Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12358

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
09.777019-13, t.t.g. 09.761193-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777019-13, t.t.g. 09/761193-12

Datum uitspraak: 26 september 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum] 1996,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 12 september 2013.

In de zaak met parketnummer 09/777019-13 is het onderzoek ter terechtzitting eerst op

2 mei 2013 voor onbepaalde tijd aangehouden.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.P. de Graaf en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. P. Drenth, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in de zaak met parketnummer 09/777019-131 - ten laste gelegd dat:

09/777019-13:

1.

hij op of omstreeks 08 januari 2013 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of

- maken van een stekende beweging in de richting van die [aangever 1]

- het toevoegen aan die [aangever 1] van de woorden: “Moet ik u soms steken” en/of “Moet ik u soms doodsteken” en/of

- het hard wegfietsen op die fiets van die [aangever 1]/een fiets waarbij hij, verdachte en/of mededader(s) met grote vaart en zonder snelheid te verminderen is ingereden op een of meer personen (te weten: [aangever 2] en/of [aangever 3]) die hem, verdachte en/of zijn mededader(s) wilden beletten om te vluchten (met de fiets van aangever), waardoor die [aangever 2] gewond is geraakt aan diens been (diepe wond);

en/of

hij op of omstreeks 08 januari 2013 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechteljk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een fiets, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of

- maken van een stekende beweging in de richting van die [aangever 1]

- het toevoegen aan die [aangever 1] van de woorden: “Moet ik u soms steken” en/of “Moet ik u soms doodsteken” en/of

- het hard wegfietsen op die fiets van die [aangever 1]/een fiets waarbij hij, verdachte en/of mededader(s) met grote vaart en zonder snelheid te verminderen is ingereden op een of meer personen (te weten: [aangever 2] en/of [aangever 3]) die hem, verdachte en/of zijn mededader(s) wilden beletten om te vluchten (met de fiets van aangever), waardoor die [aangever 2] gewond is geraakt aan diens been (diepe wond);

2.

hij op of omstreeks 08 januari 2013 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een pinpas en/of de bijbehorende pincode, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen tegen die [aangever 1] heeft gezegd: “Ga op de grond liggen.

Ik wil je pinpas en je bijbehorende pincode hebben”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [aangever 1] en/of

- maken van een stekende beweging in de richting van die [aangever 1] en/of

- het toevoegen aan die [aangever 1] van de woorden: “Moet ik u soms steken” en/of “Moet ik u soms doodsteken” en/of

- ( zonder vaart te verminderen) met een fiets tegen die [aangever 2] aanrijden;

en/of

hij op of omstreeks 08 januari 2013 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechteljk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] te dwingen tot de afgifte van een pinpas, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [aangever 1] heeft getoond en/of

- een stekende beweging in de richting van die [aangever 1] heeft gemaakt en/of

- aan die [aangever 1] de woorden heeft toegevoegd: “Moet ik u soms steken” en/of “Moet ik u soms doodsteken”

-(zonder vaart te verminderen) met een fiets hard tegen [aangever 2] is aangereden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

09/761193-12:

hij op of omstreeks 21 oktober 2012 te Zoetermeer (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen , zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Preliminair verweer

Ter terechtzitting is door de raadsman ten aanzien van het de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 09/761193-12 ten laste gelegde een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat door de verbalisanten buitengewoon/disproportioneel geweld jegens verdachte is gebruikt door rennend en op korte afstand van verdachte gericht op hem te schieten. Het dossier bevat bovendien geen informatie over of door de politieambtenaren ex artikel 17 lid 3 van de Ambtsinstructie melding is gemaakt van het toegepaste geweld.

Beslissing

De rechtbank heeft het niet-ontvankelijkheidsverweer ter terechtzitting verworpen en deze beslissing, kort weergegeven, als volgt gemotiveerd.

Vooropgesteld wordt dat de uitvoering van een dwangmiddel als het onderhavige, te weten de aanhouding van verdachte, dient te geschieden met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Op grond van het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, van het proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2012 en het proces-verbaal van verhoor van de getuige [A], stelt de rechtbank het navolgende vast.

De bij de politie binnen gekomen melding dat een jongen in het bezit was van een vuurwapen betrof een serieuze melding. De verdachte werd kort daarop door de verbalisanten gesignaleerd terwijl het leek alsof hij iets vasthield in zijn jaszak. Nadat hij door de verbalisanten was aangeroepen stil te blijven staan en dat hij was aangehouden, rende hij weg terwijl hij één van zijn handen in zijn jas(zak) hield. Vervolgens is de verdachte diverse malen gesommeerd staan te blijven en zijn handen te laten zien. De verdachte heeft aan dit bevel niet voldaan en is doorgerend, waarbij hij nog steeds één van zijn handen in zijn jas(zak) hield. Vervolgens heeft de verbalisant een vuurwapen ter hand genomen, gericht op de verdachte en is hij meerdere malen gewaarschuwd te staan te blijven omdat anders geschoten zou worden. Ook toen is de verdachte - nadat hij achterom had gekeken - doorgerend, terwijl hij nog steeds één van zijn handen in zijn jas(zak) had. Ook nadat twee waarschuwingsschoten waren gelost, heeft de verdachte het bevel genegeerd en is hij - na wederom achterom te hebben gekeken - doorgerend. De verbalisanten hebben opnieuw diverse malen naar de verdachte geroepen dat hij stil moest blijven staan. Eerst nadat de verdachte ook op de waarschuwingsschoten en sommatie niet reageerde, heeft één van de verbalisanten één waarschuwingsschot richting de benen van de verdachte gelost. Anders dan de raadsman stelt, leest de rechtbank in het proces-verbaal niet dat deze verbalisant rennend op verdachte heeft geschoten.

Gezien de hierboven genoemde omstandigheden, in samenhang bezien met de omstandigheid dat er een gegrond vermoeden bestond dat de verdachte een vuurwapen bij zich droeg, is de rechtbank van oordeel dat het bij de aanhouding van de verdachte toegepaste geweld niet disproportioneel is geweest. Voor zover sprake zou zijn van een schending van artikel 17 van de Ambtsinstructie - waarvan het de rechtbank overigens niet is gebleken - betreft dit geen schending van de belangen van de verdachte waardoor het recht op strafvervolging is komen te vervallen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

09/777019-13:

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte met een ander een man, onder bedreiging met een mes, heeft beroofd van zijn fiets en dat zij hebben geprobeerd zijn pinpas met pincode te bemachtigen. Deze handelingen zijn tenlastegelegd als diefstal danwel afpersing van de fiets en poging tot diefstal danwel poging tot afpersing van de pinpas en pincode.

09/761193-12:

De verdenking in deze zaak houdt in dat de verdachte in het bezit is geweest van een verboden wapen, namelijk van een voorwerp dat zodanig op een wapen lijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

09/777019-13

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de fiets heeft gestolen en de pinpas heeft geprobeerd af te persen. Dit is tenlastegelegd onder feit 1, eerste cumulatief alternatief, en onder feit 2, tweede cumulatief/alternatief.

09/761193-12

De officier van justitie heeft gevorderd dit feit wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. Kort weergegeven heeft hij het volgende aangevoerd.

09/777019-13:

De aangever wordt door twee jongens overvallen van wie er één ontkomt. [Medeverdachte] wordt ter plaatse aangehouden. Uit de verklaringen van aangever en getuigen blijkt dat zij niet de verdachte maar de broer van medeverdachte [Medeverdachte] als de ontbrekende dader zien. De raadsman ziet dit bevestigd in de eerste verklaring van [Medeverdachte] dat hij die avond met zijn broer samen was. De door [Medeverdachte] bij de rechter-commissaris afgelegde voor de verdachte belastende verklaring is niet geloofwaardig. Er moet rekening mee worden gehouden dat hij zijn eerdere verklaring heeft aangepast na inmenging van zijn vader, die wetenschap had van de verklaringen van de broer van [Medeverdachte]. Er zijn bovendien ook andere aanwijzingen voor betrokkenheid van de broer van [Medeverdachte] bij het feit. De verklaringen die de verdachte belasten, bevatten tegenstrijdigheden. Zo verklaart de aangever dat beide daders een spijkerbroek dragen terwijl verbalisanten bij de aanhouding van de verdachte constateren dat deze een trainingsbroek met witte biezen draagt. Ook de Ping-berichten in het dossier vormen onvoldoende bewijs. Onduidelijk is wie degene is die als displaynaam “R” heeft en de tijdsaanduiding op de telefoon van [Medeverdachte] klopt niet. Hij kan het in die berichten ook over een andere beroving hebben. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, aldus de raadsman.

09/761193-12:

Het onderzoek is blijkens het proces-verbaal van politie gebaseerd op verdenking van overtreding van de artikelen 26 en 27 Wet wapens en munitie (WWM) en het voorhanden hebben van een wapen van categorie IV, een overtreding. Het OM heeft zonder verdere motivering gekozen voor vervolging op basis van artikel 13 lid 1 WWM, een misdrijf. Daarom dient de verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

09/777019-13:

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.2

Op 8 januari 2013 fietste aangever [aangever 1] in Zoetermeer toen hem door twee jongens de weg versperd werd. Één van hen, hij noemt deze persoon 1, zei dat hij moest stoppen en dat hij zijn pinpas en de pincode moest geven. De andere jongen, persoon 2, pakte zijn stuur beet. Toen hij niet wilde meewerken, zag hij dat persoon 1 ineens een mes in zijn handen had en dat die stekende bewegingen naar de aangever maakte en zei “Moet ik u steken”. Toen de aangever het stuur van zijn fiets weer pakte, zei de jongen met het mes “Moet ik u soms doodsteken”. De aangever staakte daarop zijn verzet waarop persoon 2 de fiets van aangever pakte en erop wegreed. De aangever zag wel kans alarm te slaan en twee mannen die in een busje aan kwamen rijden, reageerden alert. Één van hen blokkeerde de weg voor de fietsende persoon 2. De andere man rende achter persoon 1 aan maar kwam zonder hem terug. Persoon 2 werd aangehouden. Er kwamen daarna, maar voordat de politie arriveerde, twee jongens bijstaan. Aangever noemt een Antilliaanse jongen die zich met de mannen bemoeit en stennis schopt, en een tweede jongen, Marokkaans met een rode trui aan.3 Aangever verklaart later, nadat hij heeft gehoord dat er van kleding gewisseld is, dat het mogelijk is dat één van deze twee jongens de ontbrekende dader is.4

De aangehouden persoon 2 is [Medeverdachte], de medeverdachte.5

De getuige [aangever 2], die de fietsende [Medeverdachte] tegenhield, heeft verklaard dat hij de doorgang blokkeerde, dat hij schreeuwde dat de fietser moest stoppen, maar dat de jongen hard doorfietste en zonder vaart te minderen tegen hem aanfietste. Hij liep hierbij een flinke wond aan zijn been op, die in twee fasen moest worden gehecht.6

[Medeverdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte de ontbrekende dader is. De verdachte heeft gevraagd of [Medeverdachte] mee wilde doen. De twee hebben tevoren ook via Ping contact gehad over het feit. [Medeverdachte] verklaart dat het klopt dat hij in Ping-contact met de verdachte het feit heeft besproken, dat ze geld (saafjens) nodig hadden, dat ze bier en blow (chai) wilden hebben en dat ze het beste in de wijk Meerzicht (mz) iemand zouden kunnen beroven en er dan snel vandoor (sneljelle edje) konden. Over het feit zelf verklaart [Medeverdachte] dat er een man langs kwam op de fiets en verdachte heeft gezegd: “Kom we pakken die man”. [Medeverdachte] heeft de verdachte het woord “pincode” horen zeggen en heeft de fiets van de man gepakt en is weggereden, waarop hij werd gestopt door een man uit het busje. 7

Het dossier bevat prints van het scherm van de telefoon van medeverdachte [Medeverdachte] die op 10 januari 2013 is onderzocht, waarop communicatie via Ping te zien is met iemand met de screennaam [B]”, op “dinsdag”. 8 Algemeen bekend is dat 8 januari 2013 een dinsdag was. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn Pingnaam “[B]’ is en dat hij 8 januari 2013 zijn telefoon bij zich had en niet heeft uitgeleend. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte degene is geweest die de tekst heeft gezonden die op de telefoon van [Medeverdachte] is ontvangen onder pingnaam [B].

Op de prints van het telefoonscherm is tekst als van links komend en van rechts komend te zien. Uit de foto’s met daarop een blokje van een cursor maakt de rechtbank op dat de tekst van links komend door [Medeverdachte] is verzonden en de tekst van rechts komend van de telefoon van verdachte ontvangen is. Uit de inhoud van de tekst blijkt dat zij het hebben over waarom, waar, bij wat voor slachtoffer en hoe ze een beroving gaan plegen.9

De verdachte heeft blijkens prints van het telefoonscherm van de telefoon van de broer van de medeverdachte, genaamd [C], deze broer vlak na het tijdstip van het feit bericht dat zijn broertje op straat is gepakt in de buurt van station Oost, door 3 of 4 grote mannen. Hij schrijft ook dat hij nog is achtervolgd en zich op dat moment schuilhoudt.1011

De getuigenverklaringen komen op bepaalde punten niet overeen, zoals de raadsman ook heeft aangevoerd. Deze verschillen betreffen met name de signalementen van de verdachte. De rechtbank acht de verschillen in de verklaringen echter niet zwaarwegend en overweegt dat zij mede verklaard kunnen worden door enerzijds de stress die bij het slachtoffer en de getuigen moet hebben bestaan vanwege de onveilige situatie en de inbreuk die zij hebben ervaren en anderzijds door het feit dat de kans op verwarring is vergroot door de verdachte toen deze kort na het feit de rode trui die hij droeg heeft verwisseld voor de jas van de broer van de medeverdachte en deze broer met de rode trui aan naar de plek van de overval is gekomen. Dit blijkt uit de verklaringen van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting en de verklaring van de broer van de medeverdachte bij de politie.12

Voorgaande feiten en omstandigheden leiden de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de beroving heeft gepleegd, samen met medeverdachte [Medeverdachte].

09/761193-12 13

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend dat hij op 21 oktober 2012 te Zoetermeer in het bezit was van een zogenaamd balletjespistool. Uit het specialistisch onderzoek door de recherche blijkt dat het gaat om een voorwerp dat een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I sub 7 van de WWM, waarvan het voorhanden hebben strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 1 WWM.14

De vraag is hier of, zoals de raadsman betoogd heeft, vervolging op de voet van artikel 26 lid 5 dan wel 27 lid 1 Wet wapens en munitie (WWM) had moeten plaatsvinden.

De rechtbank stelt vast dat er geen rechtsregel is die de officier van justitie verplicht om bij de vervolging van een gedraging die valt onder meer dan één strafrechtelijke kwalificatie, te kiezen voor vervolging op basis van het minst zware feit. De keuze van de officier van justitie hoeft ook niet overeen te komen met artikelen die door verbalisanten op een proces-verbaal worden genoemd. Het verweer van de raadsman wordt daarom gepasseerd en het feit wordt door de rechtbank wettig en overtuigend bewezen geacht.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat

09/777019-13:

1.

eerste cumulatief/alternatief:

hij op 8 januari 2013 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of[aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een mes, en

- maken van een stekende beweging in de richting van die [aangever 1]

- het toevoegen aan die [aangever 1] van de woorden: “Moet ik u soms steken” en/of “Moet ik u soms doodsteken” en

- hard wegfietsen op die fiets van die [aangever 1] waarbij hij, mededader, met grote vaart en zonder snelheid te verminderen is ingereden op [aangever 2] die hem, verdachte en/of zijn mededader wilde beletten om te vluchten (met de fiets van aangever), waardoor die [aangever 2] gewond is geraakt aan diens been (diepe wond);

2.

2e cumulatief/alternatief:

hij op 8 januari 2013 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechteljk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een pinpas, toebehorende aan [aangever 1], met zijn mededader

- een mes aan die [aangever 1] heeft getoond en

- een stekende beweging in de richting van die [aangever 1] heeft gemaakt en

- aan die [aangever 1] de woorden heeft toegevoegd: “Moet ik u soms steken” en/of “Moet ik u soms doodsteken”

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

09/761193-12:

hij op 21 oktober 2012 te Zoetermeer een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. M.P. de Graaf heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/777019-13 onder 1. eerste cumulatief/alternatief en 2. tweede cumulatief/alternatief en ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/761193-12 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een lagere straf op te leggen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets en een poging tot afpersing van een pinpas en pincode. Het slachtoffer in deze feiten is een oudere man die op de fiets was en door de verdachte en zijn medeverdachte zijn belaagd en alleen door hulp van voorbijgangers ontzet kon worden. De verdachte heeft het slachtoffer met een mes bedreigd en ervoor gezorgd dat zijn mededader op de fiets van de man kon wegrijden. Dat de mededader werd gestopt en het bij een poging tot afpersing van de pinpas en pincode is gebleven, is te danken aan de moedige en alerte reactie zowel van het slachtoffer als van deze voorbijgangers. Een van deze voorbijgangers heeft zijn bijstand aan het slachtoffer moeten bekopen met een flinke wond aan zijn been, die gehecht moest worden en moeilijk herstelde. Ook uit de slachtofferverklaring van dit slachtoffer komt naar voren dat het feit zeer nadelige gevolgen voor hem heeft gehad.

De verdachte heeft met het plegen van dit feit getoond onvoldoende respect te hebben voor de eigendom van een ander en die ander doodsangst aangejaagd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van voornoemde geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen en langere tijd psychische problemen kunnen ondervinden. Dit geldt evenzeer voor de bij dit feit betrokken voorbijgangers. Bovendien nemen als gevolg van dit soort delicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

Voorts heeft de verdachte een verboden wapen voorhanden gehad. Een dergelijk wapen is geschikt om als (afdreigings)middel te dienen bij het plegen van strafbare feiten en de verdachte heeft, door het wapen voorhanden te hebben, bijgedragen aan de onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank weegt bij het oordeel over de strafoplegging mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op diverse voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden en van Bureau Jeugdzorg. Daarnaast heeft de rechtbank

acht geslagen op de rapportage pro justitia door psychiater [X] gedateerd 19 april 2013 en door psycholoog [Y] gedateerd 9 mei 2013.

In het psychiatrisch onderzoek is geconstateerd dat de verdachte aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens lijdt, in de zin van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, gecombineerd type (ADHD), samen met een gedragsstoornis en verslavingsproblematiek (cannabisafhankelijkheid en alcoholmisbruik). Daarnaast is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.

Dit gold ook ten tijde van het tenlastegelegde. Vanwege de ontkenning door de verdachte kan over het verband tussen de geconstateerde ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en het tenlastegelegde, geen uitspraak worden gedaan. Ook wordt in strafrechtelijk kader geen advies gegeven ter voorkoming van recidive. Wel wordt ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte geadviseerd dat hij intensief wordt begeleid en behandeld voor zijn multiple psychiatrische problematiek. Hiervoor worden verschillende aanbevelingen gedaan en wordt het door de gezinsvoogd uitgewerkte civielrechtelijk traject, waarbij plaatsing in een gesloten jeugdzorgplusinstelling geïndiceerd is, ondersteund.

Ook in het psychologisch onderzoek van de verdachte is geconstateerd dat de verdachte lijdt aan ziekelijke stoornissen en dat daarnaast sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vanwege de gedragsstoornis en de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Ook de psycholoog spreekt zich gelet op de ontkenning door de verdachte niet uit over een eventueel verband tussen deze toestand en het begaan van de strafbare feiten of over welke aanbevelingen ter preventie van recidive te doen zijn.

Wel wordt vanuit gedragsdeskundig oogpunt intensieve en residentiële behandeling en begeleiding voor de verdachte van groot belang geacht. Een civiele plaatsing binnen gesloten jeugddzorgplusinstelling acht de deskundige passend om de voor verdachte passende behandeldoelen te bereiken.

De Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden heeft in zijn rapport van 23 april 2013 geconcludeerd dat behandeling noodzakelijk is, meer dan afstraffing. De criminogene factoren kunnen in een intensief traject binnen de ondertoezichtstelling aangepakt worden. Geadviseerd wordt om, ondanks de ernst van het feit, een voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering.

In het meest recente rapport van Bureau Jeugdzorg gedateerd 10 september 2013 heeft de gezinsvoogd de stand van zaken toegelicht. Zijn trajectplan voor de verdachte is na de schorsing van de verdachte uit de voorlopige hechtenis met ingang van 6 mei 2013 in uitvoering gegaan. In deze plannen werd het volgende traject voor de verdachte voorzien:

1. behandeling binnen gesloten jeugdzorg gedurende drie maanden, Horizon, ’t Anker;

2. behandeling binnen gesloten jeugdzorg gedurende circa zes maanden, Stichting JJC;

3. indien 1. en 2. goed zijn doorlopen: zelfstandigheidtraject bij Stichting Jeugdformaat.

Uit het rapport komt naar voren dat de verdachte zich na positieve afronding van drie maanden behandeling in Horizon, sinds 19 augustus 2013 in fase 2, bij Stichting JJC, bevindt. De gezinsvoogd heeft het trajectplan verder uitgewerkt ten aanzien van schoolgang en verzelfstandiging. Hij ondersteunt het eerder door de Raad gegeven advies.

De rechtbank overweegt dat de ernst van de feiten naar haar oordeel een aanmerkelijk zwaardere straf rechtvaardigen dan wordt geadviseerd. De rechtbank weegt mee dat de verdachte gelet op de meest recente informatie, aan het voor hem voorziene traject lijkt mee te werken en dat de deskundigen het erover eens zijn dat de civielrechtelijke weg voorrang verdient boven een strafrechtelijke reactie. Bovendien zijn de deskundigen het erover eens dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is en deze binnen het civielrechtelijk kader kan worden gerealiseerd. De verdachte heeft tenslotte aanmerkelijke tijd in voorlopige hechtenis gezeten. De rechtbank onderschrijft de conclusies van voornoemde adviezen en maakt deze tot de hare.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt, waarvan teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn

behandeling en begeleiding te waarborgen, een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Stichting Bureau Jeugdzorg.

Het onvoorwaardelijke gedeelte van de vrijheidsbenemende straf heeft de verdachte reeds in voorarrest doorgebracht.

7 De vordering van de benadeelde partij.

09/777019-13 feit 1. eerste cumulatief/alternatief

[aangever 1] en [aangever 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot respectievelijk € 57,40 en € 675,-. De benadeelde partijen hebben de vorderingen ter terechtzitting toegelicht. De schriftelijke slachtofferverklaring van [aangever 2] is ter terechtzitting voorgehouden.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van beide vorderingen. Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 57,40 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] en van een bedrag groot € 675,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2].

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het onder 1. eerste cumulatief/alternatief en bewezenverklaarde feit.

De vorderingen zijn door of namens de verdachte niet inhoudelijk betwist en zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partijen.

De rechtbank zal de vorderingen derhalve toewijzen, hoofdelijk met de mededader. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Van der Wilt zal de rechtbank ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 8 januari 2013 is ontstaan.

Ten aanzien van beide vorderingen zal de rechtbank ook de maatregel schadevergoeding opleggen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8 Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie vordert verbeurdverklaring van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met nummer 45/777019-13 genoemde voorwerpen:

1. mes kl. zwart

2. mes kl geel, MTECH vouwmes.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1. genummerde voorwerp verbeurdverklaren.

Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp de onder 09/777019-13 1. eerste alternatief/cumulatief en 2. tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 2. genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit bij de verdachte is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;

13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/777019-13 onder 1. tweede cumulatief/alternatief en 2. eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/777019-13 onder 1. eerste cumulatief/alternatief en 2. tweede cumulatief/alternatief en bij dagvaarding met parketnummer 09/761193-12 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

09/777019-13

1. eerste cumulatief/alternatief

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

09/777019-13

2. tweede cumulatief/alternatief

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

09/761193-12

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 180 dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 74 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van 09/777019-13, 1. eerste cumulatief/alternatief:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en veroordeelt de verdachte om hoofdelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[aangever 1], een bedrag van € 57,40;

[aangever 2], een bedrag van € 675,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 januari 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partijen, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 57,40 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] en een bedrag groot

€ 675,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 januari 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[aangever 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 respectievelijk 13 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst met nummer 45/777019-13 onder 1. genummerde voorwerp, te weten:

1. mes kl. zwart;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst met nummer 45/777019-13 onder 1. genummerde voorwerp, te weten:

2. mes kl geel, MTECH vouwmes;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M. Boone, kinderrechter,

en mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van

26 september 2013.

1 Ter terechtzitting van 12 september 2013 is een op schrift gestelde wijziging van de tenlastelegging toegestaan.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1551 2013007574.

3 Proces-verbaal verhoor aangever [aangever 1], p. 103 en verder.

4 Proces-verbaal verhoor aangever [aangever 1], p. 109.

5 Proces-verbaal aanhouding [Medeverdachte], p 19.

6 Proces-verbaal verhoor [aangever 2], p 111

7 Proces-verbaal verhoor verdachte [Medeverdachte], op 11 januari 2013 bij kinderrechter, tevens rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken.

8 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon van [Medeverdachte], p 172.

9 Bijlage 6 bij proces-verbaalvan bevindingen p 172, foto’s op p. 190 tm 199.

10 Bijlage 2 bij proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon van [C], foto op p. 152.

11 Bijlage 2 bij proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon van [C], foto op p. 154.

12 Proces-verbaal verhoor [C], p. 54 midden, p 55 onderaan.

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1551 2012225959.

14 Proces-verbaal onderzoek door materiedeskundige wapens munitie en explosieven bij Bureau Forensische Opsporing, p. 96.