Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12308

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
C-09-414061 - HA ZA 12-265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daden bewindvoerder jegens erfgename. Geen schenking aandelenportefeuille. Misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

Vonnis van 25 september 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/414061 / HA ZA 12-0265 van:

[X],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat: mr. N. Cohen (Weesp),

tegen

1.

[Y] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagde 1 in conventie, eiser in reconventie,

2.

de besloten vennootschap [Y] HAZERSWOUDE VASTGOED BV,

gevestigd te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Rijnwoude,

gedaagde 2 in conventie,

advocaat: mr. P.P. Otte (Limmen).

De rechtbank zal de procespartijen hierna kortheidshalve ook wel [X], [Y] en [Y] Vastgoed BV noemen.

De procedure

1.1 De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 30 juni 2011, met producties en beslagstukken;

  • -

    de incidentele conclusie “houdende bevoegdheidsverweer” van 14 september 2011;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van 12 oktober 2011;

  • -

    het incidenteel tussenvonnis van de kantonrechter te Leiden van 26 oktober 2011;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 12 december 2011 van de kantonrechter te Leiden;

  • -

    het verwijzingsvonnis van de kantonrechter te Leiden van 18 januari 2012;

  • -

    de akte met vermeerdering van eis van 29 februari 2012, met producties en met extra beslagstukken;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van (voorwaardelijke) eis in reconventie van 25 april 2012, met producties;

  • -

    het comparitievonnis van 9 mei 2012 en de beschikking van 30 mei 2012;

  • -

    het proces-verbaal van de eerste comparitie van partijen van 3 juli 2012, met alle daarin opgesomde, vooraf per brief ontvangen extra processtukken, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met eiswijziging in conventie, tevens conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, en tevens incidentele vordering ex art. 223 Rv van 31 oktober 2012, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijk) reconventie, en tevens conclusie van antwoord in het incident ex art. 223 van 28 november 2012, met productie;

  • -

    het provisioneel vonnis in het incident ex art. 223 Rv van 19 december 2012;

  • -

    de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie van 30 januari 2013, met producties;

  • -

    de beslissingen van 6 en 18 maart 2013 van de rechtbank;

  • -

    de op 13 mei 2013 ter griffie ontvangen akte met producties van mr. Cohen;

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooien en van de tweede comparitie van partijen van 27 mei 2013, met de pleitnota’s van beide advocaten en met de nagezonden faxbrief van 7 juni 2013 van mr. Cohen met kopie aan mr. Otte.

1.2 De vonnisdatum is nader bepaald op vandaag. De rechtbank zal alles afwegende de pas op 24 mei 2013 ter griffie ontvangen akte van mr. Cohen met eiswijziging in conventie (extra beslagkosten) en met extra producties (extra beslagstukken) in deze procedure niet meer toelaten, omdat deze akte ver na de in de beslissingen van 6 en 18 maart 2013 vooraf door de rechtbank gestelde uiterste termijn is ontvangen en omdat mr. Otte ter zitting van 27 mei 2013 bezwaar heeft gemaakt, voorts omdat niet gesteld of gebleken is dat mr. Otte deze te late akte van mr. Cohen daadwerkelijk heeft ontvangen, en tenslotte omdat onvoldoende concreet gesteld of gebleken is waarom de kennelijk pas op 15 mei 2013 gelegde derde reeks conservatoire beslagen niet veel eerder na een tijdig en goed verhaalsonderzoek had kunnen worden gelegd, mede gelet op de relatief lange duur van deze bodemprocedure.

De vaststaande feiten

2.1 [X] is vereffenaar van de door haar beneficiair aanvaarde nalatenschap van haar op 27 januari 2010 op ruim 91-jarige leeftijd overleden oudtante [A]. Bij testament van 10 december 1986 had [A] onder meer tot haar enige twee erfgenamen benoemd haar achternicht [B] en diens dochter [X]. Na de verwerping van de nalatenschap door haar moeder is [X] dus als enig erfgenaam tot het vereffende saldo van de nalatenschap van [A] gerechtigd.

2.2 [A] heeft in ieder geval vanaf 2006 - maar mogelijk al langer1 - in het door [Y] toen in Hazerswoude-Rijndijk door middel van zijn toenmalige drie BV’s gedreven hotel-restaurant gewoond. Gedaagde [Y] Vastgoed BV is één van die drie BV’s van [Y]. Op 28 november 2007 is Hotel-Restaurant [Q] BV failliet verklaard, één van de andere twee BV’s van [Y]. Het hotel-restaurant van [Y] waar [A] sinds in ieder geval 2006 inwoonde was ook in 2006 al verliesgevend.

2.3 Op 15 maart 2007 is de toen bijna 89-jarige [A] wegens ernstige dementie vanuit het te sluiten hotel van [Y] te Hazerswoude-Rijndijk in een psychogeriatrisch verpleeghuis in Warmond opgenomen. Op voordracht van de GGZ Leiden en de OvJ heeft de kantonrechter te Leiden bij beschikkingen van 5 december 2007 [Y] tot bewindvoerder over het vermogen van [A] benoemd en voorts tot mentor van [A].

2.4 [Y] heeft als bewindvoerder jaarlijks rekening en verantwoording afgelegd aan de toezichthoudend kantonrechter te Leiden over het door hem gevoerde bewind. De kantonrechter heeft deze ingediende stukken over de jaren 2008 en 2009 voor “gezien en goedgekeurd” ondertekend. Volgens de opgave van bewindvoerder [Y] aan de kantonrechter te Leiden bestond het vermogen van [A] bij aanvang van het bewind op 5 december 2007 uit bedragen van € 293.083,33 en USD 25.795,98 op bankrekeningen bij ABN AMRO Bank, te verminderen met € 29.662,15 aan openstaande schulden voor “wasserijkosten, achterstallige huur, schoonmaak en renovatiekosten”.

2.5 Na het overlijden van [A] op 27 maart 2010 bleek via de door [Y] ingeschakelde notaris dat [A] een testament had opgemaakt en kregen [X] en haar moeder als bij dat testament benoemde enig erfgenamen daarvan bericht. Dat bericht kwam voor [X] en haar moeder onverwachts. Hun oudtante [A] had lange tijd in Amerika gewoond, was toen het contact met haar familie verloren en had haar familie niet bericht over haar terugkeer naar Nederland en haar inwoning in het hotel van [Y] te Hazerswoude-Rijndijk.

2.6 Na gaandeweg gerezen wantrouwen jegens [Y] heeft [X] na eigen onderzoek bij ABN AMRO Bank een forensisch accountant ingeschakeld om nader onderzoek te doen naar het vermogen van haar oudtante [A] en het door [Y] daarover gevoerde bewind. Daaruit bleek volgens [X] dat [Y] op vele manieren via vele niet eenvoudig te begrijpen geldstromen onbehoorlijk bewind heeft gevoerd en als bewindvoerder via onder meer [Y] Vastgoed BV grote sommen geld aan het vermogen van [A] zou hebben onttrokken, waaronder een door [Y] volgens [X] buiten het toezicht van de kantonrechter gehouden effectenportefeuille van [A] bij ABN AMRO Bank van ruim € 677.000,- per 31 december 2007.

2.7 Na beslagverlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 3 juni 2011 heeft [X] een groot aantal conservatoire beslagen ten laste van [Y] en [Y] Vastgoed BV doen leggen, onder meer op twee woonboerderijen te Hazerswoude-Rijndijk van [Y] en zijn echtgenote, waarvan de tweede woonboerderij inmiddels na het bewind geheel verbouwd en gerenoveerd is.

2.8 Na de dagvaarding van 30 juni 2011 in deze bodemprocedure en na het door gedaagden opgeworpen verwijzingsincident, heeft de kantonrechter te Leiden deze bodemprocedure uiteindelijk bij incidenteel vonnis van 18 januari 2012 verwezen van de toenmalige sector kanton naar de toenmalige sector civiel van de rechtbank.

2.9 Na een daartoe op 25 oktober 2011 van de voorzieningenrechter te Den Haag verkregen verlof heeft [X] tijdens deze bodemprocedure nog een tweede reeks conservatoire beslagen doen leggen ten laste van beide gedaagden en voorts onder en/of ten laste van de echtgenote van gedaagde [Y].

2.10 Na sommaties heeft [Y] tijdens deze bodemprocedure uiteindelijk op 27 maart 2012 bij de kantonrechter te Leiden eindrekening en eindverantwoording afgelegd over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van wijlen [A], met opgave van een eindsaldo van € 280.469,-. De kantonrechter te Leiden heeft deze eindrekening en eindverantwoording mede gelet op deze lopende bodemprocedure niet goedgekeurd.

2.11 Bij incidenteel vonnis van 19 december 2012 heeft deze rechtbank bij wijze van provisionele voorziening ex art. 223 Rv tijdens deze bodemprocedure [Y] veroordeeld om aan [X] € 57.600,- te betalen. Ter laatste zitting van 27 mei 2013 was daarvan feitelijk nog niets betaald of verhaald.

De ingestelde vorderingen en de daartegen gevoerde verweren

3.1 [X] vordert na de aan haar toegestane eiswijzigingen in conventie dat de rechtbank - sterk samengevat en naar de rechtbank begrijpt - [Y] zal veroordelen om alsnog behoorlijke rekening en verantwoording over het door hem gevoerde bewind aan [X] af te leggen. Ook vordert zij in conventie om [Y] en [Y] Vastgoed BV hoofdelijk te veroordelen om aan [X] als vereffenaar van de nalatenschap een schadevergoeding van in totaal € 729.628,31 in hoofdsom te betalen wegens alle door hen aan het bewind en de nalatenschap van [A] onttrokken gelden, alles met meerdere nevenvorderingen. Gedaagden voeren daartegen gemotiveerd verweer in conventie, dat hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan de orde komt.

3.2 In reconventie vordert [Y] na eiswijziging - samengevat en naar de rechtbank begrijpt - (voorwaardelijke) veroordeling van [X] om aan [Y] als bewindvoerdersloon alsnog 10,712% van het bedrag van zijn eventuele veroordeling in conventie te betalen, en voorts veroordeling van [X] om alle onder [Y] en zijn echtgenote gelegde conservatoire beslagen door te doen halen, met nevenvorderingen. [X] voert daartegen gemotiveerd verweer in reconventie, dat hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan de orde komt.

3.3 Voor de weergave van de vele details van de aan beide zijden daartoe ingenomen standpunten volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de inhoud van alle processtukken met alle producties, hiervoor opgesomd in alinea 1.1.

De beoordeling in conventie

4.1 De rechtbank zal eerst de hoofdvordering in conventie die strekt tot betaling van in hoofdsom € 729.628,31 wegens onbehoorlijk bewind beoordelen. [X] heeft vooral bij repliek met verwijzing naar haar producties, waaronder kopie van alle bankafschriften op naam van [A] tijdens het bewind van 5 december 2007 tot 27 januari 2010, naar het oordeel van de rechtbank duidelijk, begrijpelijk en verifieerbaar aangetoond dat bewindvoerder [Y] via diverse geldstromen - waaronder substantieel ook via bankrekeningen op naam van [Y] Vastgoed BV - in totaal € 729.628,31 in hoofdsom aan het op 5 december 2007 nog op naam staande vermogen van [A] heeft onttrokken en dat totaalbedrag kennelijk naar zijn eigen vermogen of dat van zijn BV’s of zijn/hun schuldeisers heeft doorgesluisd, en dat hij het overig onder zijn bewind staand resterend vermogen van [A] van op 27 januari 2010 nog € 280.469,- meerdere malen als (in de woorden van [X]) “goedkope bank van lening” voor zichzelf en de zijnen heeft gebruikt. [Y] heeft tegen die specifieke verifieerbare stellingen en berekeningen van [X] na repliek geen gemotiveerd verweer meer gevoerd, waardoor in deze procedure de omvang van het gestelde onttrokken totaalbedrag van € 729.628,31 vaststaat.

4.2 Vaststaat ook dat bewindvoerder [Y] dat zonder de wettelijk vereiste machtiging en toestemming van de toezichthoudend kantonrechter heeft gedaan, meer in het bijzonder vooral door dit alles voor de kantonrechter eenvoudigweg te verzwijgen en via kunstgrepen zoals het deels afplakken van de jaaroverzichten van ABN AMRO Bank verborgen te houden. Dit levert reeds daarom per definitie onbehoorlijk bewind op en kwalificeert zich met andere woorden reeds daarom als onrechtmatige daad jegens de door [X] te vereffenen nalatenschap van [A], met een daaraan toe te rekenen totale schade van € 729.628,31 in hoofdsom.

4.3 Naar de kern genomen voert [Y] daartegen als hoofdverweer dat [A] als dank voor alle door haar sinds 1992 in het hotel van [Y] en in zijn huishouden genoten goede zorgen al ruim vóór haar dementie en de instelling van het bewind haar aandelenportefeuille mondeling aan [Y] had geschonken, welke door hem destijds aanvaarde mondelinge schenking volgens art. 7:175 BW geldig is maar welke schenking hij pas naderhand tijdens het bewind in 2008 heeft uitgevoerd en doen nakomen, zulks door de aandelenportefeuille op naam van [A] bij ABN AMRO Bank in 2008 via de bewindrekeningen te gelde te maken en vervolgens via diverse geldstromen van de bewindrekeningen naar bankrekeningen van hemzelf of zijn BV’s of zijn/hun schuldeisers over te maken dan wel te pinnen. [X] betwist gemotiveerd het bestaan en de geldigheid van deze door [Y] gestelde schenkingsovereenkomst.

4.4 De rechtbank verwerpt dit verweer van [Y]. [X] voert immers terecht aan dat uit geen enkele vóór de instelling van het bewind kenbare wilsuiting van [A] en/of [Y] is gebleken dat, hoe, waar en wanneer een dergelijke op voorhand onwaarschijnlijke mondelinge schenking tussen [Y] en [A] overeengekomen zou zijn, mede omdat er daarvan geen notariële akte is opgemaakt, omdat er vóór de instelling van het bewind ook geen wijziging van de tenaamstelling van de beheersovereenkomst van de aandelenportefeuille bij ABN AMRO Bank heeft plaatsgevonden en omdat er van deze beweerde schenking geen aangifte bij de belastingdienst is gedaan. De feitelijke uitvoeringshandeling van die eventuele eerdere mondelinge schenkingsovereenkomst door [A] - de gift zelf - heeft voorts pas feitelijk plaatsgevonden tijdens het bewind, en dus zonder de wettelijk vereiste toestemming van de op het bewind van [Y] toezichthoudend kantonrechter te Leiden.

4.5 Ook heeft [X] zich in dit geval terecht beroepen op de vernietigbaarheid van de door [Y] gestelde schenking wegens misbruik van omstandigheden. Dat misbruik ligt in de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval van kort gezegd een wegens ernstige dementie in een psychogeriatrisch centrum opgenomen hoogbejaarde vermogende dame die voordien een kamer huurde in het verliesgevende hotel van [Y] evident voor de hand, en dat misbruik is door [X] ook concreet en gedetailleerd nader gesteld en onderbouwd in de loop van deze procedure. Op grond van art. 7:176 BW rust in zo’n geval immers de bewijslast en dus ook de nadere stelplicht op de begunstigde [Y], die daartoe in deze procedure echter onvoldoende concrete nadere bijzondere feiten en omstandigheden heeft gesteld. Tot de te summier en terloops aangeboden bewijslevering van deze op voorhand onwaarschijnlijke schenking zal de rechtbank [Y] daarom niet toelaten. Tenslotte ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank ook het door art. 7:175 BW voor een schenking vereiste element “om niet”, nu uit de stellingen van [Y] volgt dat volgens hem de toekomstige overdracht van de aandelenportefeuille de wederprestatie zou zijn geweest voor de door [Y] en zijn echtgenote sinds 1992 aan [A] geboden goede zorgen.

4.6 Indien en voor zover [Y] zich als verweer nog beroept op de omstandigheid dat [A] al sinds 1992 in zijn hotel en bij zijn familie inwoonde en nog ruim € 29.622,15 aan “wasserijkosten, achterstallige kamerhuur, schoonmaakkosten en renovatiekosten” verschuldigd was, brengt [X] daar terecht tegenin dat [Y] deze door [X] betwiste stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd met verifieerbare bewijsstukken hoewel dat op zijn weg lag, en voorts dat eventuele achterstallige kamerhuur, schoonmaakkosten en renovatiekosten per definitie niet aan [Y] maar slechts aan de curator van het kort voor het ingestelde bewind gefailleerde Hotel-Restaurant [Q] BV verschuldigd kunnen zijn en voor uitbetaling de in dit geval ook ontbrekende, expliciete toestemming vooraf van de kantonrechter behoefden.

4.7 De rechtbank verwerpt ook het formele verweer dat [X] haar vorderingen bij dagvaarding niet specifiek heeft ingesteld als vereffenaar van de beneficiair aanvaarde nalatenschap. [X] heeft na de dagvaarding in deze procedure immers voldoende duidelijk gemaakt dat zij materieel wel degelijk in haar hoedanigheid van vereffenaar procedeert en dat zij in die hoedanigheid ook al drie bestaande schuldeisers van de nalatenschap (twee legatarissen en de belastingdienst) heeft betaald.

4.8 Tenslotte verwerpt de rechtbank het verweer tegen de gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid van [Y] Vastgoed BV. Onvoldoende betwist is immers de gemotiveerde stelling van [X] dat [Y] Vastgoed BV zich via onder meer haar bankrekeningen door [Y] heeft laten misbruiken en er aldus aan heeft meegewerkt om in totaal
€ 729.628,31 aan het wegens ernstige dementie onder bewind gesteld vermogen van [A] te onttrekken en daar zelf ook substantieel van heeft meegeprofiteerd. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van [Y] Vastgoed BV om aan [X] als vereffenaar een schadevergoeding van € 729.628,31 te betalen kan in dit geval daarom worden toegewezen op de voet van art. 6:99 BW.

4.9 De nevenvordering van € 3.332,- voor de onderzoekskosten van de door [X] ingeschakelde forensisch accountant zijn in redelijkheid toewijsbaar op grond van art. 6:96 lid 2 onder b BW. Anders dan [Y] en [Y] Vastgoed BV stellen, rustte in dit geval immers geen rechtsplicht op [X] om eerst [Y] om uitleg te vragen voordat zij een forensisch accountant inschakelde om nader onderzoek te doen naar alle geldstromen tijdens het bewind van [Y]. De nevenvordering tot betaling van incassokosten moet wel worden afgewezen, omdat [X] deze nevenvordering na de gemotiveerde betwisting door de wederpartijen onvoldoende concreet heeft onderbouwd.

4.10 Voor de in conventie gevorderde vergoeding van een gemist rendement van 4% over het ontrokken vermogen naast de ook gevorderde vergoeding van de wettelijke rente is geen plaats, omdat de vergoeding van wettelijke rente nu juist mede en vooral het gemist rendement beoogt te compenseren. De gevorderde wettelijke rente is gelet op de inhoud van productie 6 van [X] toewijsbaar met ingang van 9 juni 2011; eventuele eerdere ingangsdata zijn door [X] in deze procedure onvoldoende concreet gesteld. De hoofdvordering in conventie die naar de rechtbank begrijpt strekt tot het alsnog afleggen van een behoorlijke rekening en verantwoording over het gevoerde bewind zal de rechtbank afwijzen, omdat [X] daar naast de toewijsbare hoofdvordering die strekt tot het betalen van een schadevergoeding van € 729.628,31 plus nevenvorderingen geen relevant belang meer bij heeft.

4.11 Samengevat zal de rechtbank in conventie [Y] en [Y] Vastgoed BV hoofdelijk veroordelen om aan [X] als vereffenaar van de nalatenschap van [A] te betalen € 729.628,31 plus € 3.332,- dat is in totaal dus € 732.960,31 vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente met ingang van 9 juni 2011, onder afwijzing van het meer of anders in conventie gevorderde. Duidelijkheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat dit bedrag van € 732.960,31 ook omvat het bedrag van € 57.600,- tot betaling waarvan [Y] bij provisioneel tussenvonnis van 19 december 2012 is veroordeeld.

De beoordeling in reconventie

5.1 Het is de rechtbank niet duidelijk geworden onder welke exacte eventuele voorwaarde(n) [Y] zijn “voorwaardelijk” genoemde vorderingen in reconventie heeft ingesteld of beoogd heeft in te stellen. De rechtbank zal die twee hoofdvorderingen in reconventie daarom beoordelen alsof zij onvoorwaardelijk zijn ingesteld.

5.2 De eerste hoofdvordering van [Y] strekt tot betaling door [X] van alsnog het wettelijk loon voor het door hem gevoerde bewind over het vermogen van [A]. De rechtbank zal deze vordering afwijzen, reeds omdat [X] terecht aanvoert dat aan [Y] in de specifieke omstandigheden van dit geval in redelijkheid geen beloning toekomt wegens zijn evident onbehoorlijke en onrechtmatige bewindvoering. De overige verweren van [X] tegen deze vordering van [Y] kunnen reeds daarom buiten beoordeling blijven.

5.3 De tweede hoofdvordering van [Y] strekt tot opheffing van de door [X] onder hem en zijn echtgenote gelegde reeksen conservatoire beslagen. Ook die vordering in reconventie moet worden afgewezen, reeds omdat de hoofdvordering van [X] in conventie in dit vonnis zal worden toegewezen en als hoofdregel ook verhaalbaar is door derdenbeslag onder een derde zoals de echtgenote van [Y], met wie hij buiten gemeenschap van goederen op ingeschreven huwelijkse voorwaarden blijkt te zijn getrouwd. Of en in hoeverre [X] de veroordeling van [Y] ook kan en mag verhalen op en ten laste van het (afgescheiden) vermogen van de echtgenote van [Y], kan in deze procedure buiten beoordeling blijven en zal moeten blijken bij eventuele toekomstige executiegeschillen.

Slotsom en proceskosten

6.1 Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de navolgende beslissingen over de vorderingen in conventie en in reconventie. De overige geschilpunten laat de rechtbank buiten beoordeling, omdat zij na het voorgaande niet kunnen leiden tot andere beslissingen.

6.2 De rechtbank zal de proceskosten van enerzijds het verwijzingsincident en anderzijds het incident tot provisionele voorzieningen compenseren door deze tegen elkaar weg te strepen, nu beide zijden in één van die twee opgeworpen incidenten over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

6.3 In de hoofdzaak zal de rechtbank in conventie [Y] en [Y] Vastgoed BV als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordelen in de proceskosten, inclusief de gevorderde beslagkosten van [X] voor de eerste twee reeksen conservatoire beslagen. De rechtbank begroot die proceskosten op in totaal

€ 9.165,26 voor deurwaarderskosten, € 1.436,- voor verschuldigde griffierechten en
€ 15.480,- voor forfaitair salaris advocaat, dat is dus in totaal € 26.081,26.

6.4 In de hoofdzaak in reconventie zal de rechtbank [Y] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van [X], die door de rechtbank worden begroot op € 2.260,- voor forfaitair salaris advocaat.

6.5 Tegen de door [X] in conventie gevorderde en in reconventie verzochte uitvoerbaar verklaring(en) bij voorraad van dit vonnis is geen verweer gevoerd. Mede daarom zal de rechtbank dit vonnis zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

De beslissingen

De rechtbank in conventie en in reconventie:

- veroordeelt [Y] en [Y] Vastgoed BV in conventie hoofdelijk om aan [X] in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de op 27 januari 2010 overleden [A] te betalen een bedrag van in totaal € 732.960,31, vermeerderd met de wettelijke daarover met ingang van 9 juni 2011;

- veroordeelt [Y] en [Y] Vastgoed BV in conventie voorts hoofdelijk om aan [X] in haar voornoemde hoedanigheid te betalen in totaal € 26.081,26 voor de proceskosten inclusief de beslagkosten in de hoofdzaak in conventie;

- veroordeelt [Y] in reconventie voorts om aan [X] in haar voornoemde hoedanigheid te betalen in totaal € 2.260,- voor de proceskosten in de hoofdzaak in reconventie;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten verbonden aan de beide incidenten;

- wijst af dat wat [X] in conventie meer of anders heeft gevorderd;

- wijst af dat wat [Y] in reconventie heeft gevorderd.

Dit eindvonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 25 september 2013.

1 [Y] stelt al vanaf 1992, maar levert daarvan geen enkel bewijsstuk. [X] betwist gemotiveerd de gestelde inwoning vóór 2006 van [A] in het hotel-restaurant van [Y].