Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12888

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
AWB 13/4407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Veilig derde land (artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw 2000 en artikel 3:106a Vb 2000). Griekenland.

De rechtbank stelt voorop dat de positie van eiser in Griekenland niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland of met de positie van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot de hiervoor aangehaalde uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Griekse autoriteiten hebben aan eiser immers een verblijfsvergunning verleend op grond van humanitaire gronden en eiser heeft in Griekenland een leven opgebouwd. Hij was daar in staat te wonen, te werken en te reizen. Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat die verblijfsvergunning thans niet meer geldig is, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Griekse autoriteiten niet bereid zijn de geldigheidsduur van die vergunning te verlengen.

Wat betreft het racistische geweld tegen immigranten in Griekenland moet worden geoordeeld uit de door eiser genoemde informatie volgt dat dit zorgwekend is, zoals de minister ook heeft uiteengezet in meergenoemde brief. Die informatie biedt evenwel onvoldoende grond voor het oordeel dat eiser in Griekenland niet overeenkomstig het beginsel zal worden behandeld dat het leven en de vrijheid niet worden bedreigd om redenen van ras, religie of nationaliteit (artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000). Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat hij door Griekse burgers en de Griekse politie is mishandeld, maar het een, noch het ander heeft hij aannemelijk gemaakt, terwijl bovendien niet elke schending van een grondrecht leidt tot de conclusie dat eiser niet overeenkomstig evenbedoeld beginsel zal worden behandeld. In dit verband is van belang dat eiser gedurende een periode van ongeveer tien jaren in Griekenland heeft verbleven, waarvan de laatste periode op basis van een door de Griekse autoriteiten verleende verblijfsvergunning, en daar een leven heeft opgebouwd. Eiser heeft in Griekenland kunnen wonen, werken, en reizen. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een onmenselijke en vernederende behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser zich beroept op het in meergenoemde brief van de minister weergegeven beleid om geen vreemdelingen op basis van de Dublin-verordening over te dragen aan Griekenland, moet worden geoordeeld dat de terugkeer van eiser naar Griekenland is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn en niet op de Dublin-verordening. Aangezien voorts, zoals hiervoor reeds overwogen, eiser niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Griekenland niet overeenkomstig het beginsel neergelegd in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zal worden behandeld, bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door vreemdelingen op basis van de Dublin-verordening niet over te dragen aan Griekenland en eiser wel.

Wat betreft het betoog van eiser dat hij in Griekenland niet overeenkomstig de beginselen neergelegd in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van het Vb 2000 zal worden behandeld, moet worden geoordeeld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het feit dat de Griekse autoriteiten eiser op grond van humanitaire gronden een verblijfsvergunning hebben verleend, heeft verweerder terecht afgeleid dat die autoriteiten blijk hebben gegeven eiser bescherming te willen verlenen. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat die autoriteiten niet bereid zijn de geldigheidsduur van die vergunning te verlengen. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat bij een eventuele intrekking of weigering van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor hem daartegen geen effectief rechtsmiddel beschikbaar is. Een enkele verwijzing naar de uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland volstaat hier niet, omdat, zoals hiervoor reeds overwogen, de positie van eiser in Griekenland niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland of met de positie van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak. De enkele stelling van eiser dat hij over onvoldoende middelen beschikt om rechtsbijstand te kunnen betalen volstaat, wat daar ook van zij, evenmin.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/4407

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], geboren op[geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde mr. A.C.J. Letmaath),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde mr. L.J.T. van Es).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen en eiser op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000 opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van Griekenland te begeven.

Eiser heeft op 14 februari 2013 tegen dit besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer AWB 12/4408.

Op 1 maart 2013 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het beroep ingediend.

Bij uitspraak van 26 juni 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de werking van het besluit van

12 februari 2013 wordt opgeschort totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 september 2013, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser is in december 2002 van Afghanistan naar Griekenland gereisd. Hij heeft in Griekenland een asielaanvraag ingediend.

Op 28 september 2011 heeft Griekenland eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming op humanitaire gronden met een geldigheidsduur tot 8 augustus 2013.

Eiser is op 8 maart 2012 vanuit Griekenland Nederland ingereisd. Op 14 mei 2012 heeft eiser onderhavige asielaanvraag ingediend.

Op 30 mei 2012 heeft verweerder de Griekse autoriteiten gevraagd om te onderzoeken of eiser in Griekenland in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, of hij als vluchteling erkend is, en of het hem is toegestaan om terug te keren naar Griekenland. Bij brief van
6 juni 2012 hebben de Griekse autoriteiten meegedeeld eiser terug te willen nemen op grond van artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn). Zij hebben tevens te kennen gegeven dat eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, geldig tot 8 augustus 2013.

2.

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 afgewezen, omdat Griekenland kan worden aangemerkt als een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, van de Vw 2000 bedoelde verdragen.

3.

Eiser heeft aangevoerd dat het bepaalde in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in zijn geval van toepassing is en dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Verweerder past gewoonlijk in deze zaken van statushouders de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend
(Dublin-verordening) toe. Eiser heeft in dit verband gewezen op een zaak van een Bulgaarse vreemdeling, waaruit volgt dat verweerder de Dublin-verordening wel heeft toegepast. Bovendien maakt verweerder een oneigenlijk gebruik van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De enige reden waarom verweerder voor deze bepaling kiest is om een route te vinden om de asielaanvraag toch te kunnen afwijzen en een argument te hebben om te kunnen aangeven dat het toch niet in strijd is met het eigen beleid om geen vreemdelingen op basis van de Dublin-verordening over te dragen aan Griekenland (zoals onder meer vermeld in de brief van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (minister) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 31 juli 2012).

4.

Deze beroepsgrond faalt. Verweerder heeft, zoals toegelicht ter zitting van de rechtbank, de aanvraag van eiser overeenkomstig de volgorde zoals vermeld in het ter zake geldende beleid van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) (C14/1, thans C1/3) getoetst. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet afgewezen op grond van artikel 30 (eerste lid, aanhef en onder a) van de Vw, omdat verweerder geen vreemdelingen op basis van de Dublin-verordening overdraagt aan Griekenland, verweerder Griekenland heeft verzocht te onderzoeken of eiser op grond van de Terugkeerrichtlijn naar Griekenland kan terugkeren en dat Griekenland met die terugkeer heeft ingestemd. Vervolgens heeft verweerder aan de hand van de inwilligingsgronden en de afwijzingsgronden beoordeeld of de aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt. Meer in het bijzonder heeft verweerder overeenkomstig artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 onderzocht of sprake is van een derde land als bedoeld in die bepaling en de aanvraag met toepassing van die bepaling afgewezen. Van een oneigenlijk gebruik van voornoemde bepaling is geen sprake. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens, omdat de zaak waarnaar eiser heeft verwezen feitelijk en rechtens niet op één lijn kan worden gesteld met zijn zaak.

5.

Eiser heeft aangevoerd dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is, omdat hij ten tijde van zijn asielaanvraag legaal verblijf had in Nederland.

6.

Deze beroepsgrond faalt. Indien een vreemdeling, zoals hier het geval is, reeds een verblijfsrecht in een andere lidstaat heeft, bevat artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn (welke bepaling is geïmplementeerd in artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000) de grondslag om een vreemdeling op te dragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:907). Overigens heeft verweerder Griekenland bij brief van
30 mei 2012 meegedeeld dat eiser in Nederland een asielaanvraag had ingediend en was Griekenland daarvan aldus op de hoogte. Griekenland heeft hierin geen aanleiding gezien zich te verzetten tegen eisers terugkeer op grond van de Terugkeerrichtlijn.

7.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de brief van verweerder van 30 mei 2012 en de brief van Griekenland aan verweerder van 6 juni 2012 pas op 18 februari 2013 aan hem heeft toegezonden. Eiser acht het onzorgvuldig dat verweerder deze brieven niet direct aan hem heeft toegezonden. Het bestreden besluit is om die reden onzorgvuldig voorbereid en moet om die reden worden vernietigd.

8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid had verweerder de brieven reeds bij het voornemen aan eiser dienen te overleggen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet gedaan. Hierin ziet de rechtbank evenwel onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. In dit verband is van belang dat verweerder in het voornemen van 10 augustus 2012 aan eiser heeft meegedeeld dat hij voornemens is de asielaanvraag af te wijzen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 en was de juridische grondslag van de afwijzing hiermee reeds in het voornemen kenbaar gemaakt. Eiser was aldus in staat hierop te reageren en heeft dat ook gedaan. Eiser heeft voorts niet geconcretiseerd op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad doordat verweerder evenbedoelde brieven niet tijdig aan hem heeft toegezonden.

9.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat Griekenland voor hem enkel een doorreisland is geweest en hij aldus geen zodanige band heeft met Griekenland dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

10.

Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

11.

Ingevolge artikel 3:106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt – kort gezegd en voor zover hier van belang – de asielaanvraag slechts afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Ingevolge artikel 3:106a, derde lid, van het Vb 2000 worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf. Blijkens het ter zake geldende beleid (C4/3.8.2 van de Vc 2000) geldt als stelregel dat een verblijf van twee weken of meer in een derde land erop wijst dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wel had.

12.

Vaststaat dat eiser direct voorafgaand aan zijn komst naar Nederland gedurende een periode van ongeveer tien jaar in Griekenland heeft verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieruit mogen afleiden dat eiser niet de intentie had om vanuit Griekenland door te reizen naar Nederland. De stelling van eiser dat het niet eerder is gelukt om door te reizen, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij weliswaar het eerste jaar tevergeefs heeft geprobeerd uit Griekenland te vertrekken, maar dat hij vervolgens zijn best heeft gedaan om zijn leven daar op te bouwen. Nu eiser daarnaast door Griekenland in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een zodanige band met Griekenland dat van eiser in redelijkheid verlangd kan worden om naar dat land terug te keren.

13.

Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

14.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in strijd handelt met het doel van het beleid zoals weergegeven in de hiervoor aangehaalde brief van de minister van 31 juli 2012. Doel van dit beleid is dat Griekenland eerst maatregelen dient te nemen om een menswaardige behandeling van vreemdelingen te waarborgen. Om die reden acht de minister het in die brief niet opportuun om vreemdelingen aan Griekenland terug te sturen. Voorkomen moet immers worden dat vreemdelingen slachtoffer worden van niet menswaardige behandelingen in Griekenland. De brief gaat uitvoerig in op het racistische geweld tegen vreemdelingen in Griekenland. Ook eiser is slachtoffer geworden van racistisch geweld. Eiser is mishandeld door Griekse personen en heeft hiervan littekens, die door Medifirst zijn waargenomen. Eiser is bovendien flink toegetakeld door de Griekse politie, waarbij zijn kies is gebroken. Verweerder maakt niet duidelijk waarom ook voor eiser niet de noodzaak zou gelden een menswaardig bestaan te kunnen krijgen in Griekenland. Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel.

15.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder het bepaalde in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 heeft miskend.
In de eerste plaats heeft eiser daartoe aangevoerd dat hij in Griekenland gediscrimineerd wordt op basis van zijn Afghaanse nationaliteit, mogelijk in combinatie met ras en religie. Eiser heeft zelf ernstige discriminatie meegemaakt, zowel van de zijde van de Griekse burgers als van de zijde van de Griekse autoriteiten (politie). Zijn relaas past in hetgeen in rapporten en in meergenoemde brief van de minister naar voren komt over geweld tegen immigranten.
In de tweede plaats heeft eiser daartoe aangevoerd dat hij slechts in het bezit is van een tijdelijke verblijfsvergunning in Griekenland, terwijl die verblijfsvergunning inmiddels is verlopen. Ten aanzien van Griekenland kan niet worden gezegd dat er voldoende zekerheid bestaat dat Griekenland niet (na afloop van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning) zal overgaan tot refoulement naar Afghanistan. De Griekse asielprocedure is niet met voldoende waarborgen omkleed. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011 inzake M.S.S. tegen België en Griekenland (ECLI:CE:ECHR:2011:BP4356), de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2012 (201007334/1/V3, www.raadvanstate.nl), het beleid weergeven in meergenoemde brief van de minister en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien zijn de leefomstandigheden voor statushouders in Griekenland ver onder de maat. Zeker in de huidige economische crises worden immigranten met de nek aangekeken. Er is geen werk, geen inkomen, maar wel een flinke portie discriminatie, die het leven in Griekenland onmogelijk maakt. Dit maakt dat sprake is van een onmenselijke, althans vernederende behandeling. Gezien evenbedoelde uitspraak van het EHRM en het beleid dat verweerder voert, mocht verweerder wat betreft Griekenland niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder gaat er voorts ten onrechte van uit dat eiser zich bij problemen tot instanties in Griekenland zou kunnen wenden. De Griekse politie is niet de beschermer van mensenrechten, maar de veroorzaker van mensenrechtenschendingen. Deze politie is de reden dat vreemdelingen, althans eiser het land hebben moeten verlaten. Eiser kan in Griekenland niet beschikken over een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM. De politie is tegen je en eiser beschikt niet over middelen om rechtsbijstand te kunnen inhuren. Er is niemand in Griekenland die hem hulp verleent.

Ter verdere onderbouwing van de situatie in Griekenland heeft eiser gewezen op de volgende stukken:

  • -

    een artikel uit de New York Times van 26 januari 2012, “Greece’s Epidemic of Racist Attacks”;

  • -

    een rapport van Human Rights Watch (HRW) van juli 2012, “Hate on the streets, xenophonic violence in Greece”;

  • -

    een rapport van Pro Asyl van juni 2012, “I came here for peace; the systematic ill-treatment of migrants and refugees by state agents in Patras”;

  • -

    een rapportage van Aitima van 14 februari 2012, “Greece: The rights of refugees in times of economic crisis”.

16.

Over deze twee beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.

17.

Ingevolge artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 wordt – kort gezegd en voor zover hier van belang – de asielaanvraag slechts afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:
a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
b. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en
c. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
d. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

18.

Verweerder heeft in het bestreden besluit – kort gezegd – uiteengezet dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit kan worden gegaan dat de lidstaten van de Europese Unie, waaronder Griekenland, de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser niet nakomt.

19.

De rechtbank stelt voorop dat de positie van eiser in Griekenland niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland of met de positie van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot de hiervoor aangehaalde uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Griekse autoriteiten hebben aan eiser immers een verblijfsvergunning verleend op grond van humanitaire gronden en eiser heeft in Griekenland een leven opgebouwd. Hij was daar in staat te wonen, te werken en te reizen. Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat die verblijfsvergunning thans niet meer geldig is, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Griekse autoriteiten niet bereid zijn de geldigheidsduur van die vergunning te verlengen.

20.

In de uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland heeft het EHRM – kort gezegd – geoordeeld dat Griekenland artikel 3 van het EVRM had geschonden wegens de detentie- en leefomstandigheden van de verzoeker in Griekenland, alsmede artikel 13 van het EVRM gelezen in samenhang met artikel 3 EVRM wegens de tekortkomingen in de voor de verzoeker gevolgde asielprocedure, alsook dat België artikel 3 van het EVRM had geschonden door de verzoeker bloot te stellen aan risico’s in verband met de tekortkomingen in de asielprocedure in Griekenland en aan met dit artikel strijdige detentie- en leefomstandigheden in Griekenland. Van een en ander is in de situatie van eiser geen sprake, zodat de verwijzing van eiser naar deze uitspraak en naar de door hem aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2012 hem niet kan baten.

21.

Wat betreft het racistische geweld tegen immigranten in Griekenland moet worden geoordeeld uit de door eiser genoemde informatie volgt dat dit zorgwekend is, zoals de minister ook heeft uiteengezet in meergenoemde brief. Die informatie biedt evenwel onvoldoende grond voor het oordeel dat eiser in Griekenland niet overeenkomstig het beginsel zal worden behandeld dat het leven en de vrijheid niet worden bedreigd om redenen van ras, religie of nationaliteit (artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000). Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat hij door Griekse burgers en de Griekse politie is mishandeld, maar het een, noch het ander heeft hij aannemelijk gemaakt, terwijl bovendien niet elke schending van een grondrecht leidt tot de conclusie dat eiser niet overeenkomstig evenbedoeld beginsel zal worden behandeld. In dit verband is van belang dat eiser gedurende een periode van ongeveer tien jaren in Griekenland heeft verbleven, waarvan de laatste periode op basis van een door de Griekse autoriteiten verleende verblijfsvergunning, en daar een leven heeft opgebouwd. Eiser heeft in Griekenland kunnen wonen, werken, en reizen. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een onmenselijke en vernederende behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser zich beroept op het in meergenoemde brief van de minister weergegeven beleid om geen vreemdelingen op basis van de Dublin-verordening over te dragen aan Griekenland, moet worden geoordeeld dat de terugkeer van eiser naar Griekenland is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn en niet op de Dublin-verordening. Aangezien voorts, zoals hiervoor reeds overwogen, eiser niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Griekenland niet overeenkomstig het beginsel neergelegd in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zal worden behandeld, bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door vreemdelingen op basis van de
Dublin-verordening niet over te dragen aan Griekenland en eiser wel.

22.

Wat betreft het betoog van eiser dat hij in Griekenland niet overeenkomstig de beginselen neergelegd in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van het Vb 2000 zal worden behandeld, moet worden geoordeeld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het feit dat de Griekse autoriteiten eiser op grond van humanitaire gronden een verblijfsvergunning hebben verleend, heeft verweerder terecht afgeleid dat die autoriteiten blijk hebben gegeven eiser bescherming te willen verlenen. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat die autoriteiten niet bereid zijn de geldigheidsduur van die vergunning te verlengen. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat bij een eventuele intrekking of weigering van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor hem daartegen geen effectief rechtsmiddel beschikbaar is. Een enkele verwijzing naar de uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland volstaat hier niet, omdat, zoals hiervoor reeds overwogen, de positie van eiser in Griekenland niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland of met de positie van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak. De enkele stelling van eiser dat hij over onvoldoende middelen beschikt om rechtsbijstand te kunnen betalen volstaat, wat daar ook van zij, evenmin.

23.

Bij deze stand van zaken bestaat geen grond voor het oordeel dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser niet zal nakomen.

24.

Dit betekent dat de beroepsgronden falen.

25.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.T.H. Langeweg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

26 september 2013.

1

1 Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Afschriften verzonden: