Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12202

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
C-09-449250 - KG ZA 13-961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.Retentierecht van de Staat op grond van artikel 3 lid 1 van het Besluit buitengebruikstelling voertuigen jegens de bewindvoerder (in het kader van de WSNP) op een auto na de beëindiging van de buitengebruikstelling ex artikel 28b van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften ('Wet Mulder').

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 28b
Besluit buitengebruikstelling voertuigen
Besluit buitengebruikstelling voertuigen 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer C/09/449250 / KG ZA 13-961

Vonnis in kort geding van 23 september 2013

in de zaak van

[bewindvoerder],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [A],

kantoorhoudende te Bunde, gemeente Meerssen,

eiseres,

advocaat mr. A.M. Schmeets te Roermond,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'de bewindvoerder' en 'de Staat'.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 september 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[A] voornoemd (hierna '[A]') is eigenaar van de auto van het merk Audi, type A2, met kenteken [kenteken] (hierna 'de auto').

1.2.

Bij wijze van dwangmiddel heeft de Staat, middels het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna 'CJIB') - op grond artikel 28b van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna 'Wahv') - de auto op 25 april 2013 buiten gebruik gesteld, wegens een zevental niet - volledig - voldane administratieve sancties (boetes). Hiervan is [A] bij brief van 30 april 2013 in kennis gesteld. Het openstaande bedrag van de boetes bedroeg in totaal € 4.167,--.

1.3.

Bij vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 juni 2013 is ten aanzien van [A] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van eiseres tot bewindvoerder.

1.4.

Bij brief van 10 juni 2013 heeft de officier van justitie te Leeuwarden onder meer aan [A] medegedeeld dat (i) na 27 augustus 2013 de waarde van de auto niet langer opweegt tegen het bedrag van de boetes en de verhogingen, de kosten van overbrenging en bewaring en de geraamde kosten van eigendomsoverdracht, (ii) de auto om die reden wordt verkocht en (iii) de verkoop kan worden voorkomen door het openstaande bedrag uiterlijk op 27 augustus 2013 te voldoen.

1.5.

Op 10 juni 2013 heeft de bewindvoerder aan het CJIB medegedeeld dat de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard op [A].

1.6.

Op 27 juni 2013 heeft het CJIB bij de bewindvoerder ter verificatie een vordering ingediend van in totaal € 4.523,25 wegens een negental openstaande boetes, waaronder voormelde zeven boetes.

1.7.

Bij brieven van 11 juni 2013 en 7 augustus 2013 heeft de bewindvoerder aan het CJIB verzocht de buitengebruikstelling van de auto te beëindigen en de auto terug te geven. Bij brief van 15 augustus 2013 heeft de bewindvoerder het CJIB gesommeerd tot afgifte van de auto.

1.8.

Bij brief van 20 augustus 2013 heeft het CJIB aan de bewindvoerder bericht dat de Staat de auto onder zich houdt op grond van het retentierecht ex artikel 29 Wahv, juncto artikel 3 van het Besluit buitengebruikstelling voertuigen (hierna 'het Besluit') in verband met de vordering op [A] ter zake van de in die artikelen genoemde kosten, die op dat moment een bedrag van € 729,69 beliepen. Daarbij is de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld om de auto in de boedel terug te brengen door uiterlijk op 27 augustus 2013 over te gaan tot betaling van dat bedrag.

2 Het geschil

2.1.

De bewindvoerder vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te verbieden de auto te verkopen gedurende de periode dat de bewindvoerder de boedel van [A] beheert;

II. de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen de auto af te geven aan de bewindvoerder;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

Samengevat voert de bewindvoerder daartoe het volgende aan.

Op grond van artikel 301 lid 2 van de Faillissementswet (hierna 'Fw') is de buitengebruikstelling van de auto van rechtswege komen te vervallen als gevolg van de toelating van [A] tot de schuldsaneringsregeling. Gelet hierop en nu de Staat geen beroep toekomt op een retentierecht, houdt de Staat de auto dus zonder recht of titel onder zich. De Staat dient de auto dan ook af te geven aan de bewindvoerder en is niet gerechtigd om over te gaan tot verkoop van de auto, zoals door hem aangekondigd. Dat geldt te meer, nu verkoop van de auto door de bewindvoerder meer zal opleveren dan verkoop ervan door de Staat. Voor wat betreft zijn vordering(en) op [A] dient de Staat de uitdeling aan het einde van het schuldsaneringstraject af te wachten.

2.3.

De Staat heeft de vorderingen van de bewindvoerder gemotiveerd bestreden. In het kader van zijn verweer beroept hij zich in het bijzonder op een hem toekomend retentierecht op de auto.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

De vordering van de bewindvoerder is gegrond op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

3.2.

Centraal in het onderhavige geschil staat de vraag of de Staat zich op goede gronden beroept op een retentierecht op de auto en - zo ja - of de Staat mag overgaan tot verkoop van de auto. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat de Staat zich enkel op het retentierecht beroept voor wat betreft zijn vordering op [A] ter zake van de kosten van overbrenging van de auto naar de bewaarder en de aan de bewaring verbonden kosten, zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit. De Staat heeft aangegeven dat - voor zover de opbrengst van de auto, na een eventuele verkoop door hem, hoger is dan de hoogte van die vordering - de meeropbrengst ten goede zal komen aan de boedel in de schuldsanering van [A].

3.3.

Na de buitengebruikstelling van de auto per 25 april 2013 is deze in bewaring gesteld. Op grond van artikel 28b Wahv eindigde de buitengebruikstelling op 23 mei 2013. Het betoog van de bewindvoerder dat de buitengebruikstelling op grond van het bepaalde in artikel 301 Fw ten einde is gekomen stuit af op het feit dat de buitengebruikstelling ten tijde van het uitspreken van de schuldsanering al was beëindigd. Ingevolge artikel 3 lid 1 van het Besluit kon [A] vanaf dat moment aanspraak maken op teruggave van de auto, mits hij de kosten van overbrenging van de auto naar de bewaarder en de aan de bewaring verbonden kosten zou voldoen. Vaststaat dat deze kosten niet zijn voldaan.

3.4.

Met de Staat moet worden geoordeeld dat het bepaalde in artikel 3 lid 1 van het Besluit een retentierecht inhoudt voor wat betreft de voldoening door [A] c.q. de bewindvoerder van de hiervoor vermelde kosten. Anders dan de bewindvoerder stelt volgt dat ook uitdrukkelijk uit de parlementaire geschiedenis betreffende dat artikellid. De Nota van toelichting vermeldt immers: "Tevens is in dit lid het retentierecht neergelegd: de kosten van de bewaring en van de daaraan voorafgegane overbrenging dienen te worden betaald, alvorens het voertuig aan de rechthebbende wordt teruggegeven." (Stb. 1990, 441, p. 3). Het retentierecht op de auto - dat ontstond op het moment dat de buitengebruikstelling eindigde - is niet verloren gegaan door de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [A], gelet op artikel 299b Fw.

3.5.

De Staat heeft dus een retentierecht op de auto, voor zover het zijn vordering ter zake van de kosten van overbrenging en bewaring van de auto betreft, ook na 3 juni 2013. De bewindvoerder kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de Staat daarvan afstand heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat de Staat bij het indienen van zijn vordering ad
€ 4.523,25 op [A] bij de bewindvoerder op 27 juni 2013 geen melding heeft gemaakt van het retentierecht, brengt in ieder geval niet mee dat de bewindvoerder ervan mocht uitgaan dat de Staat de bevoegdheid om zich daarop te beroepen heeft prijsgegeven. Van misbruik van recht - zoals de bewindvoerder stelt - is evenmin sprake. Het enkele feit dat de Staat voor het eerst op 20 augustus 2013 uitdrukkelijk aan de bewindvoerder te kennen heeft gegeven zich te beroepen op het retentierecht is hoe dan ook onvoldoende om aan te nemen dat de Staat zijn bevoegdheid misbruikt.

3.6.

Voorts is de Staat gerechtigd om over te gaan tot verkoop van de auto. Daarvoor is allereerst van belang dat artikel 29 lid 3 Wahv hem daartoe het recht geeft nu [A] c.q. de bewindvoerder niet binnen twaalf weken na de aanvang van de buitengebruikstelling de auto heeft afgehaald, onder betaling van de in artikel 3 lid 1 van het Besluit vermelde kosten. Overigens heeft de bewindvoerder ook de stelling van de Staat, dat het gezamenlijke bedrag van de boetes - te vermeerderen met de verhogingen en/of kosten - in verhouding tot de waarde van het voertuig onevenredig zouden worden, onvoldoende besteden. Voorts moet worden aangenomen dat de Staat heeft voldaan aan het vereiste van artikel 299b lid 3 Fw, inhoudend dat aan de bewindvoerder een "redelijke termijn" wordt gesteld om de auto in de boedel terug te brengen door voldoening van de vordering waarvoor het retentierecht wordt uitgeoefend. Bij brief van 10 juni 2013 heeft de Staat, althans het CJIB, [A] in de gelegenheid gesteld om de verkoop van de auto te voorkomen door uiterlijk op 27 augustus 2013 het openstaande bedrag aan boetes, vermeerderd met verhogingen en kosten, te voldoen. Verder heeft de Staat de bewindvoerder bij brief van 20 augustus 2013 de mogelijkheid geboden om de auto in de boedel terug te brengen door uiterlijk op 27 augustus 2013 een bedrag ad € 729,60 te voldoen. Voor zover de bewindvoerder de in laatstgenoemde brief verstrekte termijn te kort vond, had het op haar weg gelegen om gebruik te maken van de haar in artikel 299b lid 3 Fw gegeven mogelijkheid om aan de rechter-commissaris verlenging van die termijn te vragen. Dit heeft zij nagelaten. De gevolgen daarvan komen voor haar rekening. Nu de Staat bovendien heeft aangegeven dat de auto zal worden verkocht op de wijze die in artikel 299b Fw is voorzien, kan niet worden geoordeeld dat zijn handelwijze in strijd met de wet is.

3.7.

De slotsom is dat de vorderingen van de bewindvoerder zullen worden afgewezen.

3.8.

De bewindvoerder zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van de bewindvoerder af;

- veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2013.

jvl