Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11726

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
1051426/11-80497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door beneficiare aanvaarding wordt de erfgenaam vereffenaar van de nalatenschap (artikelen 4:195, eerste lid, en 4:202, eerste lid, aanhef en onder a, BW). De wet biedt niet de mogelijkheid aan de kantonrechter om deze vereffenaar te ontslaan (artikel 4:206, vijfde lid, BW geldt alleen voor een door de rechtbank benoemde vereffenaar). Wel kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende (schuldeiser) of het openbaar ministerie een (andere) vereffenaar benoemen (artikel 4:203, eerste lid, aanhef en onder b, BW). Omdat de kantonrechter een dergelijk verzoek niet kan doen (de kantonrechter is geen belanghebbende bij de nalatenschap), heeft hij eerst aan het openbaar ministerie en later aan schuldeisers gevraagd om een verzoek ex artikel 4:203, eerste lid, aanhef en onder b, BW bij de rechtbank in te dienen. Daarop is afwijzend gereageerd. Nu de kantonrechter niet in staat wordt gesteld om het toezicht ex artikel 4:210, eerste lid, BW naar behoren uit te oefenen en er geen mogelijkheden zijn om deze vereffening op een correcte wijze af te wikkelen, is de voortzetting van de vereffening niet zinvol. De kantonrechter zal daarom de opheffing van de vereffening bevelen. De wet biedt geen andere mogelijkheid om onder omstandigheden als deze een vereffening te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team kanton Leiden/Gouda

Locatie Alphen aan den Rijn

DL

Zaaknr.: 1051426 / 11-80497

Datum: 5 september 2013

Beschikking ex artikel 4:209 BW op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres].

Overwegingen

Op [2010] is overleden te [plaats] [overledene], geboren op [1952], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats]. Enige erfgenaam is haar zoon [verzoeker]. [verzoeker] heeft de nalatenschap op 9 juni 2010 beneficiair aanvaard. Ingevolge de artikelen 4:195 en 4:202, eerste lid, aanhef en onder a, BW is [verzoeker] vereffenaar van de nalatenschap.

Tot de nalatenschap behoorde onder andere de woning, gelegen aan [adres], [postcode] [woonplaats]. De woning was belast met drie hypotheken. ABN AMRO was eerste hypotheekhouder (inschrijving € 453.000,--), Rabobank was tweede en derde hypotheekhouder (totaal aan inschrijvingen € 275.000,--). Er is een verkort taxatierapport d.d. 6 juli 2005 waarin de onderhandse verkoopwaarde van de woning is getaxeerd op € 850,000,--. In een recenter taxatierapport d.d. 23 september 2011 is de onderhandse verkoopwaarde getaxeerd op € 725.000,--.

Op 8 maart 2011 heeft de vereffenaar de woning verkocht aan de heer [x] voor een bedrag van € 595.000,--. Overeengekomen werd dat levering uiterlijk op 31 december 2012 zou plaatsvinden, omdat [x], die een eigen bedrijf heeft, de financiering nog rond moest krijgen. Ten tijde van de koop huurde [x] de woning.

Bij brief van 10 maart 2011 heeft de vereffenaar voor het eerst aan het kantongerecht gemeld dat hij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. Vervolgens heeft het kantongerecht enkele brieven aan de vereffenaar gestuurd en heeft op 24 augustus 2011 een zitting plaatsgevonden om meer duidelijkheid te verkrijgen en om tot een voorlopige boedelbeschrijving te komen. De vereffenaar heeft wel enkele stukken overgelegd, maar hieruit kan geen correcte boedelbeschrijving, waaruit baten en schulden per datum overlijden blijken, worden afgeleid. Uit de stukken die wel voorhanden zijn, blijkt o.a. van betalingen van de rekening van overledene na haar overlijden aan haar B.V. Verder kwam het de kantonrechter voor dat de woning voor een te laag bedrag verkocht was. Aan de vereffenaar is gevraagd om een bewijsstuk, waaruit blijkt dat de beide hypotheekhouders met deze verkoop hebben ingestemd. Hij heeft alleen een email van de Rabobank overgelegd waaruit blijkt dat die is geïnformeerd over de verkoop, maar dat die niet weet hoe hoog de eerste hypotheekschuld is.

De kantonrechter dient bij een vereffening toezicht uit te oefenen op het handelen van de vereffenaar. Omdat naar het oordeel van de kantonrechter de vereffenaar in ernstige mate zijn taak veronachtzaamde, was de kantonrechter van oordeel dat een andere vereffenaar benoemd diende te worden. De wet biedt niet de mogelijkheid voor de kantonrechter om de huidige vereffenaar te ontslaan (artikel 4:206, vijfde lid, BW geldt alleen voor een door de rechtbank benoemde vereffenaar). Wel kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende (schuldeiser) of het openbaar ministerie een (andere) vereffenaar benoemen (artikel 4:203, eerste lid, aanhef en onder b, BW). Omdat de kantonrechter een dergelijk verzoek niet kan doen (de kantonrechter is geen belanghebbende bij de nalatenschap), heeft hij bij brief van 19 oktober 2011 aan mr. H.C.D. Korvinus, hoofdofficier van justitie, gevraagd om een verzoek ex artikel 4:203, eerste lid, aanhef en onder b, BW bij de rechtbank in te dienen.

Bij brief van 9 januari 2012 heeft mr. Korvinus dit verzoek afgewezen omdat het zijns inziens aan de eventuele schuldeisers is om actie te ondernemen en er daarom geen taak is voor het openbaar ministerie. Een verzoek van de kantonrechter om deze beslissing te heroverwegen is bij brief van 5 juni 2012 afgewezen.

De kantonrechter heeft vervolgens bij brief van 26 juni 2012 ABN Amro Bank NV en de Coöperatieve Rabobank Rijnstreek U.A. over het bovenstaande geïnformeerd, de banken er op gewezen dat zij als schuldeiser een verzoek ex artikel 4:203 BW bij de rechtbank kunnen indienen en dat – mochten zij geen gebruik maken van deze bevoegdheid – de kantonrechter zich zal beraden over de vraag hoe deze vereffening moet worden afgewikkeld, zonder dat de kantonrechter behoorlijk toezicht kan uitoefenen op de vereffenaar.

Bij brieven van 26 juli 2012 en 24 september 2012 hebben respectievelijk ABN Amro Hypotheken Groep B.V. en Coöperatieve Rabobank Rijnstreek U.A. laten weten geen gebruik te zullen maken van hun bevoegdheid om een verzoek ex artikel 4:203 BW in te dienen.

Bij brief van 28 september 2012 heeft de kantonrechter de vereffenaar over het bovenstaande geïnformeerd en aan hem de gelegenheid geboden om de kantonrechter uiterlijk op 1 november 2012 te informeren over de financiële afwikkeling van de nalatenschap. Bij brieven van 10 oktober 2012 en 17 maart 2013 heeft de vereffenaar de kantonrechter geïnformeerd over de levering van de woning op 10 december 2012.

Bij brief van 2 augustus 2013 heeft de vereffenaar laten weten dat het door de onduidelijke administratie en de vele boekhouders die in het verleden betrokken zijn geweest voor hem een vrijwel onmogelijke taak is om een goed beeld te schetsen.

Tijdens de zitting van 22 augustus 2013 heeft de kantonrechter aan de vereffenaar de keuze gegeven om alsnog een correct overzicht van schulden en baten per datum overlijden, alsmede van de betalingen die sindsdien zijn verricht, te verschaffen, danwel de vereffening te beëindigen met het risico van eventuele aansprakelijkheid ex artikel 4:184, eerste lid, aanhef en onder d, BW.

De vereffenaar heeft daarop laten weten dat hij niet in staat is om een boekhouder of accountant te betalen om de administratie op orde te krijgen en dat hij er daarom de voorkeur aan geeft dat de vereffening nu wordt beëindigd.

Nu de kantonrechter niet in staat wordt gesteld om het toezicht ex artikel 4:210, eerste lid, BW naar behoren uit te oefenen en er geen mogelijkheden zijn om deze vereffening op een correcte wijze af te wikkelen, is de voortzetting van de vereffening daarom niet zinvol. De kantonrechter zal daarom, zoals ook door de vereffenaar verzocht, de opheffing van de vereffening bevelen. De wet biedt geen andere mogelijkheid om onder omstandigheden als deze een vereffening te beëindigen.

Omdat de kantonrechter niet in staat is om de vereffeningskosten vast te stellen, stelt hij deze op nihil vast.

Door de kantonrechter is niet gelast om de beneficiaire aanvaarding bekend te maken (artikel 4:196 Burgerlijk Wetboek). De opheffing van de vereffening behoeft daarom evenmin te worden gepubliceerd. De griffier zal de opheffing van de vereffening van de nalatenschap wel dienen in te schrijven in het boedelregister.

Beslissing

De kantonrechter:

- beveelt opheffing van de vereffening van voormelde nalatenschap;

- stelt de vereffeningskosten vast op nihil;

- bepaalt dat de griffier de opheffing van de vereffening inschrijft in het boedelregister.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. de Loor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2013.