezet en dat de werking van het besluit niet wordt opgeschort gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is.

Bij schrijven van 26 september 2013heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat de uitzetting wordt verboden alvorens aan verzoeker een vertrektermijn van ten minste effectief dertig dagen voor vertrek zal zijn gegeven en die termijn zal zijn verstreken en dat de ongewenstverklaring zal worden geschorst zolang de gegeven vertrektermijn niet is afgelopen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 september 2013. Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig dr. D. Perie, tolk in de Roemeense taal.

Overwegingen

1

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2

Niet in geschil is dat in het voorliggende geval het indienen van het bezwaarschrift geen schorsende werking heeft.

3

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder hem te kort heeft gedaan door hem geen vertrektermijn toe te kennen, terwijl hij EU-burger is. Hij voert voorts aan dat bij een verblijfsbeëindiging van een EU-burger op grond van artikel 27 van de Richtlijn sprake dient te zijn van een dringend geval als bedoeld in artikel 30 van de Richtlijn.

4

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval sprake is van een ‘naar behoren aangetoond dringend geval’, zodat verweerder de vertrektermijn bij het terugkeerbesluit op nul dagen heeft mogen stellen.

5

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De vreemdeling is een onderdaan van een lidstaat en daarmee burger van de Unie.

In geschil is of sprake is van een dringend geval als bedoeld in artikel 30 van de Richtlijn, op grond waarvan de vertrektermijn kan worden gesteld op nul dagen.

Uit bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 15 juli 2005, 200505057/1, www.raadvanstate.nl) blijkt dat bij EU-onderdanen verkorting of onthouding van de vertrektermijn alleen mogelijk is in naar behoren aantoonbare dringende gevallen. Hiervan is slechts sprake bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde.

Gelet op de gedingstukken en de toelichting van verweerder ter zitting overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoeker is viermaal onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van verscheidene vermogensdelicten en is in mei 2013 veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. De gepleegde strafbare feiten zijn door verzoeker in een zeer kort tijdsbestek gepleegd en verzoeker heeft bij het plegen van de strafbare feiten veel schade aangericht. Daarbij heeft verzoeker sinds zijn veroordeling geen positieve gedragsverandering in de maatschappij laten zien. De voorzieningenrechter overweegt verder dat met de aanhouding van verzoeker vlak na zijn komst naar Nederland, alles er op duidt dat de enige reden voor verzoeker om naar Nederland te komen was gelegen in het plegen van misdrijven. Voorts acht de rechtbank van belang dat verzoeker, die ongewenst verklaard is, te kennen heeft gegeven dat hij in Nederland wenst te verblijven, terwijl hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt zodat er vanuit dient te worden gegaan dat hij een zwervend bestaan zal leiden. Verder beschikt verzoeker over niet over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop is de kans op recidive aanwezig.

De voorzieningenrechter is gelet op al het vorenstaande van oordeel dat sprake is van een dringend geval om tot verkorting van de vertrektermijn over te gaan. Gelet hierop heeft het bezwaarschrift van verzoeker geen redelijke kans van slagen.

6

De voorzieningenrechter ziet gelet op het vorenstaand overwogene geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

7

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. van Roest, rechter, in aanwezigheid van J.J. Kip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.