Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13020

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
13/12633 en 13/12636
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennismigrant, loonbegrip, vergoeding werknemersbijdrage ZVW.

De rechtbank is van oordeel dat met het loonbegrip in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav is aangesloten bij het loonbegrip uit de Ziekefondswet (hierna: Zfw). Voor zover hier van belang wordt onder loon aldus verstaan elke overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde uitkering, welke de verzekerde als vergoeding voor zijn arbeid ontvangt. Uit deze begripsomschrijving leidt de rechtbank af dat het gaat om een vergoeding voor arbeid. De werknemersvergoeding op grond van de Zorverzekeringswet (hierna: Zvw) is geen vergoeding voor arbeid, maar voor ziektekosten. Dat uitkeringen ter dekking van ziektekosten van het loonbegrip zijn uitgezonderd volgt voorts uit de omstandigheid dat onder de Zfw uitkeringen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten ter zake van een particuliere ziektekostenverzekering expliciet van het loonbegrip werden uitgezonderd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat (ook) de vergoeding van de werknemersbijdrage op grond van de Zvw niet in aanmerking dient te worden genomen bij de toepassing van artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 13/12633 en AWB 13/12636

Datum uitspraak: 24 september 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser] (hierna: eiser),

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[eiseres] (hierna: eiseres),

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

beiden van Pakistaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde mr. S.M. Groen,

tegen

de Staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

Verweerder, (onder verweerder wordt tevens verstaan: de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2011 heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ verleend, met ingang van 29 december 2010 en laatstelijk aansluitend verlengd tot 30 oktober 2012.
Bij besluit van 4 mei 2012 heeft verweerder eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner [eiser]’ verleend, met ingang van 13 april 2012, geldig tot 30 oktober 2012.

Bij besluit van 6 december 2012 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 29 december 2010.
Bij besluit van 6 december 2012 heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 13 april 2012.

Daartegen hebben eisers bij brief van 21 december 2012 bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten van 16 april 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 13 mei 2013 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 augustus 2013. Eisers zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.A.M. de Groot.

De beoordeling

1.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2.

Bij besluit van 11 januari 2011 is eiser met ingang van 29 december 2010 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als kennismigrant’ op grond van artikel 14 van de Vw 2000. Deze verblijfsvergunning was gebaseerd op het dienstverband tussen eiser en [naam bedrijf] Bij de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 6 december 2012 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van datum verlening, omdat eiser met € 24.588,36 per jaar te weinig verdiende.

Nu de aan eiser verleende vergunning is ingetrokken, voldoet eiseres niet langer aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan haar is verleend. Derhalve heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres eveneens ingetrokken.

3.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen. Zij stellen dat eiser € 26.401,32 per jaar verdient, hetgeen boven de desbetreffende norm uitkomt, zodat verweerder de vergunning niet had mogen intrekken.

4.

De rechtbank overweegt dat het verschil van beide voormelde bedragen slechts bestaat uit de vergoeding van de werknemersbijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). Eisers betogen dat deze vergoeding dient te worden meegenomen bij het bepalen van de hoogte van het loonbedrag. Verweerder stelt dat deze vergoeding daarin niet moet worden meegenomen.

5.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder y, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), houden de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband met verblijf als kennismigrant als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Besluit uitvoering Wav)

6.

Uit artikel 1d van het Besluit uitvoering van de Wav volgt dat, voor zover hier van belang, een kennismigrant, als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Vb 2000, is een in Nederland op basis van een arbeidsovereenkomst of een ambtelijke aanstelling tewerkgestelde die binnen een jaar voorafgaand aan de tewerkstelling een geaccrediteerde opleiding aan een hoger onderwijsinstelling in Nederland heeft afgerond en van wie het overeengekomen vaste, naar tijdruimte en in geld vastgestelde loon als vergoeding voor zijn arbeid dat hij van de werkgever ontvangt, ten minste € 26.376,- bedraagt.

7.

Voormelde bepaling is bij Besluit van 28 november 2007 tot wijziging van het besluit uitvoering Wav en het besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 tot aanpassing van het zoekjaar en de inkomensgrens van in Nederland afgestudeerde vreemdelingen binnen de kennismigrantenregeling (Stb 2007, 52; hierna: Besluit 2007) in het Besluit uitvoering Wav opgenomen.

Uit een brief van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Justitie en Ontwikkelingssamenwerking van 1 juni 2007 (TK 2006-2007, 29861 en 30573, nr. 17) blijkt dat het betrokken loonbedrag is gebaseerd op een advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (hierna: ACVZ) van 20 februari 2007, getiteld ‘Profijt van Studiemigratiebeleid’, waarin wordt gesteld dat het bruto-jaarsalaris van iemand die anderhalf jaar is afgestudeerd aan een hogere beroepsopleiding gemiddeld € 25.000,- bedraagt. Uit welke loonbestanddelen dit bruto-jaarsalaris in het advies van de ACVZ is opgebouwd, wordt niet in die brief noch in het advies zelf dan wel in de aan dat advies ten grondslag liggende stukken, nader gespecificeerd.

Uit de Nota van Toelichting van het Besluit van 28 september 2004 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wav in verband met de toelating van kennismigranten (Staatsblad 2004, 481; hierna: Besluit 2004), blijkt dat bij de totstandkoming van artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav wat betreft de hoogte van het loonbedrag is aangesloten bij het in artikel 3 van de (inmiddels vervallen) Ziekenfondswet (hierna: Zfw) genoemde bedrag.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder a, van de Zfw, zoals dat destijds luidde, wordt onder loon verstaan elke overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde uitkering, welke de verzekerde als vergoeding voor zijn arbeid of gedurende staking van de arbeid van zijn werkgever ontvangt, met uitzondering van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen uitkeringen of bestanddelen van zodanige uitkeringen.

Deze maatregel van bestuur is het Besluit aanwijzing van uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen welke voor de toepassing van de loongrens niet tot het loon worden gerekend (Staatsblad 1995, 458). In dat besluit is in artikel 1, sub b, vermeld dat uitkeringen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten ter zake van een particuliere ziektekostenverzekering geacht wordt niet tot loon, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, sub a, van de Zfw, te behoren

8.

In paragraaf B15/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, wordt vermeld dat voor de beoordeling of aan het looncriterium voor kennismigranten is voldaan, uitsluitend betekenis wordt toegekend aan loon in geld. Het gaat daarbij om het vaste contractueel overeengekomen brutoloon. De waarde van niet in geld uitgekeerd loon en de waarde van onzekere bestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen worden derhalve niet meegeteld. Vaste toeslagen zoals vakantietoeslagen en een dertiende maand kunnen bij dit bruto jaarloon wel worden meegerekend

9.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat met het loonbegrip in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav is aangesloten bij het loonbegrip uit de Zfw. Voor zover hier van belang wordt onder loon aldus verstaan elke overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde uitkering, welke de verzekerde als vergoeding voor zijn arbeid ontvangt. Uit deze begripsomschrijving leidt de rechtbank af dat het gaat om een vergoeding voor arbeid. De werknemersvergoeding op grond van de Zvw is geen vergoeding voor arbeid, maar voor ziektekosten. Dat uitkeringen ter dekking van ziektekosten van het loonbegrip zijn uitgezonderd volgt voorts uit de omstandigheid dat onder de Zfw uitkeringen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten ter zake van een particuliere ziektekostenverzekering expliciet van het loonbegrip werden uitgezonderd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat (ook) de vergoeding van de werknemersbijdrage op grond van de Zvw niet in aanmerking dient te worden genomen bij de toepassing van artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav.

Anders dan eisers stellen kan uit de beleidsnota van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid getiteld ‘Notitie Arbeidsmigratie van buiten de EU’ van 11 april 2011 (TK 2010-2011, 32144, nr. 5) niet worden afgeleid dat deze vergoeding, als deel van het fiscale loon, wel in aanmerking moet worden genomen. Deze beleidsnotitie is niet afkomstig van verweerder en kan hem aldus niet binden. Voorts wordt in deze beleidsnotitie wellicht gesuggereerd dat thans bij de zogenoemd de kennismigrantenregeling gebruik wordt gemaakt van het fiscale loon, waarvan de vergoeding van de werknemersbijdrage op grond van de Zvw deel uitmaakt, doch blijkt daar niet duidelijk uit dat deze vergoeding, in weerwil van voormelde wetsgeschiedenis, ook bij toepassing van het loonbegrip in aanmerking dient te worden genomen. Het betoog van eisers faalt.

10.

Voorts hebben eisers betoogd dat het intrekken van de aan hen verleende verblijfsvergunningen in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft eerder immers, op grond van hetzelfde loon, en onder overleggen van alle ter zake doende stukken, wel een vergunning gekregen. Hij heeft destijds nooit onjuiste gegevens overgelegd, zoals verweerder stelt. Derhalve hebben eisers ervan uit mogen gaan dat het salaris van eiser voldeed aan het salariscriterium in de kennismigrantenregeling en had verweerder de aan eisers verleende vergunningen niet mogen intrekken, aldus het betoog van eisers.

11.

Verweerder heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat het vertrouwensbeginsel niet geschonden is. Eiser heeft immers bij de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ en zijn aanvraag om verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning onjuiste gegevens verstrekt. Eiser heeft beide keren een arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring overgelegd, waarin is gesteld dat eiser brutosalaris van €2200,- zou ontvangen. Pas nadat de inspectie SZW een controle bij de werkgever heeft uitgevoerd is gebleken dat de bruto maandbedragen vermeld in de arbeidsovereenkomst en de overgelegde werkgeversverklaring niet correct waren, aldus verweerder.

12.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet nader heeft aangegeven, ook niet desgevraagd ter zitting, welke onjuiste gegevens eiser zou hebben verstrekt. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en slaagt het betoog. Het beroep, met registratienummer 13/12633, is daarom gegrond en het besluit van 16 april 2013 ten aanzien van eiser is in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen en komt op die grond voor vernietiging in aanmerking.

13.

De rechtbank zal thans bezien of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

14.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer 26 november 2008 (ECLI:RVS:2008:BG5360), kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts dan slagen indien een tot beslissen bevoegd orgaan uitdrukkelijk en ondubbelzinnig toezeggingen heeft gedaan die bij de aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

Dat eerder vergunningen zijn verleend, betekent op zichzelf niet dat sprake is van een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezegging van verweerder dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning niet zal worden ingetrokken. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten

15.

Nu het beroep, met registratienummer 13/12633, gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder in die zaak te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand 2 punten (waarvan 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met nummer 13/12633, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 472,- per punt) toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

16.

Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers in de zaak met registratienummer 13/12633 betaalde griffierecht aan hen vergoedt.  

17.

Nu aan het beroep, met registratienummer 13/12636, geen op zichzelf staande gronden ten grondslag zijn gelegd, verklaart de rechtbank dit beroep ongegrond.

De beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, met registratienummer 13/12636, ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep, met registratienummer 13/12633, gegrond;

  • -

    vernietigt het ten aanzien van eiser genomen besluit van 16 april 2013;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit van 16 april 2013 geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in de zaak met registratienummer 13/12633 tot een bedrag van € 944-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser in de zaak met registratienummer 13/12633 betaalde griffierecht van € 160,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Gaastra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).