Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12186

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
23-09-2013
Zaaknummer
818111-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf voor inbraak en inrijden op politie

Een 21-jarige man krijgt van de rechtbank Den Haag vier jaar celstraf, waarvan zestien maanden voorwaardelijk, voor inbraak en poging doodslag. Hij raakt verder zijn rijbewijs voor vier jaar kwijt.

Tijdens de vlucht na de inbraak heeft de man meerdere malen volg- en stoptekens van de politie genegeerd en met hoge snelheid met een vrachtwagen ingereden op meerdere politieauto’s. Niet gebleken is dat de man daadwerkelijk de bedoeling had de politieagenten van het leven te beroven, maar hij heeft met zijn zeer gevaarlijke rijgedrag op de koop toegenomen dat hij met zijn vrachtauto politieauto’s had kunnen raken met dodelijke afloop.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Verder wil de rechtbank de man, gelet op zijn jeugdige leeftijd, nog enig perspectief bieden om, na het uitzitten van de vrijheidsstraf, zijn leven op een betere manier vorm te geven dan hij tot op heden heeft gedaan. De straf valt daarom lager uit dan de zeven jaar celstraf die door de officier van justitie geëist werd.

De rechtbank zal verder als stok achter de deur een deel van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, om de man in de toekomst te weerhouden van het plegen van vergelijkbare strafbare feiten. Hierbij geldt een proeftijd van twee jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 179a
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/818111-13

Datum uitspraak: 23 september 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

adres: [adres] [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 september 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van der Zwan en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. L. Tricoli, advocaat te Alphen aan den Rijn, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2013 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

althans op Nederlands grondgebied tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen sigaretten en/of shag en/of enige goederen naar zijn/hun

gading (met een totaalwaarde van 5353,25 euro), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan Albert Heijn Bodegraven en/of [slachtoffer 1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], althans één of meerdere

politiemedewerker(s), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen:

- één althans meermalen, met een voertuig (vrachtwagen zonder oplegger) met

een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met hoge snelheid is

ingereden en/of heeft ingestuurd op één of meerdere naast, althans vlak achter

dat voertuig rijdende (als zodanig herkenbare) politievoertuig(en) en/of

(vervolgens)

- één althans meermalen, met dat voertuig zijn snelheid heeft verhoogd,

terwijl één of meerdere politievoertuig(en) zich (vlak) voor dat voertuig

bevonden;

en/of

hij op of omstreeks 24 mei 2013 in Nederland (op de Rijksweg A16 en/of A20),

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] van het

leven te beroven, opzettelijk één, althans meermalen met een voertuig

(vrachtwagen) met een hoge snelheid in te rijden en/of in te sturen op één of

meerdere naast hem rijdend(e) dienstvoertuig(en) van de politie, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke

vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan

van enig strafbaar feit, te weten de diefstal door middel van braak en/of

verbreking en/of inklimming van sigaretten en/of shag en/of enige goederen

naar verdachtes gading in elk geval enig goed, en welke poging tot doodslag

werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf

en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit

van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 mei 2013 in Nederland (op de Rijksweg A16 en/of A20) ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan één of meerdere

ambtena(a)r(en) te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar/hun bedienig opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet:

één, althans meermalen met een voertuig (vrachtwagen) met een hoge snelheid in

te rijden en/of in te sturen op één of meerdere naast hem rijdend(e)

dienstvoertuig(en) van de politie, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 mei 2013 in Nederland (op de Rijksweg A16 en/of A20)

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

- één althans meermalen, met een voertuig (vrachtwagen zonder oplegger) met

een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met hoge snelheid

ingereden en/of ingestuurd op één of meerdere naast, althans vlak achter

dat voertuig rijdende (als zodanig herkenbare) politievoertuig(en) en/of

(vervolgens)

- één althans meermalen, met dat voertuig zijn snelheid verhoogd,

terwijl één of meerdere politievoertuig(en) zich (vlak) voor dat voertuig bevonden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op vrijdag 24 mei 2013 kwamen er bij de meldkamer van de politie Den Haag twee meldingen binnen, te weten omstreeks 3.39 uur die van een inbraakalarm van Albert Heijn op de Oud Bodegraafseweg 23 te Bodegraven uur en omstreeks 3.42 uur de melding van een getuige die zag dat er twee personen bij voornoemde vestiging van Albert Heijn wegreden in een witte vrachtauto zonder oplegger.

Deze witte vrachtauto werd vervolgens vanaf omstreeks 3.50 uur achtervolgd door politievoertuigen op de A12. Van de A12 reed de vrachtwagen de A20 op, negeerde volg- en stoptekens en reed meermalen in op dienstvoertuigen. De vrachtwagen is uiteindelijk na het plaatsen van spijkermatten op het wegdek, omstreeks 4.40 uur in België tot stoppen gebracht. Verdachte is daarop aangehouden door de Belgische politie en op 27 mei 2013 overgedragen aan de Nederlandse politie, aangehouden en in verzekering gesteld.

Op grond van het voorgaande is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich, samen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan een bedrijfsinbraak gevolgd van geweld (eerste alternatief/cumulatief). Voorts wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde doodslag, door tijdens zijn vlucht na de inbraak, meermalen met een vrachtwagen met hoge snelheid in te sturen en in te rijden op naast hem rijdende dienstvoertuigen van de politie (tweede alternatief/cumulatief, primair). Onder subsidiair is dit feit tenlastegelegd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een ambtenaar in functie. Ten slotte is dit feit onder meer subsidiair tenlastegelegd als bedreiging.

Aan de rechtbank is ter beoordeling of deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir – gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder het eerste alternatief/cumulatief en het onder het tweede alternatief/cumulatief primair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities – aangesloten bij de door de officier van justitie gevorderde bewezenverklaring van de diefstal met braak. Voor wat betreft de onder tweede alternatief/cumulatief primair tenlastegelegde poging tot gekwalificeerde doodslag en subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Diefstal in vereniging met braak

Nu verdachte de onder het eerste cumulatief alternatief tenlastgelegde, diefstal in vereniging met braak, heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] namens Albert Heijn Bodegraven d.d. 24 mei 2013, blz. 13-14;

  • -

    een geschrift, te weten een bijlage van de gestolen goederen, blz. 17-19;

  • -

    de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 september 2013.

Verdachte ontkent echter het gebruik van geweld voorafgaand, tijdens of na deze inbraak.

De achtervolging

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte tijdens zijn vlucht na voormelde inbraak met hoge snelheid is ingereden, dan wel heeft ingestuurd op, één of meerdere naast, althans vlak achter hem rijdende en als zodanig herkenbare politievoertuigen. Dit enerzijds om de betrapping op heterdaad van de diefstal te voorkomen, dan wel de vlucht na die diefstal mogelijk te maken, en anderzijds (alternatief/cumulatief) om opzettelijk agenten van het leven te beroven. Diverse verbalisanten die bij de achtervolging – die rond 3.50 uur2 begon en om 4.40 uur3 eindigde – betrokken waren, hebben over de gang van zaken gerelateerd in daarvan opgemaakte processen-verbaal. Daarnaast zijn de verbalisanten [slachtoffer 4] ([slachtoffer 4]), [slachtoffer 5] ([slachtoffer 5]) en [slachtoffer 2] ([slachtoffer 2]) op 21 augustus 2013 door de rechter-commissaris gehoord. Voorts is verbalisant [slachtoffer 3] ([slachtoffer 3]) ter terechtzitting als getuige gehoord.

Verdachte heeft zowel bij de politie, als tegenover de rechter-commissaris en de rechtbank ontkend dat hij opzettelijk op politievoertuigen is ingereden. De rechtbank zal in het navolgende aan de hand van de beschikbare verklaringen, allereerst vaststellen wat er tijdens de achtervolging van verdachte op 24 mei 2013 is gebeurd.

Verklaringen verbalisanten

Verbalisant [slachtoffer 4] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij op 24 mei 2013 ter hoogte van de afrit Moordrecht in zijn dienstvoertuig reed. Op het moment dat zij de vrachtwagen wilden inhalen, om te kijken wie er in de cabine zat, reed de vrachtwagen op de dienstauto in. [slachtoffer 4] verklaart dat hij en zijn collega [slachtoffer 5] die bij hem in de auto zat toen dachten “deze bestuurder is onberekenbaar”. Hij zag verder dat een ander dienstvoertuig – rijdende aan de linkerkant van de vrachtwagen – moest remmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen omdat de vrachtwagen de auto tot een afstand tussen de vijftig centimeter en één meter was genaderd. De bestuurder van de vrachtwagen stuurde met een snelheid van 90 tot 100 kilometer per uur, recht op de flank van een dienstauto. [slachtoffer 4] heeft voorts gezien dat de vrachtwagen continu van de ene naar de andere baan slingerde terwijl er vier rijbanen op dat wegvlak zijn. Op het moment dat zij links voor de vrachtwagen reden en [slachtoffer 5] met een zaklamp in de cabine scheen, zag [slachtoffer 4] een zee van licht, hoorde hij het brullen van een motor en werd in zijn beleving de afstand tussen zijn dienstvoertuig en de vrachtauto heel klein. Het geluid en het licht van de vrachtwagen gaven hem het gevoel dat deze door de achterruit naar binnen zou komen, aldus [slachtoffer 4]. Toen [slachtoffer 5] schreeuwde dat hij gas moest geven, heeft [slachtoffer 4] blind het gas ingetrapt en een uitwijkende beweging gemaakt, waardoor de afstand met de vrachtwagen weer werd vergroot. [slachtoffer 4] heeft [slachtoffer 5] horen zeggen dat de vrachtwagen hen op dat moment probeerde te rammen. Rijdend op de A16 richting Breda, zag [slachtoffer 4] dat op het moment dat meerdere dienstauto’s de vrachtwagen via de linkerkant probeerden in te halen, de vrachtwagen deze auto’s afsneed en recht op hen inreed. Het was geen dreigen, hij reed echt op hen in, zo verklaarde [slachtoffer 4]. Rijdend op de linkerbaan, zag [slachtoffer 4] dat de vrachtwagen nogmaals op zijn dienstvoertuig instuurde. Er was toen geen uitwijkmogelijkheid omdat er geen ruimte meer was tussen de dienstauto en de vangrail. [slachtoffer 4] moest op dat moment hard remmen om een aanrijding te voorkomen en ervoor te zorgen dat de auto niet gemangeld zou worden tussen de vrachtwagen en de vangrail. [slachtoffer 4] heeft ten slotte een incident beschreven waarbij een andere dienstauto – een hondengeleider stationwagen – op een haar na werd geramd, op het moment deze de vrachtwagen aan de linkerkant wilde passeren. De stationwagen moest remmen omdat de vrachtwagen naar links op de auto instuurde. Op dat moment moesten ook de dienstauto’s daarachter remmen, aldus [slachtoffer 4].4

De bijrijder van [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], heeft verklaard dat de vrachtwagen op de A20, na de afrit Nieuwerkerk, voor het eerst agressief op hun dienstauto inreed. Op het moment dat [slachtoffer 5] met een zaklamp in de cabine van de vrachtwagen scheen, zag hij dat de cabine omhoog kwam, wat betekent dat de bestuurder gas gaf. [slachtoffer 5] zag dat de afstand tussen het dienstvoertuig – dat op dat moment helemaal links van de weg reed – en de vrachtwagen toen één meter bedroeg. Hij heeft tegen [slachtoffer 4] gezegd dat hij gas moest geven. De vrachtwagen kwam toen op het dienstvoertuig inrijden en maakte een agressieve beweging naar links. Als zijn collega niet meteen gas had gegeven hadden ze het niet gehaald, aldus [slachtoffer 5]. Het tweede incident vond volgens [slachtoffer 5] plaats na de fly-over, waar de bijrijder van de vrachtwagen was uitgestapt. Toen het dienstvoertuig via de meest linkerrijstrook wilde inhalen, maakte de vrachtwagen – op het moment dat beiden op gelijke hoogte waren – een agressieve beweging naar links waardoor het dienstvoertuig helemaal naar links werd gedrukt. Als zijn collega [slachtoffer 4] niet hard had geremd, maar gas was blijven geven, zouden zij tussen de vangrail en de vrachtwagen terecht zijn gekomen. [slachtoffer 5] verklaarde dat de neus van de vrachtauto echt zijn kant op draaide, met een scherpe stuurbeweging naar links. Ik keek in de koplampen, aldus [slachtoffer 5]. [slachtoffer 5] heeft desgevraagd verklaard dat hij ook heeft gezien dat de vrachtwagen op andere dienstvoertuigen probeerde in te rijden. Hij heeft een incident beschreven waarbij een stationwagen bijna met zijn neus in de vangrail terechtkwam. Bij de afrit Nieuwerkerk op de A20, leek de vrachtwagen de afrit te nemen, maar stuurde op het laatste moment alsnog de A20 op waardoor collega’s flink naar links moesten sturen om een aanrijding te voorkomen, aldus [slachtoffer 5].5

Verbalisant [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op de A20 na de afslag Nieuwerkerk – op het moment dat het dienstvoertuig met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur naast de vrachtwagen zonder oplegger reed – de bestuurder met armgebaren een volgteken heeft gegeven. Hierop stuurde de bestuurder in één keer naar links in en zag [slachtoffer 2] de vrachtauto steeds dichterbij komen. Het ging niet geleidelijk, maar in één keer werd ingestuurd richting onze auto, aldus [slachtoffer 2]. Omdat het dienstvoertuig niet verder naar links kon, gaf de collega van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], vol gas. Het scheelde uiteindelijk een halve meter of de vrachtwagen had het dienstvoertuig geraakt.

Het tweede incident vond plaats voor de bocht naar de Van Brienenoordbrug richting Rotterdam. Nadat de vrachtwagen voor de A20 was gestopt en er een persoon was uitgestapt, is [slachtoffer 2] ook uitgestapt. Op het moment dat [slachtoffer 2] via de portofoon hoorde dat de vrachtwagen weer ging rijden, is hij teruggerend en weer ingestapt. Hij zag toen dat de vrachtwagen van achteraf op het voertuig kwam inrijden tot op een afstand van 30 centimeter. [slachtoffer 2] heeft tegen [slachtoffer 3] geroepen; “Ron, gas gas gas, hij komt eraan”. Het derde incident vond plaats bij Rotterdam richting Breda. [slachtoffer 2] en zijn collega zijn toen voor de vrachtwagen gaan rijden, die op dat moment dwingend reed en heen en weer slingerde. Hoewel de bestuurder van de vrachtwagen toen de regie bepaalde en dreigde, hadden [slachtoffer 2] en zijn collega daar nog genoeg ruimte om weg te komen. Bij het vierde incident reden [slachtoffer 2] en zijn collega, om te voorkomen dat de vrachtwagen af zou slaan, naast de vrachtwagen op de baan richting Europoort/Zierikzee. Op dat moment week de vrachtauto uit naar rechts en moest de collega van [slachtoffer 2] – toen de vrachtwagen hen op een afstand van één meter was genaderd – het stuur omgooien naar rechts en met volle snelheid van de snelweg af te rijden.6

[slachtoffer 3] heeft ter terechtzitting van 9 september 2013 een aantal incidenten beschreven waarbij de vrachtwagen op het door hem bestuurde dienstvoertuig is ingereden. Daarnaast heeft [slachtoffer 3] bevestigd dat de vrachtwagen tijdens de achtervolging voortdurend slingerde en zonder aanleiding van baan wisselde. Volgens [slachtoffer 3] had de bestuurder de vrachtwagen onder controle en voerde hij de regie door de dienstvoertuigen tot remmen te dwingen. Bij één van de keren dat de vrachtwagen op het dienstvoertuig inreed, resteerde volgens [slachtoffer 3] slechts de ruimte tussen een rijstrook en de vangrail.7

Op 24 mei 2013 heeft [betrokkene] – teamchef van het politieteam te Gouda – namens voornoemde verbalisanten [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], aangifte gedaan van een poging tot doodslag.8

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij na de inbraak wilde vluchten voor de politie en probeerde te ontsnappen. Verdachte reed in de nacht van 24 mei 2013 voor het eerst in de vrachtwagen van zijn vader en was niet in het bezit van een vrachtwagenrijbewijs. Verdachte heeft de politieauto’s, die met zwaailichten achter hem reden en stoptekens gaven, wel gezien. Omdat de agenten voor, achter, links en rechts van hem gingen rijden, kan verdachte zich voorstellen dat zij bang waren. Verdachte heeft er naar eigen zeggen wel aan gedacht om tijdens de rit te stoppen, maar hij was in paniek en bang dat zijn vader er achter zou komen. Gedurende de achtervolging heeft verdachte er ook aan gedacht dat hij door de politieauto’s geraakt kon worden. Hij was bang dat één van de politieauto’s zijn vrachtwagen zou raken. Hierdoor zou er bij het ongeluk schade kunnen ontstaan of zou hij of de agenten gewond kunnen raken. Verdachte is van rijstrook gewisseld. Vanwege zijn onervarenheid is hij voor zijn eigen veiligheid op de middelste rijbaan gaan rijden, aldus verdachte.

Diefstal in vereniging met braak gevolgd van geweld

De rechtbank ziet in de op het punt van het inrijden en insturen op de dienstvoertuigen andersluidende verklaring van verdachte, geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de verbalisanten hierover hebben verklaard. Niet alleen ondersteunen deze elkaar op essentiële punten, ook past hetgeen zij verklaren bij de eigen verklaring van verdachte over de rit waarbij hij heeft geprobeerd te vluchten voor de hem achtervolgende dienstauto’s. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank op grond van voornoemde verklaringen komen vast te staan dat verdachte, terwijl er dienstvoertuigen naast en vlak achter hem reden, meermalen met hoge snelheid op deze voertuigen is ingestuurd en ingereden. Daarmee heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan het onder het eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde geweldscomponent. De rechtbank merkt op dat zij – anders dan de raadsman heeft betoogd – van oordeel is dat noch uit voornoemde verklaring, noch uit de overige inhoud van het dossier, kan worden afgeleid dat er bij de incidenten steeds minimaal één rijbaan beschikbaar was als uitwijkmogelijkheid voor de dienstvoertuigen.

Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn mededader – de persoon die tijdens de achtervolging is uitgestapt – schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met braak, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld. Immers, door voornoemd handelen – het meermalen met hoge snelheid inrijden en insturen op dienstvoertuigen – heeft verdachte aan zichzelf en zijn mededader de vlucht mogelijk gemaakt en getracht het bezit van de gestolen tabakswaren te verzekeren.

‘Boos’ opzet

De volgende vraag die voorligt, is of verdachte zich met zijn handelen tevens schuldig heeft gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde doodslag, dan wel zware mishandeling van de inzittenden van de dienstvoertuigen, te weten verbalisanten [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. De rechtbank kan noch uit de verklaring van verdachte, noch uit de overige in het dossier aanwezige stukken, afleiden dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling – en daarmee ‘boos’ opzet – had om de verbalisanten van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarom dient de rechtbank vast te stellen of er sprake is van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel.



Voorwaardelijk opzet

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in het onderhavige geval de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of de overige verklaringen in het dossier, geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552).

Verdachte moet dus wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans dat hij de verbalisanten met zijn rijgedrag zou kunnen aanrijden met dodelijke afloop. Hij moet zich er bewust van zijn geweest dat de verbalisanten het leven zouden kunnen laten en hij moet de kans daarop op dat moment op de koop toe hebben genomen.

Hoewel verdachte het inrijden en insturen heeft ontkend, blijkt uit zijn verklaring wel dat hij zich tijdens zijn vlucht bewust is geweest van de hem achtervolgende dienstvoertuigen die hem meerdere malen volg- en stoptekens hebben gegeven. Hij realiseerde zich voorts dat er een ongeluk zou kunnen gebeuren, waarbij hij of de inzittenden van de dienstvoertuigen gewond konden raken. Reeds op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het gevolg, de dood van één of meer van de agenten, had kunnen intreden. Daarnaast blijkt ook uit de feitelijke omstandigheden van het geval dat sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank neemt in dit kader allereerst in aanmerking de verklaringen van de verbalisanten waarin melding wordt gemaakt van het, bij herhaling, doelbewust inrijden op politiewagens. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de achtervolging bijna een uur heeft geduurd en dat verdachte, ondanks de incidenten waarbij hij de dienstvoertuigen bijna heeft geraakt, de gevaarlijke situatie heeft laten voortbestaan door te blijven doorrijden. Verdachte had verder volgens de verbalisanten ‘de regie’ over hetgeen er op de snelweg gebeurde. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte reeds op het moment dat hij in paniek raakte, direct na de inbraak, voor de eerste keer in de vrachtauto van zijn vader stapte, wist dat hij zonder geldig vrachtwagenrijbewijs en zonder enige rijervaring, niet bij machte zou zijn om in te grijpen indien er zich een incident zou voordoen. Voorts merkt de rechtbank op dat het een feit van algemene bekendheid is dat een personenauto, onder meer vanwege het verschil in gewicht en omvang, bij een aanrijding met een vrachtwagen, het onderspit delft. In het licht van hetgeen de verbalisanten over de achtervolging hebben verklaard, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door het beschreven rijgedrag bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door in te rijden en in te sturen op de dienstvoertuigen, deze auto’s zou kunnen raken en dat de inzittenden van die dienstauto’s ten gevolge van die aanrijding zouden kunnen komen te overlijden. De rechtbank acht daarom het opzet om de verbalisanten [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven in voorwaardelijke zin aanwezig. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat het niet tot een daadwerkelijke aanrijding is gekomen en dat er niemand gewond is geraakt, merkt de rechtbank op dat het tenlastegelegde ziet op een poging tot doodslag.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de voorafgaande diefstal, tot een bewezenverklaring van de onder het tweede alternatief/cumulatief, subsidiair tenlastegelegde poging tot gekwalificeerde doodslag, meermalen gepleegd.


3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 24 mei 2013 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, althans op Nederlands grondgebied, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sigaretten en shag (met een totaalwaarde van 5353,25 euro), toebehorende aan Albert Heijn Bodegraven,

waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], politiemedewerkers, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte:

- meermalen, met een voertuig (vrachtwagen zonder oplegger) met hoge snelheid is

ingereden en heeft ingestuurd op één of meerdere naast, althans vlak achter dat voertuig rijdende (als zodanig herkenbare) politievoertuig(en) en

- met dat voertuig zijn snelheid heeft verhoogd, terwijl één politievoertuig zich (vlak) voor dat voertuig bevond;

en

op 24 mei 2013 in Nederland (op de Rijksweg A16 en/of A20), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] van het leven te beroven, door opzettelijk meermalen met een voertuig (vrachtwagen) met een hoge snelheid in te rijden en/of in te sturen op naast hem rijdende dienstvoertuigen van de politie, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal door middel van braak van sigaretten en shag, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemer aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zeven jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de aan verdachte op te leggen straf(modaliteit). Hij heeft – onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte – verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte met onmiddellijke ingang te schorsen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader in de nacht van 23 op 24 mei 2013 schuldig gemaakt aan een inbraak in een vestiging van Albert Heijn, gevolgd van geweld. Als gevolg van een dergelijke diefstal lijden de getroffen ondernemers aanzienlijke financiële schade, waarvan de kosten worden doorberekend in de goederen die zij verkopen. Verdachte heeft met zijn handelen aangetoond geen respect te hebben voor andermans goederen en eigendommen en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.

Daarnaast heeft verdachte zich tijdens zijn vlucht na het plegen van dit misdrijf schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte is zonder een geldig rijbewijs en enige relevante rijervaring, met de vrachtwagen van zijn vader richting België gereden. Tijdens deze rit, die bijna een uur heeft geduurd, heeft verdachte diverse malen volg- en stoptekens genegeerd en is hij meermalen met hoge snelheid bewust ingereden op dienstvoertuigen van de politie die naast of voor hem reden. Aan de achtervolging is uiteindelijk een einde gekomen door het plaatsen van spijkermatten op het wegdek. Dat de verbalisanten in de dienstvoertuigen of anderen geen (dodelijk) letsel hebben opgelopen, is een gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan verdachte te danken is. Uit de door de verbalisanten afgelegde verklaringen blijkt dat verdachte hen door zijn handelen zeer angstige momenten heeft bezorgd. Verdachte heeft met zijn zeer gevaarlijk rijgedrag geen enkel respect getoond voor het leven en welzijn van zijn medeweggebruikers en heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Dit zijn ernstige feiten waarvoor enkel een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

Documentatie

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel d.d. 28 mei 2013, dat 5 pagina’s telt, is verdachte diverse malen met politie en justitie in aanraking gekomen in verband met vermogens- en geweldsdelicten.

Persoon van verdachte

Een medewerker van Reclassering Nederland heeft, naar aanleiding van een gesprek met verdachte bij zijn voorgeleiding, geadviseerd een voorlichtingsrapport betreffende de persoon van verdachte op te stellen. De opdracht aan de reclassering tot het opstellen van een dergelijke rapport is op 31 juli 2013 negatief retour gezonden omdat verdachte hieraan niet wenste mee te werken.

Straf en bijkomende straf

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voorts wil de rechtbank verdachte, gelet op zijn jeugdige leeftijd, nog enig perspectief bieden om, na het uitzitten van de vrijheidsstraf, zijn leven op een betere manier vorm te geven dan hij tot op heden heeft gedaan. De straf valt daarom lager uit dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal voorts – als stok achter de deur en om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen – een deel van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen en daarbij een proeftijd voor de duur van 2 jaren vaststellen. Nu het onder het tweede alternatief/cumulatief, primair bewezenverklaarde feit is gepleegd met een door verdachte bestuurd motorrijtuig – te weten een vrachtauto – acht de rechtbank daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend.

7 De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich namens Albert Heijn BV, gevestigd aan de Oude Bodegraafseweg 23 te (2411 HS) Bodegraven, als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.234,75.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, in die zin dat de benadeelde partij met betrekking tot de onder 5 tot en met 8 genoemde posten, niet-ontvankelijk wordt verklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de vordering door verdachte niet is betwist en – ook voor wat betreft de onder 5 tot en met 8 genoemde posten – voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder het eerste alternatief/cumulatief bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.234,75.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 287, 288, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    179a van de Wegenverkeerswet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder het eerste alternatief/cumulatief en het tweede alternatief/cumulatief, primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

ten aanzien van het tweede cumulatief/alternatief, primair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in detentie in België ingevolge een Nederlands verzoek tot overlevering en in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 16 (zestien) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte ter zake voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 4 (vier) jaren;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Albert Heijn BV, een bedrag van € 2.234,75;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mrs. J.J.P. Bosman en C.W. de Wit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1620/2013/069270, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 173).

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2013, blz. 23.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2013, blz. 33 en relaas proces-verbaal, blz. 4 onderaan.

4 Verhoor [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris op 21 augustus 2013.

5 Verhoor [slachtoffer 5] bij de rechter-commissaris op 21 augustus 2013.

6 Verhoor [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 21 augustus 2013.

7 Proces-verbaal ter terechtzitting van 9 september 2013.

8 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene] d.d. 24 mei 2013, blz. 38-39.