Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:13014

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
C-09-444691 - HA RK 13-296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet exequatur. De tenuitvoerleggingsregeling van art. 31 lid 4 CMR met betrekking tot een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde buitenlandse uitspraak is niet van toepassing. Bepalingen van het CMR mogen niet worden toegepast ten nadele van de doelstellingen van het Unierecht, zoals neergelegd in de EEX-Verordening. Voorts claimt het CMR geen exclusiviteit. Ook geen sprake van vereenzelviging van partijen of van onverenigbaarheid van het Franse vonnis met een Nederlandse uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/105
NTHR 2014, afl. 2, p. 101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/444691 / HA RK 13-296

Beschikking van 26 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] TRANSPORT HILLEGOM B.V.,

(verder te noemen ‘[A]’),

gevestigd te Hillegom,

verzoekster,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

IFB INTERNATIONAL FREIGHTBRIDGE FRANCE,

(verder te noemen ‘IFB’),

gevestigd te Parijs (Frankrijk),

verweerster,

advocaat mr. C. Almeida te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 7 juni 2013 (per fax) ingekomen verzoekschrift,

  • -

    de brieven van mr. Knottenbelt van 12 en 27 juni 2013 en van 12 augustus 2013,

  • -

    het op 28 augustus 2013 ingekomen verweerschrift.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2013. Verschenen zijn:

- mr. P. Ruitinga, advocaat te Rotterdam, namens [A],

- mr. C. Almeida en mr. A.O. Trofymenko, beiden advocaat te Rotterdam, namens IFB,

- de heer [B] namens TVM Verzekeringen.

2 De feiten

2.1.

IFB heeft van First Telecom International (verder te noemen ‘FTI’) opdracht gekregen een lading van 3.900 mobiele telefoons te vervoeren van vliegveld Charles de Gaulle in Frankrijk naar vliegveld Schiphol in Nederland. IFB heeft het vervoer uitbesteed aan Dragon Air die het wegvervoer op haar beurt heeft toevertrouwd aan haar agent Capitol International S.A. (verder te noemen ‘Capitol’), die voor het eigenlijke wegvervoer [A] heeft ingeschakeld. Tijdens het vervoer door [A] zijn in totaal 2.630 mobiele telefoons ontvreemd.

2.2.

Bij vonnis van 20 oktober 2010 (hersteld bij vonnis van 19 januari 2011) heeft de rechtbank Haarlem voor recht verklaard dat [A] jegens twee gedaagden (Capitol en Hong Kong Dragon Airline Ltd), aansprakelijk is tot het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid ad 8,33 SDR per kilogram.

2.3.

Bij vonnis van 25 september 2012 heeft het Tribunal de Commerce te Pontoise (Frankrijk) onder meer [A] en Dragon Air hoofdelijk veroordeeld om aan IFB te betalen een bedrag van € 273.127,66, te vermeerderen met rente en kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld. De vordering van [A] om opheffing dan wel schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad is in Frankrijk door het Cour d’Appel afgewezen.

2.4.

De voorzieningenrechter bij deze rechtbank heeft bij beslissing van 10 april 2013 IFB verlof verleend tot tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van 25 september 2012. Bij exploten van 13 mei 2013 en 25 juni 2013 is op verzoek van IFB aan [A] betekend het vonnis van 25 september 2012, zowel in de Franse als in de Nederlandse taal, alsmede een afschrift van de verklaring van uitvoerbaarheid als bedoeld in artikel 54 van de EEX- Verordening (44/2001). Bij het exploot van 25 juni 2013 is eveneens het verleende exequatur betekend. De advocaat van [A] heeft voorafgaand aan laatstbedoeld exploot op 29 mei 2013 van de griffier van de rechtbank kopie ontvangen van het inleidende verzoek tot tenuitvoerlegging en het daarop verleende verlof van 10 april 2013.

3 Het verzet

3.1.

[A] verzoekt de rechtbank primair alsnog het exequatur met betrekking tot het Franse vonnis van 25 september 2012 te onthouden, althans dit te ontnemen. Subsidiair verzoekt zij de rechtbank de beslissing op het verzoek om een exequatur wel of niet te verlenen aan te houden totdat in Frankrijk een onherroepelijke beslissing is genomen. [A] voert daartoe het volgende aan. Het onderhavige Franse vonnis betreft een procedure in het kader van een overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg. Op die overeenkomst is het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 31 lid 4 CMR kan in Nederland geen verlof tot tenuitvoerlegging worden verleend aangezien de Franse uitspraak - volgens de bewoordingen van genoemd artikel - slechts uitvoerbaar bij voorraad is.

3.2.

Voorts kan geen tenuitvoerlegging worden verleend indien de beslissing onverenigbaar is met een in Nederland tussen dezelfde partijen gegeven beslissing. Het Franse vonnis is in de visie van [A] onverenigbaar met het vonnis van de rechtbank Haarlem van 20 oktober 2010 (gecorrigeerd bij vonnis van 19 januari 2011). Weliswaar was IFB formeel geen partij bij de Haarlemse procedure, maar de overige lading- belanghebbenden waren dat wel. Volgens [A] dient vereenzelviging van IFB met Capitol (en overige ladingbelanghebbenden) plaats te vinden.

3.3.

IFB voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 43 lid 1 van de EEX-Verordening bepaalt dat elke partij een rechtsmiddel kan instellen tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid. Het vijfde lid bepaalt dat het rechtsmiddel moet worden ingesteld binnen één maand na de betekening van de beslissing. Artikel 4 van de Uitvoeringswet EEX-Verordening bepaalt vervolgens dat de rechtbank van welke de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beschikt, kennis neemt van het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de EEX-Verordening. Betekening van de beslissing van de voorzieningenrechter van 10 april 2013 heeft plaatsgevonden bij exploot van 25 juni 2013. De advocaat van [A] heeft de beslissing van de voorzieningenrechter echter reeds op 29 mei 2013 ontvangen. Het op 7 juni 2013 door [A] ingediende verzet tegen de beslissing van 10 april 2013 is dus tijdig ingediend.

4.2.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat in de onderliggende bodemprocedure het CMR van toepassing is. Artikel 31 lid 3 CMR bepaalt dat wanneer in een rechtsgeding, waartoe het aan het CMR onderworpen vervoer aanleiding geeft, een uitspraak, gedaan door een gerecht van een bij het CMR partij zijnd land, in dat land uitvoerbaar is geworden, zij eveneens uitvoerbaar wordt in elk ander bij het CMR partij zijnd land, zodra de aldaar terzake voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld. Het vierde lid bepaalt echter dat voormelde bepaling niet van toepassing is op uitspraken die slechts bij voorraad uitvoerbaar zijn.

4.3.

Artikel 71 lid 2 van de EEX-Verordening bepaalt onder meer dat indien een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp (in casu het CMR), waarbij zowel de lidstaat van herkomst als de aangezochte lidstaat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen, die voorwaarden van toepassing zijn. Voorts bepaalt dit artikel dat in elk geval de bepalingen van de EEX-Verordening betreffende de procedures voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen kunnen worden toegepast.

4.4.

De rechtbank dient thans te beoordelen of artikel 31 lid 4 CMR in de onderhavige zaak al dan niet van toepassing is gelet op het bepaalde in artikel 71 van de EEX-Verordening. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de considerans van de EEX-Verordening blijkt dat de Europese Gemeenschap zich ten doel heeft gesteld maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken vast te stellen die voor de goede werking van de interne markt nodig zijn. Bepalingen die de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor de EEX-Verordening verbindend is, zijn daarbij onontbeerlijk. Punt 17 van de considerans luidt dat op grond van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren doeltreffend en snel moet zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in de EEX-Verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.

4.5.

Uit het vorenstaande valt af te leiden dat de bepalingen van bijzondere verdragen niet mogen worden toegepast ten nadele van de doelstellingen van het Unierecht, zoals neergelegd in de EEX-Verordening. Hieruit volgt dat de regels in bijzondere verdragen met betrekking tot tenuitvoerlegging binnen de Unie slechts mogen worden toegepast voor zover zij verenigbaar zijn met het beginsel van het vrije verkeer van beslissingen en het beginsel van wederzijds vertrouwen. De rechtbank is van oordeel dat het niet verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging met betrekking tot een in een andere lidstaat uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, op de grond dat het buitenlandse vonnis slechts bij voorraad uitvoerbaar is, zich niet verdraagt met het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie. Hierbij dient tevens in overweging te worden genomen dat het CMR (op 2 juli 1961) in werking is getreden ruim voordat de EEX-Verordening (op 14 maart 2012) en zelfs het EEX-verdrag (op 2 mei 1999) in werking traden. Voormelde beginselen van vrij verkeer van beslissingen en van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling waren bij de inwerkingtreding van het CMR nog niet vastgelegd.

4.6.

De rechtbank overweegt voorts dat het favor executionis-beginsel meebrengt dat bij samenloop van executieverdragen het gerechtelijk vonnis ten uitvoer gelegd kan worden op de voor de executant meest gunstige voorwaarde. Dit beginsel impliceert dat de tenuitvoerleggingsregeling van de EEX-Verordening slechts terugtreedt ten behoeve van het CMR indien de tenuitvoerleggingsregeling van het CMR exclusiviteit claimt. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van het vooralsnog door de Hoge Raad als juist aanvaarde standpunt dat artikel 31 lid 4 CMR geen exclusiviteit claimt (Hoge Raad 28 november 2008, LJN: BF0419). De tenuitvoerleggingsregeling van artikel 31 lid 4 CMR met betrekking tot een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde buitenlandse uitspraak dient daarom in de onderhavige zaak geen toepassing te vinden. Het verzet faalt derhalve op dit onderdeel.

4.7.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het Franse vonnis van 25 september 2012 onverenigbaar is met het vonnis van de rechtbank Haarlem van 20 oktober 2010 (hersteld bij vonnis van 19 januari 2011). Artikel 34 aanhef en onder 3 EEX-Verordening bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing. Deze weigeringsgrond strekt ter bescherming van de maatschappelijke orde van de aangezochte lidstaat die zou worden verstoord indien men op tegenstrijdige vonnissen een beroep zou kunnen doen.

4.8.

Aangezien IFB geen partij was in de procedure bij de rechtbank Haarlem is allereerst de vraag van belang of IFB dient te worden vereenzelvigd met één van de gedaagden in de Haarlemse procedure. Er kan sprake zijn van vereenzelviging van partijen wanneer die partijen identieke en onlosmakelijk verbonden belangen met elkaar delen. De Franse procedure en de procedure in Haarlem hebben betrekking op dezelfde gebeurtenissen, feiten en omstandigheden. De rechtbank is echter van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de belangen van IFB identiek en onlosmakelijk verbonden beschouwd dienen te worden met de belangen van (één van de) zes gedaagden in de Haarlemse procedure. Niet valt uit te sluiten dat IFB, indien zij in de procedure bij de rechtbank Haarlem zou zijn betrokken, een eigen en wellicht afwijkend van de verschenen gedaagde, standpunt naar voren gebracht zou hebben. Er is geen sprake van vertegenwoordiging van IFB of overgang van rechten van IFB op één van de gedaagden. Dit zou bijvoorbeeld wel kunnen spelen in de relatie tussen een verzekeraar en zijn verzekerde. IFB, Capitol en de andere gedaagden in de Haarlemse procedure zijn echter alle op zichzelf staande partijen die eigen belangen verdedigen. Dit leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van vereenzelviging van partijen, zodat het vonnis van de rechtbank Haarlem geen rechtsgevolgen heeft jegens IFB.

4.9.

Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat er geen sprake is van tussen dezelfde partijen gewezen beslissingen als bedoeld in artikel 34 aanhef en lid 3 EEX-Verordening, komt zij niet meer toe aan het beantwoorden van de vraag of de Franse beslissing onverenigbaar is met het vonnis van de Haarlemse rechtbank. Voorwaarde voor de onverenigbaarheid is immers dat er sprake moet zijn van tussen dezelfde partijen gegeven beslissingen. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede wel op dat er geen sprake is van concurrerende beslissingen. Er zijn geen rechtsgevolgen die elkaar uitsluiten. In de Franse beslissing zijn [A] en Dragon Air hoofdelijk veroordeeld om aan IFB een schadevergoeding te betalen, terwijl in de Haarlemse procedure de rechtbank op vordering van [A] voor recht heeft verklaard dat [A] jegens twee gedaagden (Capitol en Dragon Air) beperkt aansprakelijk is. De vraag of de beperkte aansprakelijkheid ook jegens IFB van toepassing is, is in de Haarlemse procedure niet aan de orde geweest. Tenuitvoerlegging van het Franse vonnis is derhalve niet strijdig met de inhoud van het Haarlemse vonnis, dat immers geen rechtsgevolgen heeft jegens IFB.

4.10.

Met het subsidiaire verzoek bedoelt [A] de beslissing op het verzoek tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging aan te houden totdat in Frankrijk in hoger beroep is beslist. Door in het inleidende verzoekschrift niets te stellen over het ingestelde hoger beroep heeft IFB de voorzieningenrechter niet de mogelijkheid geboden om op basis van artikel 46 EEX-Verordening de beslissing op het verzochte exequatur aan te houden, aldus [A]. De rechtbank overweegt dat de voorzieningenrechter bij zijn beoordeling van het inleidend verzoekschrift niet op grond van artikel 46 EEX-Verordening de bevoegdheid heeft zijn beslissing aan te houden. De bevoegdheid om zijn uitspraak aan te houden is, op verzoek van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, op grond van artikel 46 EEX-Verordening gegeven aan het gerecht dat oordeelt over het rechtsmiddel. Ter zitting is gebleken dat [A] geen aanhouding wenst van de beslissing op het onderhavige verzoek, maar een aanhouding van het oorspronkelijke verzoek van IFB aan de voorzieningenrechter tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van het Franse vonnis. Aangezien de rechtbank niet de mogelijkheid heeft de beslissing om een exequatur wel of niet te verlenen alsnog aan te houden, zal het subsidiaire verzoek van [A] worden afgewezen.

4.11.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het verzet van [A] ongegrond dient te worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank verklaart het verzet van [A] tegen de beslissing van de voorzieningen-rechter van deze rechtbank van 10 april 2013 ongegrond en veroordeelt [A] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van IFB begroot op € 589,-- aan verschotten (griffierecht) en € 904,-- aan salaris voor de advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.