Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11764

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
09/777408-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Haagse rechtbank heeft een 13-jarige jongen veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur voor opzettelijke brandstichting bij een autosloperij. Door de brand zijn bijna alle auto’s die op het terrein stonden uitgebrand. Deze waren eigendom van het autobedrijf of van klanten die hun auto ter reparatie bij het bedrijf hadden gebracht.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij geen strafblad heeft. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat het hier om een uit de hand gelopen kwajongensstreek gaat. De verdachte heeft oprechte spijt betuigd en heeft de enorme gevolgen van zijn daad niet kunnen overzien.

Verdachte is op 1 april 2013 samen met vier andere jongens naar het terrein van de autosloperij gegaan. Ze hebben op het terrein rondgelopen en gespeeld. Op enig moment heeft verdachte met een aansteker in een auto brand gesticht. Toen hij niet in staat bleek het brandje te blussen, is hij met de andere jongens weggerend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777408-13

Datum uitspraak 12 september 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [datum] 2000,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. van den Heuvel en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.W. Stok, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 april 2013 te De Lier, gemeente Westland, opzettelijk

brand heeft gesticht in/aan een auto, immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk met een aansteker een matras/houten plaat (in voornoemde auto) in

brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

een matras/houten plaat in voornoemde (auto), althans met (een) brandbare

stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde auto en/of meerdere nabij gelegen

auto's geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige) zich in de nabijheid

van die auto bevindende auto's en/of panden, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs 1

3.1

Inleiding

De verdachte heeft bij de politie een bekennende verklaring over het feit afgelegd.

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 1 april 2013 heeft er op het terrein van Autobedrijf [X] in De Lier een grote brand gewoed. Een groot aantal sloopauto’s is hierbij uitgebrand.2 De aangever heeft verklaard dat nagenoeg al de auto’s die op zijn terrein stonden geheel waren uitgebrand. Deze auto’s waren allemaal eigendom van Autobedrijf [X], of van klanten die hun auto ter reparatie bij het bedrijf hadden aangeboden.3

Op 1 april 2013 is de verdachte samen met zijn broer [broer van verdachte], [A],[B] en [C] naar het terrein van Autobedrijf [X] gegaan.4 De verdachte heeft verklaard dat hij samen met [A] ([A]) op het terrein is gaan rondlopen. Op een gegeven moment zag hij een soort houten plank uit het dak van een auto steken. Deze houten plank heeft de verdachte met een aansteker aangestoken. Tegelijkertijd vatte ook een soort matras vlam.5

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting, waardoor hij gevaar teweeg heeft gebracht voor goederen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte gelet op zijn IQ van 80 als zwakbegaafd dient te worden aangemerkt en dientengevolge niet toerekeningsvatbaar kan worden geacht voor het hem tenlastegelegde feit, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Indien de rechtbank dit standpunt niet deelt, zou het vorenstaande consequenties moeten hebben voor de straftoemeting.

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de verdachte te kunnen veroordelen voor het feit, zodat vrijspraak dient te volgen. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte weliswaar heeft bekend dat hij een houten plank c.q. matras heeft aangestoken, maar dat uit de verklaring van [C] blijkt dat dit vuur is gedoofd, immers [C]verklaart dat hij degene is geweest die met een stuk plastic de brand aan het matras heeft gedoofd. De brand op het terrein van autobedrijf [X] is volgens [C] bij een andere auto ontstaan en daarvan staat niet met 100% zekerheid vast dat het de verdachte is geweest die dit heeft veroorzaakt.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij het vuur aan het matras in eerste instantie zelf (met zijn handen) heeft uitgemaakt, dat hij verder is gaan spelen en dat hij toen op een gegeven moment rook vandaan zag komen bij de auto, waarin hij een houten plank/matras had aangestoken. De verdachte heeft aangegeven dat het niet juist is dat [C] de brand aan het matras heeft gedoofd met een plastic zeil.6

Nu de verdachte heeft verklaard dat hij samen met [A] op het terrein is gaan rondlopen, hecht de rechtbank ook waarde aan hetgeen [A] over het gebeurde verklaart. Uit diens verklaring kan worden afgeleid dat hij de verdachte hoorde zeggen dat er een matras in een auto lag, alsmede dat het ‘echt snel fikte’. Een poging om het vuur te blussen mocht niet baten, waarna de verdachte samen met de andere vier jongens is weggerend.7

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank boven enige twijfel verheven dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit en verklaart het feit wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 01 april 2013 te De Lier, gemeente Westland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een auto, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker

een matras/houten plaat (in voornoemde auto) in brand gestoken, ten gevolge

waarvan voornoemde auto en meerdere nabij gelegen auto's geheel of gedeeltelijk

zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige) zich in de nabijheid

van die auto bevindende auto’s en panden, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte primair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte, blijkens een rapport uit 2009, een IQ van 80 heeft, hetgeen betekent dat het niveau van de verdachte is te kwalificeren als zwakbegaafd. De verdachte functioneert op een jonger niveau dan zijn kalenderleeftijd, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat hij ten tijde van het plegen van het feit net twaalf jaar was geworden. Het vorenstaande dient gevolgen te hebben voor de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend, nu hij niet kon overzien wat hij deed.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn daden. Het hebben van een laag IQ, in casu een IQ van 80, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de verdachte als ontoerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep van de raadsman.

Als er ook thans nog bij verdachte sprake is van een IQ van 80, het desbetreffende rapport dateert van 2009 en is dus niet actueel, dan nog is dit enkele feit niet voldoende om te concluderen dat verdachte het feit niet kan worden toegerekend. Ook het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 juni 2013 biedt geen aanknopingspunten om onderliggende problematiek te vermoeden, dan wel een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zodat ook de bevindingen van dit rapport niet aan toerekening in de weg staan.

De door de raadsman genoemde omstandigheid zal wel door de rechtbank in het voordeel van verdachte worden meegewogen bij de beoordeling van de strafmaat.

De verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat gelet op het tekortschieten van de jonge verdachte in verbeeldingskracht, inlevingsvermogen en het inschatten van consequenties, het opleggen van een straf zinloos zou zijn. Indien en voor zover de rechtbank meent een straf op te moeten leggen, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 1 april 2013 is de verdachte samen met vier andere jongens naar het terrein van autosloperij [X] gegaan. Zij hebben daar wat rondgelopen en gespeeld, totdat de verdachte op een gegeven moment met een aansteker een soort houten plaat c.q. matras in een auto in brand heeft gestoken. De verdachte was niet in staat het brandje te blussen en heeft zich samen met de andere jongens uit de voeten gemaakt. De brand heeft uiteindelijk nagenoeg het hele bedrijf van autosloperij [X] in de as gelegd.

De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting.

Brandstichting is een delict met een sterk gevaarzettend karakter ten aanzien van zowel goederen als personen in de omgeving van de brand. De gevoelens van onveiligheid nemen bij de mensen die getroffen zijn door een brand of die wonen in de buurt van de brand enorm toe, terwijl ook in de maatschappij in zijn algemeenheid de gevoelens van onveiligheid toenemen. In het onderhavige geval heeft de brand op het terrein van autosloperij [X] niet alleen gevaar veroorzaakt voor goederen en omliggende panden, maar is er ook sprake van grote financiële schade.

Voor het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank een straf op zijn plaats. De rechtbank neemt de navolgende omstandigheden in ogenschouw bij het bepalen van de strafmaat, waarbij zij acht heeft geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming

d.d. 11 juni 2013.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op de drie leefdomeinen (thuis, school en vrije tijd) goed functioneert. Daarnaast wordt rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en met de omstandigheid dat hij nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Tot slot houdt de rechtbank bij de strafmaat rekening met het feit dat de onderhavige gebeurtenis feitelijk een uit de hand gelopen kwajongensstreek is geweest, waarvan de verdachte de enorme gevolgen niet heeft kunnen overzien.

Uit de houding van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat het nooit zijn bedoeling is geweest een brand als de onderhavige te veroorzaken, alsmede dat hij veel spijt heeft van het gebeurde.

De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf van na te noemen duur een passende reactie vormt.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

De heer [X] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 80.656,-.

Nu de vordering betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van de verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt en aan wie de gedraging als onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt deze geacht te zijn gericht tegen diens ouders.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, bij wijze van voorschot, tot een bedrag van € 5.000,-, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat een groot deel van de schadeposten een nadere onderbouwing behoeft en bovendien niet duidelijk is op welke gronden een deel van de posten niet (geheel) door de verzekering is vergoed.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de ouders van de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 (veertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 20 (twintig) DAGEN;

bepaalt dat de benadeelde partij J.C. [X] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de ouders van de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

en mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. Breda, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1563 2013064868, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 137).

2 Proces-verbaal van bevindingen blz. 61, 1e en 2e alinea.

3 Proces-verbaal van aangifte blz. 59.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte[A], blz. 113 en proces-verbaal verhoor verdachte blz. 106.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 augustus 2013, eigen verklaring van de verdachte.

6 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 augustus 2013, verklaring van de verdachte.

7 Proces-verbaal verdachte [A], blz. 116, laatste alinea.