Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11871

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
13/21585
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de rechtbank niet in kennis gesteld van het verlengingsbesluit. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring bevelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 13/21585, V-nummer: {nummer}

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2013 in de zaak tussen

{eiser}, eiser,

gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 7 januari 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij besluit van 25 juni 2013 (hierna: het verlengingsbesluit) heeft verweerder de bewaringstermijn met ten hoogste twaalf maanden verlengd, ingaande op 6 juli 2013.

Eiser heeft op 19 augustus 2013 beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De zaak is op 13 september 2013 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser en verweerder zijn ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan, in afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid, de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de (Vw 2000) stelt, voor zover hier van belang, uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59, Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld.

Op grond van het vijfde lid, voor zover hier van belang, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid.

2.

Artikel 94, eerste en vijfde lid, van de Vw 2000 schrijft voor dat verweerder de rechtbank uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een verlengingsbesluit hiervan in kennis stelt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een voorschrift van openbare orde, op de naleving waarvan zij ambtshalve moet toezien. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de wetgever spoedige rechterlijke toetsing van een verlengingsbesluit van zodanig belang acht dat hij kennisgeving van dat besluit aan de rechtbank verplicht heeft voorgeschreven als de vreemdeling niet binnen achtentwintig dagen beroep instelt tegen het verlengingsbesluit. De memorie van toelichting op het voorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, vermeldt hierover het volgende.

“ Aangezien ingevolge artikel 94, eerste lid, de verplichting tot kennisgeving van de bewaring aan de rechtbank slechts betrekking heeft op de oplegging van de bewaring en niet de verlenging ervan, terwijl artikel 59, zesde lid, verlenging veronderstelt voor voortzetting van de bewaring na verloop van zes maanden, is artikel 94 zodanig aangepast dat ook van de verlenging, die verder reikt dan de periode van zes maanden, aan de rechtbank moet worden kennisgegeven.”

3.

Verweerder heeft de rechtbank niet in kennis gesteld van het verlengingsbesluit. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring bevelen.

4.

Voor vernietiging van het verlengingsbesluit ziet de rechtbank geen grond, omdat dit besluit inhoudelijk bezien rechtmatig is. De beroepsgrond dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, is in eerdere uitspraken beoordeeld en verworpen. De rechtbank ziet geen reden om thans anders te oordelen over het zicht op uitzetting. Het gestelde gebrek aan zicht op uitzetting vormt evenmin geen grond voor het oordeel dat verweerder een lichter middel van toezicht had moeten toepassen.

5.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het voortduren van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juli 2013 onrechtmatig is geworden wegens het verstrijken van de termijn waarbinnen verweerder de rechtbank in kennis had moeten stellen van het verlengingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding eiser met ingang van deze datum een schadevergoeding toe te kennen. Gronden voor matiging van de schadevergoeding zijn gesteld noch gebleken. Uitgaande van het normbedrag van € 80,- voor een dag detentie in een huis van bewaring heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 4.080,-.

6.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet dit bedrag rechtstreeks aan zijn gemachtigde worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiser;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 4.080,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 944,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de gemachtigde van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van

C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

13

september 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.