Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11916

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
13/16663
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kinderpardon, gerechtvaardigd onderscheid tussen kinderen met een reguliere achtergrond en kinderen met een asiel achtergrond. Artikel 8 EVRM.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verweerder niet in redelijkheid de toepasselijkheid van de kinderpardonregeling – nu dit reeds uitzonderingsbeleid betreft – heeft kunnen beperken tot vreemdelingen met een asielachtergrond. Van een ongerechtvaardigd onderscheid is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Het weigeren van de gevraagde vergunning levert geen strijd op met het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op privéleven. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Voorzieningenrechter

Team Vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 13/16663

Datum uitspraak: 12 september 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

verzoeker,

mede namens zijn moeder:

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

beiden van Ecuadoraanse nationaliteit,

gemachtigde mr. A.C. de Klerk,

tegen

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 3 april 2013 heeft verzoeker een verblijfsvergunning regulier op grond van de ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (hierna: de kinderpardonregeling) aangevraagd. Bij besluit van 25 juni 2013 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen.

Daartegen heeft verzoeker op 27 juni 2013 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 27 juni 2013 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op 22 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 augustus 2013. Verzoeker is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.A.M. de Groot.

De beoordeling

1.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Verweerder heeft verzoeker medegedeeld, dat gedurende de behandeling van het bezwaar uitzetting niet achterwege wordt gelaten. Verzoeker heeft derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

3.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) en hij niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen genoemd in artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) die vrijgesteld zijn van de verplichting over een mvv te beschikken.

Verzoeker voldoet evenmin aan vereisten van de kinderpardonregeling zoals neergelegd in paragraaf B22/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), nu er noch door hemzelf, noch door zijn ouders ten behoeve van hem, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is aangevraagd. Voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de kinderpardonregeling komt verzoeker dan ook niet in aanmerking.

4.

Hiermee kan verzoeker zich niet verenigen. Op hetgeen door hem is aangevoerd wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

5.

Getoetst moet worden of de uitzetting verboden moet worden omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

6.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

In artikel 17, eerste lid van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het

Vb 2000 worden categorieën vreemdelingen opgesomd die vrijgesteld zijn van de verplichting over een (geldige) mvv te beschikken.
Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 wordt een vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zou zijn, vrijgesteld van het mvv-vereiste.

8.

Paragraaf B22/3.3 van de Vc 2000 bepaalt dat in aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1 de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling wordt aangemerkt als bijzondere groep aan wie vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid van het Vb 2000. Voorts bepaalt die paragraaf dat indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1.1, de IND de aanvraag afwijst wegens het ontbreken van een mvv.

9.

Ingevolge paragraaf B22/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 verleent verweerder een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende

procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

10.

Niet in geschil is dat verzoeker ten tijde van de aanvraag niet beschikte over een geldig mvv.

11.

Verzoeker voert in de eerste plaats aan dat het mvv-vereiste hem niet kan worden tegengeworpen, aangezien de regeling van hoofdstuk B22 van de Vc 2000 op hem van toepassing is. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat hij weliswaar nimmer een asielaanvraag heeft ingediend, maar nu het discriminatoir is om kinderen met een asielachtergrond wél, en kinderen met een reguliere achtergrond niet onder de kinderpardonregeling te scharen, hij op grond van de kinderpardonregeling vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste.

12.

Niet in geschil is dat verzoeker niet voldoet aan de onder b vermelde voorwaarde, nu er ten behoeve van hem geen asielaanvraag is ingediend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het door verweerder gemaakte onderscheid tussen vreemdelingen die wel een asielaanvraag hebben ingediend en diegenen die dat niet hebben gedaan al dan niet gerechtvaardigd is.

13.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de regeling begunstigend beleid is dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is verklaard. Voorop staat dat verweerder bij het vaststellen van dergelijk begunstigend beleid een grote mate van discretie toekomt ten aanzien van de bepaling welke (groepen van) personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder het beleid vallen, onrechtmatig moet worden geacht.

14.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat verweerder de groep vreemdelingen die op grond van de kinderpardonregeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning blijkens de regeling heeft beperkt tot diegenen die tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend. Uit de tekst van de kinderpardonregeling kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat verweerder de bedoeling heeft gehad deze regeling ruimer te doen interpreteren. Een dergelijke uitleg ligt ook niet voor de hand, nu de kinderpardonregeling is voortgekomen uit het op 29 oktober 2012 gesloten regeerakkoord, waarin – voor zover van belang – het volgende is opgenomen:

‘Het kind van een afgewezen asielzoeker dat tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar in ons land is krijgt een verblijfsvergunning indien het deze aanvraagt voor het bereiken van de leeftijd van 21 jaar en zich niet langdurig  aan het toezicht van de rijksoverheid heeft onttrokken. Hetzelfde geldt voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling die tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar in ons land is. Alleen de in Nederland verblijvende gezinsleden van het kind van een afgewezen asielzoeker, krijgen bij deze vergunningsverlening een afgeleide verblijfsvergunning. Het voorgaande wordt vervat in een overgangsregime als onderdeel van een definitieve regeling in het kader van de stroomlijning en bekorting van toelatingsprocedures. In de definitieve regeling, die naar zijn aard betrekking zal hebben op een klein aantal personen, kunnen kinderen van afgewezen asielzoekers of alleenstaande minderjarige vreemdelingen die vijf jaar of langer aaneengesloten in ons land verblijven voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, alleen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning indien zij deze aanvragen voordat zij de leeftijd van 19 jaar hebben bereikt.’

In de brief van 21 december 2012 van verweerder aan de Tweede Kamer staat over het doel en de achtergrond van de kinderpardonregeling het volgende:

‘Er zijn in Nederland kinderen, die hier al vele jaren verblijven, zonder zicht op een verblijfsvergunning. De lange duur van het verblijf is te wijten aan procedures die in het verleden soms lang duurden, het niet meewerken aan vertrek en het stapelen van procedures door ouders, of een combinatie van deze factoren.

Om te voorkomen dat deze jongeren hiervan de dupe worden, is door dit kabinet besloten een definitieve regeling en een overgangsregeling te treffen op grond waarvan deze jongeren, onder bepaalde voorwaarden, alsnog in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning.

De overgangsregeling verleent duidelijkheid aan kinderen met een asielachtergrond, die reeds langdurig in Nederland verblijven. De definitieve regeling moet voorkomen dat er in de toekomst opnieuw discussies ontstaan over lang in Nederland verblijvende kinderen en de rol en verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van deze, veelal uitgeprocedeerde, vreemdelingen. Door de invoering van de definitieve regeling komt er beleid waaraan deze verantwoordelijkheid van de overheid, alsmede de verantwoordelijkheid van de ouders, objectief kan worden getoetst.

De verbeterde asielprocedure, die in juli 2010 in werking trad, heeft tot belangrijke veranderingen geleid. Zo krijgen asielzoekers sneller duidelijkheid over hun verblijfsperspectief, omdat procedures zijn versneld. Met het Programma Stroomlijning Toelatingsprocedures (PST) zet dit kabinet in op verdere verbeteringen door nog sneller duidelijkheid te bieden en het stapelen van procedures verder tegen te gaan. Bovendien wordt er maximaal ingezet op terugkeer wanneer bescherming niet aan de orde is en er geen recht is op verblijf. Ik verwacht dat daardoor in de toekomst nauwelijks meer situaties zullen ontstaan van langdurig in Nederland verblijvende vreemdelingen en hun kinderen, zonder verblijfsrecht.’

Uit de tekst van het regeerakkoord, noch uit bovenstaande brief of de tekst van het beleid, valt derhalve af te leiden dat de kinderpardonregeling ook bedoeld is voor diegenen die geen asielaanvraag hebben ingediend. Bovendien blijkt uit de brief van 21 december 2012 dat vanwege de specifieke achtergrond van de problematiek van kinderen met een asielachtergrond, er bewust voor is gekozen de toepassing van de kinderpardonregeling tot deze groep te beperken.

De voorzieningenrechter vindt hiervoor ook steun in het verslag van het debat in de Tweede Kamer op 12 maart 2013 naar aanleiding van de kinderpardonregeling (19637, nr. 1620), waarin de verweerder naar aanleiding van de niet aangenomen motie Voortman/Gesthuizen het volgende naar voren brengt:

‘In de motie-Voortman/Gesthuizen op stuk nr. 1620 wordt de regering verzocht om ook kinderen die een reguliere vergunning hebben aangevraagd, aanspraak te laten maken op de regeling langdurig verblijvende kinderen. Ook die motie moet ik ontraden. Het gaat om een samenstel van factoren op basis waarvan wordt beoordeeld of de hoofdpersoon in het kader van de regeling in aanmerking komt voor een vergunning. Worteling is daarbij niet als voorwaarde opgenomen. In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat er een regeling komt voor in Nederland verblijvende kinderen. In het regeerakkoord hebben we ook afgesproken dat het gaat om regelingen voor kinderen met een asielachtergrond. Het gaat dus om kinderen die al lang in Nederland verblijven door herhaalde asielprocedures in het verleden die lang duurden doordat hun ouders niet meewerkten of procedures op procedures gingen stapelen. Ook die motie moet ik dus ontraden.’

15.

De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om te concluderen dat verweerder niet in redelijkheid de toepasselijkheid van de kinderpardonregeling – nu dit reeds uitzonderingsbeleid betreft – heeft kunnen beperken tot vreemdelingen met een asielachtergrond. Van een ongerechtvaardigd onderscheid is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

16.

Verzoeker heeft voorts betoogd dat hij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, nu uitzetting in strijd zou zijn met zijn recht op privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verzoeker is al sinds 1999 in Nederland woonachtig en vergaand ingeburgerd. Hij spreekt goed Nederlands, gaat in Nederland naar school en heeft hier zijn gehele sociale leven opgebouwd. Bovendien spreekt hij bijna geen Spaans en heeft hij geen enkele band met Ecuador. Door verzoeker tegen te werpen dat hij alle (sociale) banden is aangegaan gedurende illegaal verblijf, miskent verweerder dat hij hier op driejarige leeftijd is binnengekomen en hij dus geen medezeggenschap had over de vraag waar zijn leven zou worden ingericht.

17.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder aangaande het beroep van verzoeker op het recht op privéleven van belang heeft mogen achten dat de moeder van verzoeker ervoor gekozen heeft om illegaal Nederland in te reizen en in haar onrechtmatig verblijf heeft gepersisteerd, ondanks dat haar kenbaar was gemaakt dat zij Nederland diende te verlaten. Alle banden die verzoeker stelt te hebben met Nederland, is hij aangegaan tijdens zijn illegale verblijf hier te lande. In dit licht bezien heeft verweerder de enkele omstandigheid dat verzoeker hier al lang verblijft, gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV7090) en van 22 oktober 2012 (zaaknr. 201111522/1/V1, www.raadvanstate.nl), onvoldoende mogen achten om een positieve verplichting aan te nemen op grond waarvan aan verzoeker hier te lande verblijf dient te worden toegestaan.

18.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten nadele van verzoeker heeft mogen laten uitvallen. Het betoog van verzoeker slaagt daarom niet.

19.

Gelet op het voorstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gronden van bezwaar geen redelijke kans van slagen hebben.

20.

Derhalve wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Linde, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Gaastra, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.