Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12168

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
23-09-2013
Zaaknummer
AWB 13/21561
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Visum

Gelet op de gronden en de daarbij overgelegde gegevens is niet op voorhand uitgesloten dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Verzoek toegewezen.

Verzoekster is in het beroepschrift, dat tevens dient ter onderbouwing van het verzoek, gemotiveerd ingegaan op alle onderdelen van het bestreden besluit. Daarbij is voorts een groot aantal stukken overgelegd om de solvabiliteit van de garantsteller te onderbouwen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder vooralsnog niet gemotiveerd op deze stukken ingegaan. Gelet op de gronden van beroep en de daarbij overgelegde gegevens, is niet op voorhand uitgesloten dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek, gelet op de betrokken belangen, toe in die zin dat verweerder wordt opgedragen verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf, voor de duur van 15 dagen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 21561

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 september 2013

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit,

verzoekster,

(gemachtigde: mr. W.P.C. de Vries, advocaat te Amsterdam),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een visum voor kort verblijf met als doel “bijwonen van het huwelijksfeest van nicht[naam nicht]” afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt te bepalen dat haar een visum wordt verstrekt teneinde de bruiloft op 8 september 2013 te kunnen bijwonen.

Bij besluit van 3 september 2013 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster op 4 september 2013 beroep ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom aangemerkt als verzoek, connex aan het ingestelde beroep. Thans wordt verzocht verweerder te gelasten verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf voor 20 dagen, vanaf 5 september 2013.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat de informatie die is verstrekt met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf niet betrouwbaar is en het voornemen van verzoekster om het grondgebied van de lidstaat te verlaten voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum niet kon worden vastgesteld. Verzoekster komt niet in aanmerking voor een visum voor kort verblijf aangezien sprake is van de omstandigheden zoals vermeld in artikel 32 onder a, ii en iii en in artikel 32, onder b, Visumcode.

2.

Verzoekster voert aan dat in het aanvraagformulier het doel van het verblijf is aangekruist (Visite a la famille ou a de ami). Verder is een formulier Bewijs van garantstelling en particuliere logiesverstrekking overgelegd, afkomstig van de heer[naam zwager] (zwager) en mevrouw [naam zuster] (zuster). Hierop is de familierelatie tussen referent/garant en mevrouw[verzoekster] aangegeven. Tevens is de aanleiding van het voorgenomen familiebezoek vermeld, te weten: het huwelijksfeest van mevrouw[naam nicht] (dochter van de referent/garant en het nichtje van verzoekster). Een kopie van de overeenkomst inzake de zaalverhuur voor het huwelijksfeest is ingebracht, alsook een kopie van de uitnodiging voor het huwelijksfeest op 8 september 2013. Het besluit is op dit punt niet zorgvuldig voorbereid en ontbeert een draagkrachtige motivering.
Verzoekster voert verder aan dat niet op enige wijze uit het besluit blijkt op welke gronden verweerder aanneemt dat een tijdige terugkeer niet is gewaarborgd. Het besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Verzoekster stelt verder dat sprake is van een sterke sociale en economische binding met Marokko om een tijdige terugkeer aan te nemen. Uit een overgelegde verklaring van de Chambre d’Artisanat blijkt dat verzoekster werkzaam is als naaister. Voorts bevindt zich in het dossier een verklaring van de BMCE Bank waaruit blijkt dat verzoekster een rekening heeft met een saldo van € 2.736,23. Verzoekster speelt een belangrijke rol in de verzorging van haar ouders (in het bijzonder haar ziekelijke vader), bij wie zij inwoont. Verzoekster is bereid mee te werken aan maatregelen van toezicht zoals: het deponeren van het paspoort bij de Koninklijke Marechaussee of Vreemdelingenpolitie, een meldplicht bij de ambassade na terugkeer en het deponeren van een borgsom van
€ 4.000,-.

3.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat verzoekster een zodanige sociale binding heeft met het land van herkomst dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat verzoekster jong en ongehuwd is en geen kinderen heeft. Dat verzoekster de zorg heeft voor haar vader, is niet met documenten onderbouwd. Dat verzoeksters ouders en drie broers en zussen in Marokko wonen maakt niet dat op voorhand kan worden aangenomen dat de sociale binding met Marokko zodanig sterk is dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten, aangezien er ook broers en een zus in Nederland, Duitsland en Spanje wonen. Ten aanzien van de economische binding wordt opgemerkt dat de “Attestation de Profession” van het Marokkaanse Ministerie van Ambachten (Chambre d’Artisanat) niet als objectief bewijsstuk kan worden aangemerkt, nu het wordt opgesteld conform de informatie die door aanvrager zelf wordt opgegeven. Omtrent de verklaring van BMCE bank wordt opgemerkt dat er hoge stortingen op de rekening zijn gedaan, terwijl niet is gebleken dat deze storting het gevolg is van inkomsten uit arbeid. Ook overigens zijn geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat verzoekster beschikt over een regelmatig en substantieel inkomen, verworven uit arbeid. Omtrent doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf wordt opgemerkt dat uit de bij de aanvraag overgelegde huwelijksakte blijkt dat verzoeksters nicht,[naam nicht] op 2 mei 2013 in het huwelijk is getreden. Niet is aangegeven waarom het huwelijksfeest zoveel later zal plaatsvinden en waarom Nederland het aangewezen land is. Uit het overgelegde bankafschrift blijkt, aldus verweerder evenmin dat verzoekster voldoende solvabel is om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Ten slotte betoogt verweerder dat niet is gebleken dat de garantsteller,[naam zwager], voldoende solvabel is.

4.

Verzoekster is in het beroepschrift, dat tevens dient ter onderbouwing van het verzoek, gemotiveerd ingegaan op alle onderdelen van het bestreden besluit. Daarbij is voorts een groot aantal stukken overgelegd om de solvabiliteit van de garantsteller te onderbouwen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder vooralsnog niet gemotiveerd op deze stukken ingegaan. Gelet op de gronden van beroep en de daarbij overgelegde gegevens, is niet op voorhand uitgesloten dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

5.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek, gelet op de betrokken belangen, toe in die zin dat verweerder wordt opgedragen verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf, voor de duur van 15 dagen, vanaf 6 september 2013.

6.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

7.

Met toepassing van artikel 8:82, vijfde lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en draagt verweerder op verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf, voor de duur van 15 dagen, vanaf 6 september 2013.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan verzoekster;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan verzoekster als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.