Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:12080

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
09/715875-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een aantal anderen schuldig gemaakt aan het plegen van geweld jegens een politieagent en het bieden van gewelddadig verzet jegens deze politieagent, waarvan deze politieagent, zo blijkt uit de vordering benadeelde partij die hij heeft ingediend alsmede uit de toelichting daarop ter terechtzitting, gedurende geruime tijd nadelige gevolgen heeft ervaren in de vorm van fysieke en geestelijke klachten.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich op geen enkel moment rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn gedragingen voor het slachtoffer, maar slechts heeft gehandeld vanuit zijn eigen belang, het gezag van dit slachtoffer daarmee ernstig ondermijnend.

De rechtbank houdt er ten voordele van de verdachte rekening mee dat hij niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld en dat hij door omstandigheden in een kortstondig incident terecht is gekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte tevoren geenszins erop uit was de politie in haar werkzaamheden te hinderen, maar stelt vast dat hij zich – zoals hij zelf heeft aangegeven – niettemin heeft laten gaan en zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Verder houdt de rechtbank rekening met de transactie die is aangeboden aan en geaccepteerd door de medeverdachte die de vuistslag op het hoofd van het slachtoffer heeft gegeven, te weten een werkstraf voor de duur van 80 uur.

Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2013:12064, ECLI:NL:RBDHA:2013:12066, ECLI:NL:RBDHA:2013:12078

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/715875-12

Datum uitspraak: 19 september 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte C],

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 september 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. S.L.J. Janssen, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, met een ander

of anderen, op of aan de openbare weg, Park Groot Leerust (gelegen aan de

Burgemeester Ketelaarstraat), in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaar[slachtoffer]

, welk geweld bestond uit het:

- zich opdringen aan en/of benaderen en/of omsingelen van die [slachtoffer] en/of

- vastpakken van de arm en/of de wapenstok van die [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) trekken aan de wapenstok van die [slachtoffer] en/of

- wegduwen van de hand en/of arm van die [slachtoffer] en/of

- duwen tegen die [slachtoffer] en/of

- om de nek van die [slachtoffer] grijpen en/of dichtknijpen/dichtdrukken van de keel

van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) naar achteren trekken van die [slachtoffer] en/of

- tegen het hoofd slaan/stompen van die [slachtoffer] en/of

- ( om de middel en/of de nek) vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer] en/of

- vastpakken van de pepperspray van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) trekken aan de

pepperspray van die [slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, tezamen en in

vereniging met een of meerdere ander(en), met verenigde krachten, althans

alleen, zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen een

ambtenaar, te weten politieambtenaar [slachtoffer], werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van zijn bediening, te weten het handhaven van de openbare orde

(waarbij die [slachtoffer] toen en daar samen met een of meerdere andere

politieambtenaren de toegang tot een poton had afgesloten), door tezamen en in

vereniging met een of meerdere ander(en), met verenigde krachten, althans

alleen, opzettelijk (gewelddadig):

- zich op te dringen aan die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] te benaderen en/of te

omsingelen en/of

- tegen die [slachtoffer] te duwen en/of

- de arm en/of de wapenstok van die [slachtoffer] vast te pakken en/of

- ( vervolgens) aan de wapenstok van die [slachtoffer] te trekken en/of

- wegduwen van de hand en/of arm van die [slachtoffer] en/of

- tegen die [slachtoffer] te duwen en/of

- om de nek van die [slachtoffer] te grijpen en/of te hangen en/of de keel van die [slachtoffer]

dicht te drukken en/of te knijpen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] naar achteren te

trekken en/of

- die [slachtoffer] tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of

- die [slachtoffer] (om de middel en/of de nek) vast te pakken en/of vast te houden

en/of

- de pepperspray van die [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) aan die

pepperspray te trekken.

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.1

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is door de raadsman ten aanzien van het de verdachte bij dagvaarding ten laste gelegde een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de werkwijze van de politie enerzijds en het onjuist verbaliseren van het voorafgaand aan het incident bij de loopplank pepperen van [verdachte B] alsmede van het geweld tegen de verdachte na afloop van dit incident in strijd met artikel 152 Wetboek van strafvordering anderzijds, de verdachte opzettelijk benadelen dan wel de belangen van de verdachte op grove wijze veronachtzamen, wat een fundamentele schending oplevert van de beginselen van een goede procesorde. Dit levert naar de mening van de raadsman een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van strafvordering.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de politieagent in redelijkheid niet heeft kunnen handelen zoals hij heeft gedaan en de laakbaarheid van het politieoptreden en de gevolgen van het feit voor de verdachte ertoe hadden moeten leiden dat het openbaar ministerie uit het oogpunt van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging van vervolging had moeten afzien.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen sprake is, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt van onjuist verbaliseren, zodat van een vormverzuim geen sprake is.

3.3.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat het pepperen van medeverdachte [verdachte B] voorafgaand aan het ten laste gelegde incident bij de loopplank geen steun vindt in het dossier. Er is weliswaar een aantal getuigenverklaringen waaruit dit zou blijken, maar deze verklaringen komen niet overeen met hetgeen te zien is op de videobeelden met betrekking tot het incident zoals ter terechtzitting zijn getoond.

Op de videobeelden is te zien dat de verdachte na afloop van het incident twee keer geduwd wordt en een klap met een wapenstok krijgt. Deze geweldshandelingen zijn niet geverbaliseerd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de niet-naleving van artikel 152 Wetboek van Strafvordering in casu niet een zodanig ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde oplevert, dat dit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie oplevert.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de politieagent in redelijkheid heeft mogen handelen zoals hij blijkens het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft gedaan. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat er onder de gegeven omstandigheden – het ponton moest leeggeruimd worden, iedereen moest eraf en er mocht niemand op, met als doel de politie werkruimte alsmede de mogelijkheid te bieden om een geboeide verdachte over het land af te voeren - geen ruimte was voor discussie met de verdachte en ook anderszins niet is gebleken dat de politieagent in redelijkheid niet heeft mogen handelen zoals hij heeft gedaan.

De rechtbank overweegt verder dat het openbaar ministerie een vervolgings-monopolie heeft, dat een beslissing tot vervolging slechts marginaal kan worden getoetst en er in casu geen aanleiding is om aan te nemen dat het OM na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot een vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is en verwerpt het verweer dienaangaande.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding1
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 21 juni 2012 vond er in Warmond, gemeente Teylingen, in het Park Groot

Leerust aan de Burgemeester Ketelaarstraat, een concert plaats, het Leedeconcert2. Voor dit concert was een vergunning afgegeven waarin stond dat er tot 24.00 uur muziek ten gehore mocht worden gebracht. Toen er na dit tijdstip nog muziek te horen was die kwam vanaf een boot - die te bereiken was vanaf een ponton aan de rand van het park - en de eigenaar de muziek na sommatie niet uitzette, ging de politie over tot aanhouding van deze man.

De politie ging hierna over tot het leegmaken en –houden van het ponton.

Bij de loopplank die het ponton met het vaste land van het park verbond ontstond een opstootje waarbij de verdachte betrokken was.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank kennis genomen van de videobeelden van het incident (met als titel 2012-06-21_00.48.52) en hebben de getuige[getuige] alsmede de aangever [slachtoffer] een aanvullende verklaring afgelegd.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bij het incident aanwezig te zijn geweest en een agent te hebben vastgepakt, maar dit gedaan te hebben nadat hij had gezien dat zijn zoon door een agent werd geslagen en dat zijn boten werden verwaarloosd.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de gedragingen van de verdachte onder de hieronder te omschrijven omstandigheden kunnen worden aangemerkt als openlijk geweld en/of wederspannigheid jegens verbalisant [slachtoffer].

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld en wederspannigheid. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het de verdachte was die de confrontatie met de aangever is aangegaan en die aan de nek van de aangever is gaan hangen op het moment dat hij zag dat de medeverdachten [verdachte A] en [verdachte B] aan het duwen en trekken waren met de aangever, waardoor de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld jegens de aangever.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verbalisant werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en dat de verdachte door zich te gedragen zoals hij heeft gedaan gewelddadig verzet heeft gepleegd tegen de verbalisant.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van zowel openlijk geweld als het medeplegen van wederspannigheid bepleit.

Ten aanzien van het openlijke geweld heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen bewuste danwel voldoende en significante bijdrage heeft geleverd aan geweld zoals dit buiten hem om en buiten zijn wetenschap door anderen tegen de aangever is aangewend.

Ten aanzien van de wederspannigheid heeft hij aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, nu uit de beelden blijkt dat de verdachte in de enkele seconden dat hij betrokken is geweest bij het incident geen weet kan hebben gehad van hetgeen er verder om hem heen gebeurde, er geen sprake is van bewuste en nauwe samenwerking en de verdachte geen opzet heeft gehad op het medeplegen van de wederspannigheid, ook niet in voorwaardelijke zin. Voorts heeft hij aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als uitvoeringshandelingen en van instemming met de uitvoeringshandelingen van anderen evenmin blijkt. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat er op het moment van de confrontatie tussen de verdachte en de aangever geen sprake meer was van een ambtenaar werkzaam in de rechtmatigheid van de uitoefening van zijn bediening, nu de weigering de verdachte toe te staan naar zijn eigendommen te gaan en de wijze waarop dit aan hem kenbaar werd gemaakt niet rechtmatig waren en de inzet van pepperspray tegen de medeverdachte [verdachte B] in strijd met de ambtsinstructie en derhalve evenmin rechtmatig was.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Op het moment dat verbalisant en aangever [slachtoffer] zich op de loopplank tussen het park en het ponton bevond, werd hij door meerdere personen benaderd.3 Deze personen, zo concludeert de rechtbank uit de verklaring van aangever [slachtoffer] in combinatie met de videobeelden4, drongen zich op aan de aangever.

Hierna ging de medeverdachte [verdachte B] met zijn linkerhand in de richting van de wapenstok van de aangever en pakte hij met zijn rechterarm de linkerarm van de aangever5 vast. Vrijwel tegelijkertijd pakte de man met het roze overhemd, zijnde medeverdachte [verdachte A]6, de wapenstok van de aangever vast en trok daaraan.7 Hierna greep de verdachte om de nek van de aangever en trok hem naar achteren.8 Op dat moment gaf iemand een harde klap, een vuistslag, op het hoofd van de aangever.9 Hierna pakte een jongen in een grijs shirt, medeverdachte [verdachte D], de aangever om zijn middel vast10. Op de videobeelden is te zien dat het koord van de pepperspray van aangever [slachtoffer] strakgetrokken wordt.11 De aangever heeft verklaard dat hij de pepperspray niet meer had op het moment dat hij het opnieuw wilde pakken.12 De rechtbank concludeert hieruit dat de pepperspray door iemand in de groep is vastgepakt en dat daaraan is getrokken.

De rechtbank stelt op basis van vorenstaande allereerst vast dat er sprake was van geweld jegens verbalisant [slachtoffer]. De rechtbank stelt verder vast dat het incident een aanvang heeft genomen op het moment dat de medeverdachte [verdachte B] de arm van de aangever vastpakte. Hierna hebben de verschillende geweldshandelingen elkaar zeer snel opgevolgd. De verdachte heeft door op de aangever af te lopen en zich aan hem op te dringen en vervolgens om zijn nek te gaan hangen en hem naar achteren te trekken een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld jegens de aangever.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde openlijke geweld.

Op het moment dat aangever [slachtoffer] zich bij de loopplank tussen het park en het ponton bevond was de instructie aan de politie om het ponton leeg te maken en leeg te houden, zodat een andere (geboeide) verdachte vanaf een boot over het land vervoerd kon worden.13

De rechtbank is van oordeel dat de aangever op dat moment in opdracht handelde ter handhaving van de openbare orde en aldus werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, waarbij hij niet onrechtmatig heeft gehandeld.

De rechtbank leidt voorts af uit hetgeen hierboven met betrekking tot het openlijke geweld is beschreven, dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen de aangever. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dit samen met anderen heeft gedaan. De verdachte heeft steeds deel uitgemaakt van de groep die geweld pleegde jegens de aangever en heeft daarbij zelf geweld gebruikt, ook op momenten waarop hij kon zien dat door anderen geweld werd gebruikt. De rechtbank acht daarmee bewezen dat er sprake was van een (stilzwijgende) bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten en daarmee van het medeplegen van wederspannigheid.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, met anderen, op de openbare weg, Park Groot Leerust (gelegen aan de Burgemeester Ketelaarstraat), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaar [slachtoffer], welk geweld bestond uit het:

- zich opdringen aan en benaderen van die [slachtoffer] en

- vastpakken van de arm en de wapenstok van die [slachtoffer] en

- vervolgens trekken aan de wapenstok van die [slachtoffer] en

- duwen tegen die [slachtoffer] en

- om de nek van die [slachtoffer] grijpen en vervolgens naar achteren trekken van die [slachtoffer] en

- tegen het hoofd stompen van die [slachtoffer] en

- om de middel vastpakken van die [slachtoffer] en

- vastpakken van de pepperspray van die [slachtoffer] en vervolgens trekken aan de

pepperspray van die [slachtoffer];

2.

hij op 21 juni 2012 te Warmond, gemeente Teylingen, tezamen en in

vereniging met anderen, met verenigde krachten, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten politieambtenaar [slachtoffer], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het handhaven van de openbare orde, door tezamen en in vereniging met anderen, met verenigde krachten, opzettelijk gewelddadig:

- zich op te dringen aan die [slachtoffer] en die [slachtoffer] te benaderen en

- tegen die [slachtoffer] te duwen en

- de arm en de wapenstok van die [slachtoffer] vast te pakken en

- vervolgens aan de wapenstok van die [slachtoffer] te trekken en

- om de nek van die [slachtoffer] te grijpen en te hangen en vervolgens die [slachtoffer] naar achteren te trekken en

- die [slachtoffer] tegen het hoofd te stompen en

- die [slachtoffer] om de middel vast te pakken en

- de pepperspray van die [slachtoffer] vast te pakken en vervolgens aan die pepperspray te trekken.

5 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte een beroep op noodweer gedaan. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de schade aan zijn boten en de dreiging van verdere schade enerzijds en het pepperen van zijn zoon, [verdachte B] anderzijds, een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn eigen goed en andermans lijf opleverde, waartegen hij in het geweer mocht komen.

Subsidiair heeft hij betoogd dat, indien de rechtbank van oordeel is dat de reactie van de verdachte niet proportioneel dan wel niet subsidiair was, de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake was van een zeer gespannen situatie die werd verergerd door de wijze waarop zowel de verdachte als zijn zoon door de politie werden bejegend wat ertoe heeft geleid dat de verdachte als gevolg van een hevige gemoedsbeweging aan de aangever is gaan hangen.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van noodweer. De verdachte wilde weliswaar naar zijn boten toe, maar heeft dit op uiterst incorrecte wijze vormgegeven.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen dat er geen sprake was een wederrechtelijke aanranding van de boten van de verdachte, maar slechts van dreigende schade. Van het pepperen van de medeverdachte [verdachte B] voorafgaand aan het incident is de rechtbank, zoals hierboven overwogen, eveneens niet gebleken, zodat er eveneens geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van een ander.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van enig goed dan wel het lijf van een ander, zodat er geen sprake was een noodweersituatie en zowel een beroep op noodweer als een beroep op noodweerexces niet kunnen slagen. De rechtbank verwerpt dan ook de verweren dienaangaande.

De verdachte is derhalve strafbaar, nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden opgelegd een werkstraf voor de duur van 160 uur subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, met aftrek, en tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank in overweging gegeven dat de verdachte een 56-jarige man is met een blanco strafblad die al drie dagen in voorarrest heeft doorgebracht. Hij heeft verzocht de verdachte in het geval van een schuldigverklaring geen straf of maatregel op te leggen.

Daarnaast heeft hij betoogd dat er sprake is van eendaadse samenloop.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de samenloop allereerst dat het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit openlijk geweld tegen personen betreft en het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit medeplegen van wederspannigheid betreft. Nu beide feiten op een ander beschermd belang zien (resp. de openbare orde dan wel de lichamelijke integriteit en het ambtelijk gezag), overweegt de rechtbank dat er sprake is van meerdaadse samenloop.

Ten aanzien van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met een aantal anderen schuldig gemaakt aan het plegen van geweld jegens een politieagent en het bieden van gewelddadig verzet jegens deze politieagent, waarvan deze politieagent, zo blijkt uit de vordering benadeelde partij die hij heeft ingediend alsmede uit de toelichting daarop ter terechtzitting, gedurende geruime tijd nadelige gevolgen heeft ervaren in de vorm van fysieke en geestelijke klachten.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich op geen enkel moment rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn gedragingen voor het slachtoffer, maar slechts heeft gehandeld vanuit zijn eigen belang, het gezag van dit slachtoffer daarmee ernstig ondermijnend.

De rechtbank houdt er ten voordele van de verdachte rekening mee dat hij niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld en dat hij door omstandigheden in een kortstondig incident terecht is gekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte tevoren geenszins erop uit was de politie in haar werkzaamheden te hinderen, maar stelt vast dat hij zich – zoals hij zelf heeft aangegeven – niettemin heeft laten gaan en zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Verder houdt de rechtbank rekening met de transactie die is aangeboden aan en geaccepteerd door de medeverdachte die de vuistslag op het hoofd van het slachtoffer heeft gegeven, te weten een werkstraf voor de duur van 80 uur.

De rechtbank acht eenzelfde straf in het onderhavige geval passend en geboden, waarbij rekening gehouden zal worden met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, doordat deze tijd zal worden afgetrokken van de op te leggen werkstraf.

Voor een voorwaardelijke straf ziet de rechtbank, gelet op bovenstaande, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding.

8 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.173,00.

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij naar redelijkheid en billijkheid tot een bedrag van € 1.000,00, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft primair afwijzing van de vordering bepleit op grond van voornoemde verzoeken en verweren.

Subsidiair heeft hij afwijzing van de vordering bepleit op grond van de rol van de benadeelde ten aanzien van het incident.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aantasting van de persoon, het letsel alsmede de vergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, tot het bedrag van € 300,00, als vergoeding van de immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar. De rechtbank zal deze toewijzing hoofdelijk opleggen.

De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 182 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

ten aanzien van feit 2:

WEDERSPANNIGHEID, DOOR TWEE OF MEER PERSONEN MET VERENIGDE KRACHTEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 80 (zegge: tachtig) uren

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 40 (zegge: veertig) dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 300,00 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 300,00;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mrs M. van Loenhoud en H.M. van Maurik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2013.

Mr. Van Loenhoud en mr. Van Maurik zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1600/2012107181, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 001 t/m 398).

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 125

3 Proces-verbaal van aangifte, blz. 184, 185, 2e t/m 6e alinea

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 198 t/m 200

5 Eigen waarneming ter terechtzitting m.b.t. de videobeelden

6 Eigen waarneming ter terechtzitting m.b.t. de videobeelden

7 Proces-verbaal van aangifte, blz. 193, laatste alinea

8 Proces-verbaal van aangifte, blz. 185, voorlaatste alinea, regel 4 en 5

9 Proces-verbaal van aangifte, blz. 185, laatste alinea

10 Eigen waarneming ter terechtzitting m.b.t. de videobeelden.

11 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 200, voorlaatste alinea.

12 Proces-verbaal van aangifte, blz. 186, 3e alinea

13 Verklaring getuige [getuige] ter terechtzitting