Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13139

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_1351
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:4256, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Buitenlandse bankrekening. Eiser is terecht geïdentificeerd als rekeninghouder. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser samen met zijn zoon moet worden aangemerkt als gerechtigde tot de rekening, ieder voor het geheel. Geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Omkering bewijslast. Aanslagen zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Verzoek om schadevergoeding afgewezen. Beroepen toch gegrond omdat verweerder ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van bezwaar heeft toegekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 49
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2300
FutD 2013-2586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 13/1351, 13/1352, 13/1353, 13/1354 en 13/1355

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 oktober 2013 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 13 september 2006 aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.552 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.803. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 21 oktober 2008 aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.930 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.610. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 15 november 2008 aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.590. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 11 juni 2010 aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.257 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.713. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 23 juli 2010 aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.261 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.805. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 januari 2013 de aanslagen, alsmede de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2013.

Namens eiser zijn verschenen de gemachtigde en de dochter van eiser,[B], tot bijstand vergezeld door haar moeder. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D].

Overwegingen

Feiten

1.

In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag.

De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de afdrukken van de microfiches.

2.

Verweerder heeft eiser geïdentificeerd als rekeninghouder ter zake van bij de KB Lux aangehouden rekening met nummer [rekeningnummer]. De door verweerder ontvangen informatie (hierna: het renseignement) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“[renseignement]

”.

De op het renseignement voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi per 31 januari 1994 in Nederlandse guldens.

3.

Eiser, geboren op [datum] 1937, is gehuwd. Eiser heeft een zoon genaamd [E]. Zijn zoon is in 1994 naar Suriname geëmigreerd. Eiser is voor de onderhavige jaren beschreven voor de inkomstenbelasting. Hij heeft in zijn aangiften geen inkomensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KB Lux.

4.

Verweerder heeft eiser op 6 november 2002 een vragenbrief gestuurd ter zake van zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) inzake omkering van de bewijslast. Als bijlage bij deze brief is een formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” gevoegd. In dit formulier wordt van eiser gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest. Eiser heeft het formulier “Verklaring buitenlandse rekeningen” op 13 november 2002 ondertekend en daarin aangegeven dat hij geen buitenlandse bankrekening heeft.

5.

Bij brief van 18 november 2002 heeft verweerder eiser, onder verwijzing naar vorengenoemde artikelen inzake omkering van de bewijslast, verzocht om alsnog nadere gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van een door hem bij de KB Lux gehouden bankrekening. Bij deze brief was een modelbrief gevoegd, met daarin het verzoek aan de KB Lux om toezending van de overzichten van de rekening [rekeningnummer] vanaf 31 december 1989. Eiser heeft de vragenbrief van verweerder niet beantwoord.

6.

Op 25 november 2002 is door een medewerker van de FIOD een proces-verbaal van de identificatie van eiser als rekeninghouder opgemaakt.

7.

Met dagtekening 31 december 2002 is aan eiser een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 alsmede een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 opgelegd, met verhogingen van 100%. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

8.

Bij brieven van 8 januari 2003 en 18 februari 2003 heeft verweerder aan eiser nogmaals een afschrift van de eerder genoemde modelbrief verstrekt. In de brief van 18 februari 2003 heeft verweerder eiser verzocht om de modelbrief te ondertekenen en deze naar hem te retourneren, waarna hij voor verzending daarvan aan de KB Lux zou zorgen. Eiser heeft aan dit verzoek niet voldaan. Wel is er in deze periode schriftelijk en telefonisch contact geweest tussen eiser en verweerder.

9.

Met dagtekening 31 mei 2003 zijn aan eiser navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 2000 alsmede navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1992 tot en met 2000 opgelegd, met verhogingen respectievelijk vergrijpboetes van 100%. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is eiser wederom in de gelegenheid gesteld om alsnog de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Eiser heeft ook in de bezwaarfase ontkend dat hij een rekening bij de KB Lux heeft (gehad).

10.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2004 zijn de bezwaren van eiser tegen de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen, verhogingen respectievelijk vergrijpboetes ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Deze navorderingsaanslagen en verhogingen respectievelijk vergrijpboetes staan mitsdien onherroepelijk vast.

11.

Met dagtekening 10 september 2004 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2001 en met dagtekening 17 juni 2005 voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

12.

Eiser heeft tegen de onder 11 vermelde aanslagen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 augustus 2006 zijn de aanslagen gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag voor het jaar 2001 gegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit oordeel is door het Hof in zijn uitspraak van 25 juli 2012, nrs. BK-09/00600 en BK-09/00601, ECLI :NL:GHSGR:2012:BZ0300, bevestigd. De rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag voor het jaar 2003 ongegrond verklaard. Dit oordeel is door het Hof in de hiervoor genoemde uitspraak van 25 juli 2012, vernietigd. De aanslag is door het Hof verminderd in die zin dat bij de berekening van de correctie ter zake van de buitenlandse banktegoeden de factor 1,5 is geëlimineerd.

13.

Eiser heeft voor het jaar 2004 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.552. Bij brief van 31 januari 2006 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om van de aangifte af te wijken.

14.

In reactie op het voornemen van verweerder heeft de gemachtigde van eiser bij brief van

16 februari 2006 aan verweerder meegedeeld dat eiser geen buitenlands vermogen heeft en dat de aangifte juist is. Verder heeft de gemachtigde verzocht om inzage in de gegevens en de bescheiden waarop de correctie is gebaseerd.

15.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiser en zijn gemachtigde bij brief van 9 maart 2006 uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Belastingdienst. Het gesprek heeft plaatsgevonden op 10 april 2006. Naar aanleiding van het gesprek heeft verweerder nogmaals een afschrift van de eerder genoemde modelbrief waarmee eiser gegevens met betrekking tot rekeningnummer [rekeningnummer] bij KB-Lux kan opvragen, aan de gemachtigde toegestuurd.

16.

Bij brief van 22 juni 2006 heeft verweerder eiser nogmaals gevraagd om de verzochte informatie over de aangifte voor het jaar 2004 te verstrekken. In reactie heeft de gemachtigde bij brief van 18 augustus 2006 aan verweerder meegedeeld dat hij niet akkoord gaat met de voorgenomen correcties.

17.

Bij brief van 30 augustus 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij de voorgenomen correcties heeft gehandhaafd en dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 is vastgesteld zoals meegedeeld in de brief van 31 januari 2006. De aanslag is gedagtekend 13 september 2006. Op 25 oktober 2006 heeft eiser tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

18.

Eiser heeft voor het jaar 2005 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.204 en voor het jaar 2006 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.942. Bij brief van 1 juli 2008 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van deze aangiften. Verweerder heeft eiser verzocht nadere informatie te verschaffen over de aangiften. Bij brief van 11 juli 2008 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat hij geen buitenlands vermogen heeft.

19.

Bij brief van 12 september 2008 heeft verweerder herhaald dat hij voornemens is om af te wijken van de aangiften voor de jaren 2005 en 2006. In reactie op het voornemen van verweerder heeft de gemachtigde bij brief van 29 september 2008 aangegeven niet akkoord te gaan met de voorgenomen correcties.

20.

Bij brief van 3 oktober 2008 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij de voorgenomen correcties heeft gehandhaafd en dat de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2005 en 2006 zijn vastgesteld zoals meegedeeld in de brief van 12 september 2008. De aanslagen zijn gedagtekend 21 oktober 2008 en 15 november 2008. Op 2 respectievelijk 3 december 2008 heeft eiser tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt.

21.

Eiser heeft voor het jaar 2007 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.670 en voor het jaar 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.607. Bij brief van 20 april 2010 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van deze aangiften. De gemachtigde heeft bij brief van 4 mei 2010 laten weten niet akkoord te gaan met de voorgenomen correcties.

22.

Bij brief van 10 mei 2010 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij de voorgenomen correcties heeft gehandhaafd en dat de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2007 en 2008 zijn vastgesteld zoals vermeld in de brief van 20 april 2010. De aanslagen zijn gedagtekend 11 juni 2010 en 23 juli 2010. Op respectievelijk 18 juli 2010 en 3 september 2010 heeft eiser tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt.

23.

Bij brief van 29 juni 2012 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om de bezwaren van eiser af te wijzen. In reactie op dit voornemen heeft de gemachtigde bij brief van 18 juli 2012 aangegeven dat hij wil worden gehoord. Het hoorgesprek heeft plaatsgevonden op 17 september 2012. Van het hoorgesprek is een verslag opgemaakt, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort.

24.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 januari 2013 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiser. De aanslagen zijn verminderd in die zin dat bij de berekening van de correctie ter zake van de buitenlandse banktegoeden de factor 1,5 is geëlimineerd. Daarbij is aan eiser geen proceskostenvergoeding toegekend.

Geschil

25. In geschil is of eiser terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder van de bankrekening bij de KB Lux met rekeningnummer [rekeningnummer]. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is voorts in geschil of verweerder terecht over de jaren 2004 tot en met 2008 correcties heeft aangebracht ter zake van buitenlandse banktegoeden. Voorts is in geschil de in rekening gebrachte heffingsrente, of eiser recht heeft op een schadevergoeding en of eiser in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.

26.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente en toekenning van een schadevergoeding en een proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep.

27.

Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen voor zover het de vergoeding voor de kosten van de bezwaren betreft.

28.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Identificatie

29.

De rechtbank begrijpt dat eiser niet langer betwist dat voornoemde rekening bij de KB Lux met rekeningnummer [rekeningnummer] op naam staat van eiser en zijn zoon. Eiser betwist echter wel dat hij als rechthebbende tot die rekening heeft te gelden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij slechts als gevolmachtigde heeft te gelden en dat zijn zoon de rekeninghouder was. Ter ondersteuning hiervan heeft hij de volgende verklaringen van zijn zoon van 15 juni en 20 juni 2013 gericht aan verweerder overgelegd.

“Hierbij wil ik mededelen, dat ik, [zoon eiser], een rekening heb gehad bij [de KB Lux]. In 1994 ben ik verhuisd naar Suriname, en heb toen mijn spaargeld welke ik bij de Luxemburgse bank had gedeponeerd weer opgenomen, om in mijn geboorteland een nieuw bestaan op te bouwen. Ik heb tot mijn verbazing vernomen, dat de belastingdienst denkt dat de rekening van mijn vader is geweest, en zodoende mijn vader wordt gezien als zijnde de rekeninghouder. Het is niet mogelijk voor mijn vader (…) die werkloos is en leeft van een uitkering om te sparen, laat staan een rekening te openen in het buitenland. (…)

Bij het openen van de rekening had ik wel mijn vader gemachtigd om mijn rekening te beheren in geval er iets met mij zou gebeuren. Dat ik hem had gemachtigd wist hij op dat moment niet, (…). Ik had echter ondanks dat ik een andere mening op na hield en mijn eigen weg opging, geen andere keus en geen ander persoon kunnen indenken die eerlijk en oprecht was en die mijn geld goed zou kunnen beheren dan [eiser].”

En in de nadere toelichting van 20 juni 2013.

“Ik [zoon eiser] had bij het openen van het rekeningnummer bij de [KB Lux] indertijd mijn vader gemachtigd omdat dit mij zijdens de bank werd geadviseerd. Mocht er wat met mij gebeuren kon iemand het geld toch opnemen voor mijn erfgenamen. Op dat moment kon ik niemand anders bedenken dan mijn vader. Ik heb dus zijn naam en geb.datum doorgegeven. Dat bleek voldoende te zijn.

Niemand was op de hoogte van de machtiging tot eind 2012 toen ik in gesprek met mijn zusters deze mededeling deed.”

30.

Gelet op de tenaamstelling van de rekening is de rechtbank van oordeel dat eiser samen met zijn zoon moet worden aangemerkt als gerechtigde tot de rekening, ieder voor het geheel. De stelling dat de rekening zonder medeweten van eiser mede op diens naam kon worden geopend, acht de rechtbank, gelet op de betwisting hiervan door verweerder en zonder nadere onderbouwing van deze stelling, niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser als eerste rekeninghouder staat vermeld en zijn zoon als tweede rekeninghouder. Het ligt niet voor de hand dat de zoon, die stelt de rekening te hebben geopend en daarop geld heeft gestort, als tweede rekeninghouder staat vermeld.

31.

Eiser heeft verder nog aangevoerd dat hij brieven naar de KB Lux heeft gestuurd, maar daar geen antwoord op heeft ontvangen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser op 22 oktober 2004 (aangetekende verzending), 12 april 2006 (aangetekende verzending) en 4 juni 2012, een brief naar de KB Lux heeft verzonden. De brief van 21 oktober 2004 bevat de volgende tekst:

“De Belastingdienst in Nederland is een onderzoek begonnen naar rekeninghouders in uw land. Zij vermoeden dat ik een rekening heb bij uw bank. Ik heb geen rekening bij uw bank, maar toch ben ik wegens omstandigheden en dwang genoodzaakt dit verzoek aan u te richten. De Belastingdienst heeft een lijst met gegevens zonder een logo en adresgegevens waarop mijn naam staat en een rekeningnummer met een banksaldo.

Het rekeningnummer is [rekeningnummer].

Naam rekeninghouder: [X] ou [E].

Adres (…)

Ik moet de volgende inlichtingen bij u opvragen:

  • -

    De aard van de rekening (bijvoorbeeld rekeningcourant, spaarrekening, effectenrekening, etc);

  • -

    De datum waarop de rekening is geopend;

  • -

    De saldi van de rekeningingen per 31 december van ieder jaar;

  • -

    Een specificatie van de beleggingsfondsen per 31 december van ieder jaar (inclusief de namen van de fondsen);

  • -

    Een overzicht van alle stortingen en/of overnakingen (bedrag, datum, omschrijving storting of overmaking en bankrekeningnummer waarvan het overgemaakte bedrag afkomstig is;

  • -

    Een overzicht van alle opnamen en/of overboekingen (bedrag, datum omschrijving opname of overboeking en bankrekeningnummer waar het bedrag naar is overgemaakt;

  • -

    Een specificatie van de ontvangen rente per jaar;

  • -

    Een specificatie van de opbrengst van effecten per jaar.

Ik verzoek u mij deze gegevens schriftelijk te verstrekken, voor iedere bankrekening afzonderlijk en van de periode 31 december 1989 tot en met heden.

Indien u vragen of opmerkingen heeft, kunt u mij bellen (…).”

De overige brieven bevatten een soortgelijke tekst.

32.

Eiser heeft verder een brief van de zoon overgelegd die de zoon op 12 december 2012 naar de KB Lux heeft verzonden. Deze brief bevat de volgende tekst:

“Ik ben rekeninghouder geweest bij uw bank. (…)

Mijn gegevens zijn als volgt:

Rekeningnummer: [rekeningnummer]

Naam rekeninghouder: [E]

(…)

Ik verzoek u mij inlichtingen te verstrekken over de door mij bij uw bank aangehouden bankrekening. De inlichtingen waarover ik wil beschikken zijn de volgende:

De aard van de rekening;

De datum waarop de rekening geopend is;

De saldi van de rekening per 31 december van ieder jaar.

Een specificatie van de ontvangen rente per jaar.

Ik verzoek u mij deze gegevens schriftelijk te verstrekken van de periode 31 december 1989 tot en met heden.”

Bij brief van 25 maart 2013 heeft de zoon de KB Lux een (gelegaliseerde) kopie van zijn paspoort toegezonden. Hierop heeft de zoon de volgende brief van de KB Lux ontvangen.

“Wij hebben uw brief van 25 maart 2013 in goede orde ontvangen.

Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de Bank gerechtigd over te gaan tot de vernietiging van de documenten en stukken.

Om die reden voeren wij geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen reglement der verrichtingen.”

33.

Met de brieven die eiser naar de KB Lux heeft gezonden en zijn stelling dat hij daarop geen antwoord heeft ontvangen, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank evenmin aannemelijk gemaakt dat hij niet als gerechtigde tot de rekening kan worden aangemerkt. Eiser heeft geen gebruik willen maken van het formulier dat de Belastingdienst hem heeft toegezonden ter verkrijging van inlichtingen van de KB Lux, terwijl op deze zogenoemde modelbrieven naar de ervaring van verweerder doorgaans wel door de KB Lux wordt gereageerd. Hij heeft in zijn brieven aan de KB Lux vooropgesteld dat hij geen rekening aanhield bij de KB Lux. Gelet hierop is het niet verwonderlijk dat eiser geen reactie van de KB Lux op zijn brieven heeft ontvangen. De omstandigheid dat eiser niet de voorbeeldbrieven van de Belastingdienst heeft willen gebruiken dient voor zijn rekening te komen. De onder 32 vermelde brief van de zoon van eiser alsmede het antwoord daarop van de KB Lux doen aan de identificatie van eiser alsmede zijn gerechtigdheid tot het saldo op de bankrekening evenmin af aangezien deze brieven daarin geen enkel nader inzicht verschaffen. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft gesteld voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser rekeninghouder is (geweest). Gelet op de tenaamstelling van de rekening, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen eiser aan te schrijven.

Rechtmatigheid van het bewijs

34.

Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door gebruik te maken van de in het renseignement opgenomen gegevens.

35.

Deze stelling van eiser faalt. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder de gegevens afkomstig van de gestolen microfiches als bewijsmiddel gebruiken. De rechtbank acht daarbij van belang dat de Nederlandse fiscus in het bezit van fotokopieën van de afgedrukte microfiches is gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van de Richtlijn aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt. Indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, dan zijn de gegevens door de Nederlandse fiscus naar het oordeel van de rechtbank niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van de KB Lux en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de in die gegevens vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (zie Hoge Raad 21 maart 2008, nr

43 050,

ECLI:NL:HR:2008:BA8179).

Verdeling van de bewijslast

36.

In artikel 27e van de AWR is bepaald dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.

37.

Vast staat dat voor alle in geding zijnde jaren geen informatiebeschikkingen zijn afgegeven. Dit brengt mee dat voor toepassing van omkering van de bewijslast verweerder aannemelijk dient te maken dat eiser niet de vereiste aangiftes heeft gedaan.

38.

Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat eiser gedurende de gehele in geschil zijnde periode heeft beschikt over de hiervoor onder 2. vermelde rekening. Verweerder heeft ter onderbouwing van deze stelling aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat zogenoemde zwartspaarders met een bankrekening in een land met een bankgeheim gedurende een lange periode deze rekening hebben aangehouden met als doel aanzienlijke vermogens buiten het zicht van de fiscus te houden en dat deze ervaringsregel ook steun vindt in de door de meewerkers verstrekte gegevens over de jaren tot en met 2000. Gelet op de bekende gegevens van de meewerkers tot en met 2000 en de algemene ervaringsregel dat doorgaans gedurende een aantal opvolgende jaren een (deposito)rekening aanwezig is, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ook in de jaren 2004 tot en met 2008 houder was van de op de afdruk van het microfiche vermelde rekening (dan wel de tegoeden in 2004 en 2008 elders heeft aangehouden) en gerechtigd was tot deze tegoeden . De enkele verklaring van de zoon dat hij het geld in 1994 heeft opgenomen en nadien heeft besteed alsmede de in het geding gebrachte brief van de KB Lux dat de bank geen onderzoek uitvoert naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken. De veronderstelde opname van het saldo op de KB Lux rekening is met geen enkel bewijs onderbouwd. Er zijn geen rekeningafschriften overgelegd en er is geen bewijs dat de rekening in 1994 is opgeheven. Evenmin zijn er stukken overgelegd waaruit blijkt dat het geld is besteed, terwijl verwacht mag worden dat van de besteding van een tegoed als hier aan de orde iets zichtbaar zou zijn. Niet in geschil is dat het tegoed op de rekeningen niet is aangegeven als box 3 inkomen. Gelet op het totale saldo van de beide rekeningen acht de rechtbank aannemelijk dat het bedrag dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat eiser dat wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft eiser voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangiftes gedaan. Hieruit volgt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit houdt in dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard, tenzij eiser overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

39.

Met hetgeen eiser heeft aangevoerd en overgelegd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De stelling van eiser dat hij slechts buiten zijn medeweten om gevolmachtigde was van de rekening en geen rekeninghouder is (geweest), is gelet op de tenaamstelling van de rekening, zonder nadere onderbouwing van zijn stelling, onvoldoende. Dit geldt eveneens voor de verklaring van de zoon dat hij het geld in 1994 heeft opgenomen, nu de zoon zijn stelling niet met feitelijke gegevens heeft onderbouwd.

Redelijke schatting

40.

Eiser dient dus naar het oordeel van de rechtbank als rekeninghouder te worden aangemerkt, waarbij tevens aannemelijk is dat zowel eiser als de zoon volledig gerechtigd zijn tot de tegoeden van de rekening (Vgl. Hoge Raad 8 maart 2013, nr. 12/00448, ECLI:NL:HR:2013:BZ3490). Nu eiser geen gegevens heeft verstrekt over de rekening en verweerder evenmin kon beschikken over gegevens van de KB Lux vanwege het bankgeheim, is verweerder ter vaststelling van de over de betrokken jaren verschuldigde belasting aangewezen op een schatting.

41.

Verweerder heeft de hoogte van de correcties gebaseerd op een modelmatige berekening die is gemaakt voor de jaren tot en met 2000, waarbij gebruik is gemaakt van de gegevens op de microfiches en gegevens verkregen van de rekeninghouders die wel hebben meegewerkt aan het onderzoek van de belastingdienst (de meewerkers). Aan de hand van dit model heeft hij het saldo per einde van het jaar 2000 berekend. Vervolgens is verweerder uitgegaan van een veronderstelde aangroei van dat saldo van ongeveer 5% per jaar. Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze berekening jegens de betreffende rekeninghouder (weigeraar en geïdentificeerde ontkenner) redelijk en dus niet willekeurig mag zijn. Deze mag echter, gelet op de mate waarin gegevens slechts summier beschikbaar zijn, wel enige ruwheid vertonen (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324).

42.

In bezwaar heeft verweerder erkend dat de door hem gehanteerde modelmatige berekening niet redelijk is voor zover het de verhoging met de factor 1,5 betreft. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder daarom de correcties herberekend, waarbij de factor 1,5 is geëlimineerd. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat aldus na bezwaar sprake is van een redelijke schatting.

Aanslagtermijn

43.

Eiser betoogt dat sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn die leidt tot onbevoegdheid van verweerder ten aanzien van de aanslagregeling. Voor zover eiser hiermee heeft bedoeld te stellen dat de bevoegdheid om de aanslagen op te leggen is verjaard, faalt het betoog. Elk van de onderhavige aanslagen is opgelegd binnen de in artikel 11, derde lid, van de AWR opgenomen termijn van drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Mitsdien zijn de aanslagen binnen de wettelijke aanslagtermijn opgelegd.

Artikel 6 en artikel 8 EVRM

44.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat de aanslagen in strijd zijn met het bepaalde in artikel 6 en artikel 8 van het EVRM. Het beroep op artikel 6 van het EVRM faalt reeds omdat er geen boetes zijn opgelegd en dus van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM geen sprake is. Evenmin is sprake van een ontoelaatbare inmenging in het privéleven van eiser. Gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder werd aangewezen, was er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser kennelijk meent, voldoende aanleiding om aan eiser nadere inlichtingen omtrent die rekeningen te vragen als door verweerder is gedaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 47 van de AWR was eiser ook verplicht de gevraagde informatie te verstrekken.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

45. Eisers beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt eveneens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur of de hem toegekende bevoegdheden op een daartoe niet bedoelde wijze heeft aangewend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de uitspraken op bezwaar voldoende zijn gemotiveerd.

Heffingsrenten

46.

Eiser heeft de in rekening gebrachte heffingsrenten bestreden. Nu eiser geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd tegen de beschikkingen heffingsrente en ook overigens is niet gebleken dat de heffingsrenten in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de AWR zijn berekend, faalt ook dat betoog.

Kosten van bezwaar

47.

Eiser heeft in zijn bezwaarschriften verzocht om een vergoeding van de kosten van het bezwaar. Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft verweerder heeft deze verzoeken afgewezen. Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat aan eiser alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase moet worden toegekend. De rechtbank sluit zich hierbij aan. De rechtbank zal daarom, doende wat verweerder had behoren te doen, aan eiser een vergoeding toekennen voor de kosten die hij in verband met de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs heeft moeten maken.

Schadevergoeding

48.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij, ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, bij een gegrond beroep indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan kan veroordelen tot vergoeding van de schade die deze partij lijdt.

49.

Nu eiser zijn verzoek niet heeft onderbouwd, hij heeft niet gesteld wat voor schade hij heeft geleden en evenmin welk bedrag daar mee gemoeid zou zijn, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Slotsom

50.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 47 heeft overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

51.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

52.

De rechtbank merkt de onderhavige zaken aan als met elkaar samenhangende zaken.

De ingediende bezwaarschriften hebben namelijk betrekking op hetzelfde feitencomplex, te weten dezelfde buitenlandse bankrekening. De procedures daarover zijn als één geheel gevoerd en hebben geresulteerd in bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, één beroep- en één verweerschrift en één uitspraak van de rechtbank voor alle zaken samen. Gelet hierop zijn de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.121 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1,5 voor 4 of meer samenhangende zaken). Voor het toekennen van een hogere kostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Daarbij overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, doch alleen voor zover deze betrekking hebben op de beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.121, te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, voorzitter, en mr. T. van Rij en

mr. T.A. de Hek, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep