Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12192

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
23-09-2013
Zaaknummer
AWB 13-5543 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: derde herhaalde asielaanvraag; inreisverbod; geen rechtmatig verblijf; geen procesbelang.

Wetsartikelen: artikel 66a, zesde lid, van de Vw.

Samenvatting:

Derde (herhaalde) asielaanvraag. Zoals de ABRvS heeft overwogen in de uitspraak van 22 juli 2010 heeft een ongewenst verklaarde vreemdeling, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen belang bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning. Dit brengt met zich dat een vreemdeling tegen wie verweerder een inreisverbod heeft uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een herhaalde aanvraag tot verlening van een asielvergunning. Dat beroep kan immers, gelet op artikel 66a, zesde lid, van de Vw nooit leiden tot de door die vreemdeling beoogde verblijfsvergunning.

In eisers geval betekent dit dat hij pas belang heeft bij toetsing in rechte van het bestreden besluit - nu dit een besluit is tot afwijzing van een herhaalde en niet een eerste aanvraag voor een asielvergunning - indien het besluit tot het uitvaardigen van het inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen of vernietigd, dan wel dat inreisverbod wordt opgeheven. In het kader van een eventueel verzoek om opheffing van het inreisverbod kan eiser aan de orde stellen dat volgens hem bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. In de onderhavige procedure - waarin uitsluitend het besluit op de asielaanvraag voorligt - kan dit inreisverbod niet worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/5543

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], geboren op[geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. D.S. Asarfi).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 februari 2013 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een Aanmeldcentrum afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft verder de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek bij uitspraak van 21 maart 2013 toegewezen (procedurenummer AWB 13/5544).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1.

Eiser heeft eerder op 19 oktober 2011 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 27 oktober 2011 afgewezen. Bij uitspraak van 16 november 2011

(AWB 11/34874 en AWB 11/34877) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.

Eiser heeft op 31 oktober 2011 een asielaanvraag ingediend in Zweden. De Zweedse autoriteiten hebben eiser op grond van de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 overgedragen aan Nederland. Eiser is op 21 maart 2012 Nederland weer ingereisd.

3.

Eiser heeft vervolgens op 28 maart 2012 weer een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 3 april 2012 afgewezen en in hetzelfde besluit tevens aan eiser een inreisverbod opgelegd. Bij uitspraak van 25 april 2012 (AWB 12/11285 en AWB 12/11283) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het besluit van verweerder van 3 april 2012 staat hiermee in rechte vast.

4.

Gelet op het voorgaande is de nu voorliggende aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een herhaalde aanvraag.

5.

Ambtshalve overweegt de rechtbank over het procesbelang als volgt.

6.

Op grond van artikel 66a, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), voor zover thans van belang, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt, in afwijking van artikel 8, geen rechtmatig verblijf hebben, met uitzondering van het rechtmatig verblijf:

a. van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend, zolang op die aanvraag nog niet is beslist;

b. bedoeld in artikel 8, onder j, en

c. van de vreemdeling wiens uitzetting op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of beroepschrift is beslist.

7.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 66a van de Vw (Kamerstukken II 2010/11 32 420, nr. 9, blz. 5) blijkt dat de wetgever met het zesde lid heeft beoogd te waarborgen dat het inreisverbod zoveel mogelijk dezelfde of vergelijkbare gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het verblijf als een ongewenstverklaring. Daartoe is aangesloten bij artikel 67, derde lid, waarin is bepaald dat de vreemdeling die ongewenst is verklaard, in afwijking van artikel 8, geen rechtmatig verblijf kan hebben. Daarbij worden enkele uitzonderingen gemaakt. Voor zover hier van belang, is in dit kader overwogen dat de vreemdeling, die een eerste asielaanvraag heeft ingediend, ondanks het inreisverbod nog wel rechtmatig verblijf kan hebben, zolang op die aanvraag nog niet in eerste aanleg is beslist (onderdeel a). Deze uitzondering is gebaseerd op artikel 7, eerste lid, eerste volzin, en het tweede lid, van de richtlijn nr. 2005/85/EG van de Raad van 1 december 1985 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PbEU L 326). Daarin is bepaald dat asielzoekers in de lidstaat mogen blijven louter ten behoeve van de procedure, totdat de beslissingsautoriteit overeenkomstig de in hoofdstuk III uiteengezette procedures in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. Met het oog daarop is in artikel 66a, zesde lid, een uitzondering gemaakt voor het rechtmatig verblijf hangende de beslissing op een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28. Een dergelijke situatie doet zich niet voor in het geval een vreemdeling al eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend.

8.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft overwogen in de uitspraak van 22 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN2265) heeft een ongewenst verklaarde vreemdeling, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen belang bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 17 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298), overweegt de rechtbank dat het onder 7 overwogene met zich brengt dat een vreemdeling tegen wie verweerder een inreisverbod heeft uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een herhaalde aanvraag tot verlening van een asielvergunning. Dat beroep kan immers, gelet op artikel 66a, zesde lid, van de Vw nooit leiden tot de door die vreemdeling beoogde verblijfsvergunning.

9.

In eisers geval betekent dit dat hij pas belang heeft bij toetsing in rechte van het bestreden besluit - nu dit een besluit is tot afwijzing van een herhaalde en niet een eerste aanvraag voor een asielvergunning - indien het besluit tot het uitvaardigen van het inreisverbod van 3 april 2012 wordt ingetrokken, herroepen of vernietigd, dan wel dat inreisverbod wordt opgeheven. In het kader van een eventueel verzoek om opheffing van het inreisverbod kan eiser aan de orde stellen dat volgens hem bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In de onderhavige procedure - waarin uitsluitend het besluit op de asielaanvraag voorligt - kan dit inreisverbod niet worden getoetst.

10.

Uit het voorgaande volgt dat eiser thans geen belang heeft bij zijn beroep tegen het bestreden besluit. Dit beroep is dus niet-ontvankelijk.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.J. Veenstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.J.M. Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.