Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12897

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
C/09/446821 FA RK 13-5412
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Teruggeleiding naar Turkije zonodig met sterke arm. Vader heeft de minderjarige (2 jaar) na een omgangsregeling niet teruggebracht naar de moeder in Turkije en haar kort daarna overgebracht naar Nederland. De rechtbank oordeelt dat sprake is van onrechtmatige overbrenging. Op grond van de Turkse echtscheidingsbeschikking had de moeder het eenhoofdig gezag over de minderjarige verkregen en niet is gebleken dat zij voorafgaande toestemming had verleend voor de overbrenging naar Nederland. Anders dan de vader gaat de rechtbank uit van de onmiddellijke werking van die beslissing. Het beroep van de vader op de weigeringsgronden (berusting en ondraaglijke toestand bij terugkeer) faalt. In dat verband overweegt de rechtbank dat de moeder direct aan de bel heeft getrokken toen de minderjarige niet terugkeerde op de afgesproken dag en dat er voorts geen contact meer is geweest tussen de ouders, zodat er ook in zoverre geen gedragingen van de moeder zijn geweest waaraan de vader de gerechtvaardigde conclusie kon verbinden dat zij had berust in het vertrek van de minderjarige naar Nederland. De rechtbank gelast de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige naar Turkije, indien nodig met de sterke arm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

7x

Rekestnummer: FA RK 13-5412

Zaaknummer: C/09/446821

Datum beschikking: 30 september 2013

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 12 juli 2013 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te Turkije,

advocaat: mr. N. Türkkol te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief d.d. 26 augustus 2013, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 29 augustus 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de moeder, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland.

Na de regiezitting heeft de rechtbank nog ontvangen een verweerschrift van de zijde van de vader.

Op 16 september 2013 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de moeder, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk. Ter terechtzitting is namens de moeder in kopie een vertaling van het Turks Burgerlijk Wetboek (artikel 335 tot en met 351) overgelegd.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Turkije, dan wel – indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen op welke datum de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Turkije, indien nodig met behulp van de sterke arm; althans een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure.

De vader heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Uit het huwelijk van partijen is geboren het thans nog minderjarige kind:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- Bij beschikking d.d. [datum] 2012 van de familierechtbank te [plaats] is het volgende beslist:

“(…) Besluit:

1.

De zaak is geaccepteerd en is uitgesproken dat (..)tussen partijen is de echtscheiding uitgesproken;

2.

Dat de voogdij van het minderjarige kind van de partijen, [de minderjarige], (…) gegeven wordt aan de moeder, elk jaar mag het kind op de tweede en de derde dag van religieuze feesten, het kind mag op de tweede dag van het feest ‘s morgens om 09:00 uur opgehaald worden en moet op de derde feestdag om 17:00 gebracht worden naar de moeder. Het kind mag de eerste en de derde zaterdag-zondag van de maand naar de vader, het kind mag zaterdag ’s morgens om 09:00 uur opgehaald worden en moet zondag om 17:00 gebracht worden naar de moeder. Het kind mag van 1 tot 31 augustus naar de vader, het kind mag op 1 augustus ’s morgens om 09:00 uur opgehaald worden en moet 31 augustus 17:00 gebracht worden naar de moeder.

3. (…)

Is aan de partijen en de getuigen van de aanklager [de moeder – cursivering rechtbank] verteld, dat na 2 weken van de afronding van de echtscheiding met de optie om in hoger beroep te gaan is de vonnis duidelijk en volgens de regels aan de partijen verteld.

(…) Het besluit dat is gegeven door onze rechtbank op [datum]2012 is op [datum]2012 kennisgegeven aan de aanklager en op [datum]2012 aan de verweerder, partijen hebben binnen de wettelijke termijn geen bezwaar gemaakt en hierdoor wordt op [datum]2012 het besluit bevestigd. (…)”

- Op 31 augustus 2012 heeft de vader de minderjarige meegenomen naar Nederland, waar zij sindsdien verblijft.

- De man heeft in Turkije en in Nederland een verzoekschrift ingediend tot wijziging van het gezag en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Beide zaken zijn tot nader order aangehouden.

- De vader, de moeder en de minderjarige hebben ieder de Turkse nationaliteit.

- De zaak is niet geregistreerd bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Turkije zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd om van het teruggeleidingsverzoek van de moeder kennis te nemen.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Conform de echtscheidingsbeschikking d.d. [datum] 2012 van de familierechtbank te [plaats] had de vader de minderjarige in het kader van de omgangsregeling in de periode van 1 tot en met 31 augustus 2012 bij zich. Op 31 augustus 2012 is de minderjarige niet teruggekeerd naar de moeder en op of omstreeks die dag heeft de vader de minderjarige naar Nederland overgebracht. Niet in geschil is dat de minderjarige onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging de gewone verblijfplaats bij de moeder in Turkije had en aldaar door haar werd verzorgd en opgevoed.

Ter beoordeling van de vraag of de overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht

van de moeder - hetgeen door de vader wordt betwist - acht de rechtbank bepalend

voormelde echtscheidingsbeschikking d.d. [datum] 2012 van de Turkse rechtbank waarin aan

de moeder ‘de voogdij’ over de minderjarige is toegekend en aan de vader een

omgangsrecht. Als onweersproken gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder hiermee met

uitsluiting van de vader het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft verkregen. Anders

dan de vader gaat de rechtbank uit van de onmiddellijke werking van deze gezagsbeslissing,

daar vaststaat dat op het moment van achterhouding geen hoger beroep tegen die beslissing

is ingesteld die de onmiddellijke werking ervan zou schorsen. Uitgangspunt is dan ook dat de moeder op 31 augustus 2012 alléén met het gezag over de minderjarige was bekleed.

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder ten tijde van de overbrenging belast was met het ouderlijk gezag over de minderjarige. Daar gesteld noch gebleken is dat de vader (voorafgaande) toestemming van de moeder heeft verkregen voor de overbrenging van de minderjarige naar Nederland, is de rechtbank van oordeel dat de vader de minderjarige in strijd met het gezagsrecht van de moeder - ongeoorloofd - heeft overgebracht naar Nederland. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Op grond van het tweede lid van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarige in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De vader heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder heeft berust in de overbrenging van de minderjarige en voert daartoe – verkort weergegeven – het volgende aan. Op het moment dat hij de minderjarige wilde terugbrengen heeft hij contact opgenomen met de moeder, maar zij heeft hem niet teruggebeld en nadien het contact afgehouden. Voorts staat vast dat eerst op 31 augustus 2013 een arrestatiebevel is uitgevaardigd, zodat ervan uitgegaan kan worden dat zij in ieder geval tot dat moment heeft berust in de overbrenging. Dat zij later van gedachten zou zijn veranderd, doet daar niet aan af. Voorts is van belang dat de moeder met de minderjarige en haar twee zussen bij haar ouders verblijft en de grootvader moederszijde aan de vader telefonisch en later in persoon te kennen heeft gegeven financieel niet in staat te zijn voor de minderjarige te zorgen. Ook heeft de vader begrepen dat de moeder een nieuwe partner heeft en dat de partner zich zou verzetten tegen de zorg over de minderjarige. De vader heeft hieruit de conclusie getrokken dat de moeder heeft gekozen voor haar nieuwe leven met haar partner, waarin geen plaats is voor de minderjarige.

De moeder betwist dat zij heeft berust in de overbrenging.

De rechtbank stelt voorop dat berusting slechts onder strenge voorwaarden kan worden aangenomen. Om te beoordelen of sprake is van berusting dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de moeder heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van de minderjarige voortaan in Nederland zou zijn. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin, en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende concrete feiten zijn gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de moeder heeft berust in de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en acht daartoe het volgende relevant. Als niet weersproken staat vast dat de moeder op 31 augustus 2012 in de avond reeds aangifte heeft gedaan bij de politie van kinderontvoering door de vader. De moeder heeft verder onweersproken verklaard dat zij de vader op die dag en daarna meerdere malen heeft gebeld, maar dat hij de telefoon niet opnam. De aangifte door de moeder heeft geleid tot een arrestatiebevel in Turkije van 1 maart 2013 en de uiteindelijke indiening van onderhavig verzoekschrift op 15 juli 2013. De moeder heeft derhalve direct aan de bel getrokken toen de minderjarige op de afgesproken dag niet thuis kwam. Voorts staat vast dat de man in Nederland staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op een voor derden niet bekend adres en dat de minderjarige zelfs in het geheel niet staat ingeschreven in de basisadministratie, waardoor het achterhalen van de feitelijke verblijfplaats van de minderjarige enige tijd in beslag heeft genomen, hetgeen niet aan de moeder kan worden tegengeworpen. Door de vader wordt verder erkend dat op 31 augustus 2012 en nadien geen contact meer is geweest tussen de ouders, zodat er ook in zoverre geen gedraging van de moeder is geweest waaraan de vader de gerechtvaardigde conclusie kon verbinden dat zij had berust in het vertrek van de minderjarige naar Nederland. Niet relevant acht de rechtbank de conclusies die de vader zelf heeft verbonden aan een verklaring van de grootvader moederszijde en zijn (veronder)stelling dat de nieuwe partner van de moeder zich zou verzetten tegen de aanwezigheid van de minderjarige. Dit betreffen immers geen uitlatingen of handelingen van de moeder zelf. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het beroep van de vader op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag faalt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

De vader stelt dat van deze weigeringsgrond sprake is en voert daartoe – verkort weergegeven – het volgende aan. De vader heeft de minderjarige onverzorgd en verhongerd aangetroffen toen hij haar in augustus 2012 ophaalde voor de omgangsperiode. De moeder is praktisch en financieel niet in staat voor de minderjarige te zorgen. Zij heeft geen inkomen en woont met de minderjarige en haar twee zussen in de woning van haar ouders. Zij leven met zijn allen van één minimale pensioenuitkering. De vader is in tegenstelling tot de moeder wel in materieel en immaterieel opzicht in staat de minderjarige een goede toekomst te bieden. De minderjarige leert Nederlands, gaat binnenkort naar de peuterspeelzaal en wordt goed verzorgd door de vader. Zij was 16 maanden toen zij naar Nederland kwam en is nu 2,5 jaar oud en is inmiddels gehecht in Nederland. Zij kent thans alleen de vader en is aan hem gehecht. Teruggeleiding naar Turkije betekent dat de minderjarige haar vader niet meer zal zien, hetgeen niet in haar belang kan worden geacht.

De moeder betwist de stellingen van de vader. Zij betwist dat zij niet goed voor de minderjarige kan zorgen. Bovendien heeft de vader niet eerder zijn zorgen hierover geuit, noch is hij met de minderjarige naar een dokter gegaan. Dit wordt bevestigd door het feit dat hij aan de door hem gestarte procedure tot wijziging van het gezag enkel de beweerde financiële onmacht van de moeder ten grondslag heeft gelegd. Mede gelet op de restrictieve toepassing van de weigeringsgronden had het op weg van de vader gelegen zijn stellingen nader te onderbouwen.

De rechtbank stelt voorop dat doel en strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 onder b terughoudend moet worden uitgelegd. Als uitgangspunt geldt dat terugkeer in het belang van de minderjarige is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden, wanneer terugkeer het ernstige risico met zich brengt dat het kind in lichamelijk of geestelijk gevaar wordt gebracht, geweigerd wordt. De belangenafweging bij de vraag, waar de minderjarige zijn uiteindelijke hoofdverblijf dient te hebben, dient plaats te vinden in een bodemprocedure en past in beginsel niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. De omstandigheid dat door de onmiddellijke teruggeleiding ingevolge de verdragsregeling de vader van de minderjarige wordt gescheiden, kan slechts bij het bestaan van bijkomende uitzonderlijke omstandigheden tot de gevolgtrekking leiden dat sprake is van een ernstig risico dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. Van dergelijk uitzonderlijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vader zijn stellingen aangaande de gebrekkige verzorging van de minderjarige door de moeder, na betwisting daarvan door de moeder, onvoldoende (nader) met objectief verifieerbare stukken heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de moeder financieel minder draagkrachtig is dan de vader, is in ieder geval onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank faalt ook het beroep van de vader op deze weigeringsgrond.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a en b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de vader heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12, lid 1, van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

Ingevolge artikel 13, vijfde lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarige een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 15 oktober 2013, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Sterke arm

De moeder heeft verzocht de terugkeer van de minderjarige te gelasten, met dien verstande dat de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Turkije danwel, indien hij dit nalaat, dat de rechtbank zal bepalen op welke datum de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal worden afgegeven, zodat de moeder de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Turkije, indien nodig met behulp van de sterke arm.

Nu de vader ter terechtzitting onmiskenbaar te kennen heeft gegeven het niet eens te zijn met een teruggeleiding van de minderjarige, zal de rechtbank bepalen dat de teruggeleiding bij weigerachtigheid van de vader op grond van artikel 13, zesde lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering met behulp van de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd.

Proceskosten

Gebruikelijk is om de proceskosten in familierechtelijke procedures tussen partijen te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Echter, nu de vader verantwoordelijk is voor de internationale ontvoering van de minderjarige, kan hij ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet worden veroordeeld tot betaling van de door de moeder in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van de minderjarige gemaakte kosten. Onweersproken is gesteld dat de door de moeder gemaakte kosten voor deze procedure bestaan uit een eigen bijdrage van € 129,- die zij in het kader van de verleende toevoeging heeft voldaan. De rechtbank zal het verzoek tot kostenveroordeling tot dit bedrag toewijzen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer naar Turkije van de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

uiterlijk op 15 oktober 2013, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Turkije en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen naar Turkije, dat de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 15 oktober 2013, opdat de moeder de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Turkije;

bepaalt dat het bevel tot afgifte van de minderjarige bij weigerachtigheid van de vader tenuitvoer kan worden gelegd met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

veroordeelt de vader tot betaling aan de moeder van de door haar gemaakte kosten in verband met de procedure, te weten € 129,-, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, J.M.C. Louwinger-Rijk en S.M. Westerhuis-Evers, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2013.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.