Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11596

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
09-09-2013
Zaaknummer
10/29473
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter onderbouwing van haar asielaanvraag heeft de vreemdelinge onder meer een rapport overgelegd van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International. Met betrekking tot de littekens die de vreemdelinge op haar arm en op haar been heeft, wordt in de rapportage geconcludeerd dat deze zeer consistent zijn met haar verhaal. Daarbij bevat de

rapportage een aantal bevindingen met een (nog) hogere gradatie van aannemelijkheid als verwoord in het Istanbul Protocol. De conclusie van het rapport is ten slotte dat het zeer aannemelijk is dat de littekens dan wel fysieke verschijnselen/klachten en de psychische klachten zijn veroorzaakt door de gestelde mishandelingen/verkrachtingen in het land van herkomst. In het licht van deze zeer hoge gradatie van aannemelijkheid op verschillende punten kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de reactie dat de conclusie van het MOG-rapport niet uitsluit dat aan de littekens ook andere oorzaken ten grondslag kunnen liggen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB10/29473

Datum uitspraak: 11 juni 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer[nummer],

van Guinese nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. E.J.M. van Ewijk,

tegen

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

(onder verweerder wordt tevens verstaan de voorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie)

Het procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 10 november 2009 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 20 augustus 2010 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 maart 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T. Boekholt.

De beoordeling

1.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2.

Ter staving van haar asielaanvraag heeft eiseres, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Eiseres is afkomstig uit Guinee. Nadat haar vader is overleden, heeft haar moeder eiseres en haar broer en zus alleen achtergelaten. Eiseres en haar broer en zus zijn toen door hun oom in huis genomen. Eiseres moest werken voor haar oom en tante. In ruil voor eten, is eiseres naar bed gegaan met een vaste klant. Zij is zwanger geraakt en daarom door haar oom uit huis gezet. Eiseres is toen gevlucht naar een vrouw die zij [naam tante] noemde. Haar oom heeft eiseres daar weer opgehaald omdat ze weer voor haar tante moest werken. Nadat ze was bevallen van haar dochtertje, is eiseres uitgehuwelijkt aan een vriend van haar oom, [naam] (hierna: [vriend van haar oom]). [vriend van haar oom] eiste dat eiseres werd besneden. Eiseres is tegen haar wil besneden en gelijk daarna naar [vriend van haar oom] gebracht. Deze wilde met haar naar bed maar dat heeft eiseres geweigerd. [vriend van haar oom] heeft haar toen mishandeld en naar het politiebureau gebracht waar zij twee dagen achter elkaar verkracht is door agenten. De derde dag heeft een agent haar vrijgelaten. Via de zoon van [naam tante] heeft zij een vrouw leren kennen die haar naar Nederland heeft gebracht. In Nederland moest zij van die andere vrouw met mannen naar bed voor geld maar dit wilde eiseres niet. Eiseres kon ontsnappen toen de vrouw een slaapmiddel had ingenomen.

3.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Eiseres is toerekenbaar niet in het bezit van documenten ter onderbouwing van haar identiteit, nationaliteit en reisroute, hetgeen met zich brengt dat het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op haar van toepassing is. Nu van het naar voren gebrachte relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat, en het mitsdien ongeloofwaardig is, komt eiseres op grond van dat relaas niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

4.

Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd, zal in het navolgende worden ingegaan.

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij de beoordeling van de aanvraag (mede) betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reisdocumenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij het ontbreken daarvan niet aan hem is toe te rekenen.

7.

Verweerder heeft eiseres tegengeworpen dat zij toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd ter staving van haar reisroute.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres dit in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen nu zij heeft verklaard dat ze haar paspoort, na aankomst in Nederland, aan de reisagent heeft afgegeven en niet is gebleken dat zij dit onder dwang deed. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat eiseres zich op dat moment in een land bevond alwaar zij de bescherming kon inroepen van de autoriteiten. De stellingen van eiseres dat zij afhankelijk was van haar reisagent, dat zij radeloos en bang was, niet meer wist wat ze moest doen en het feit dat zij laaggeschoold is doen daar niet aan af.

Reeds omdat verweerder in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres onvoldoende documenten ter staving van haar reis heeft overgelegd, behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer.

8.

Als zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, moet van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaan om het geloofwaardig te achten.

9.

De vraag ligt voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht mist. Daarbij is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas de maatstaf, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze en in beroep, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

10.

Ter onderbouwing van het standpunt dat het asielrelaas een positieve overtuigingskracht ontbeert heeft verweerder erop gewezen dat uit de verklaringen van eiseres niet is gebleken dat ze met [vriend van haar oom] gehuwd was op het moment dat ze naar hem toe werd gebracht, terwijl het huwelijk de enige toegestane vorm van relatie tussen man en vrouw is. Verweerder acht het verder onaannemelijk dat eiseres gehuwd was op dat moment en heeft daartoe aangevoerd dat eiseres niets heeft gemerkt van een huwelijksritueel, feestelijkheden of het betalen van een bruidsschat. Verder heeft verweerder tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat haar echtgenoot haar vanwege haar weigering seks te hebben zou afleveren bij de politie, door wie zij zou worden mishandeld en verkracht. Dit ook omdat het in de cultuur van Guinee een schande voor de man zal zijn als een vrouw geen sex met hem wil hebben. Ten slotte heeft verweerder tegengeworpen dat de verklaring van eiseres dat één van de bewakers haar op de derde dag heeft laten gaan zonder dat daar iets tegenover stond en zonder dat hij ervoor zorgde dat zij bij haar echtgenoot zou terugkeren, bevreemdingwekkend is.

11.

In beroep heeft eiseres ter onderbouwing van haar relaas een aantal stukken overgelegd:

  • -

    een brief van M. McGovern, Ph.d., assistent professor antropologie aan Yale University en Guinee-deskundige van 24 mei 2012;

  • -

    een rapportage van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International van 2 december 2011;

  • -

    een brief van Makano International met toelichting op een, eveneens overgelegde, DVD van een in Guinee uitgevoerd onderzoek;

  • -

    een rapport van Makano International van 14 maart 2013, waarbij gevoegd een rapport van dr. O. Doumbouya van de universiteit van Toulouse van
    8 maart 2013;

  • -

    een rapport van mw. drs. P. van Vliet, GZ psycholoog, van 14 maart 2013;

  • -

    diverse andere medische stukken en informatie over Guinee.

12.

In de op 22 maart 2013 toegezonden pleitnota en ter zitting heeft verweerder op deze stukken gereageerd.

13.

Met betrekking tot de rapportage van de MOG acht de rechtbank van belang dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas gewicht toekent aan een medische verklaring ter onderbouwing van de stelling dat de vreemdeling is gemarteld (zoals volgt uit het arrest in de zaak R.C. tegen Zweden (zaaknummer 41827/07, JV 2010/147). Voorts acht de rechtbank van belang dat uit verweerders eigen beleid (paragraaf C14/3.5.2 Vc 2000, zoals dat gold ten tijde van belang) volgt dat verweerder gehouden is de inhoud van een rapportage van de MOG mee te nemen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, indien de asielzoeker de gestelde medische aspecten met het rapport heeft gestaafd.

14.

In de pleitnota heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de conclusie in het rapport dat de littekens van eiseres zeer consistent zijn met haar verklaringen niet uitsluit dat aan de littekens ook andere oorzaken ten grondslag kunnen liggen.

15.

Naar het oordeel van de rechtbank is de reactie van verweerder op het rapport van het MOG onvoldoende. Met betrekking tot de littekens die eiseres op de arm en op het been heeft, wordt in de rapportage geconcludeerd dat deze zeer consistent zijn met het verhaal van eiseres, namelijk dat deze zijn opgelopen terwijl ze haar handen voor haar vagina hield om haar verkrachter af te weren. Daargelaten of de reactie van verweerder in dit verband afdoende is, bevat de rapportage ook een aantal bevindingen met een (nog) hogere gradatie van aannemelijkheid als verwoord in het Istanbul Protocol. De afwijkingen aan de enkels zijn immers ‘kenmerkend’ voor het verhaal van eiseres dat haar enkels met een soort prikkeldraad waren vastgebonden. Daarnaast heeft eiseres ‘typerende’ buikpijnklachten, die horen bij vrouwen die mishandeld/verkracht zijn. De conclusie van het rapport is ten slotte dat het zeer aannemelijk is dat de littekens dan wel fysieke verschijnselen/klachten en de psychische klachten zijn veroorzaakt door de gestelde mishandelingen/verkrachtingen in het land van herkomst.

16.

In het licht van deze zeer hoge gradaties van aannemelijkheid op verschillende punten kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de gegeven reactie, zodat aanleiding bestaat het beroep gegrond te verklaren.

17.

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder door middel van een tussenuitspraak de gelegenheid te bieden dit gebrek te herstellen omdat ook een aantal andere, door eiseres ingebrachte, stukken een nadere beoordeling door verweerder behoeven. In dat verband wijst de rechtbank op de door eiseres overgelegde DVD en op de verklaring van dr. O. Doumbouya van de universiteit van Toulouse dat een huwelijk tussen moslims in Guinee zonder toestemming van de vrouw en zonder aanwezigheid van de bruid in de moskee kan plaatsvinden. Ten slotte overweegt de rechtbank in dat verband nog dat volgens vaste jurisprudentie reeds een enkele ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom kán leiden dat een asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Dat maakt echter nog niet dat zo’n enkele ongerijmde wending voor verweerder altijd reden moét zijn om het relaas ongeloofwaardig te achten. Verweerder zal dus ook moeten beoordelen of eventueel resterende tegenwerpingen voldoende zijn om tot ongeloofwaardigheid van het relaas te leiden.

18.

Een dergelijk omvangrijke heroverweging leent zich niet voor toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, zodat de rechtbank zal volstaan met vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht aan verweerder om een nieuw besluit te nemen. Verweerder zal daarbij ook in de gelegenheid zijn te beslissen over het verzoek tot vergoeding van de kosten voor de rapportages van drs. P. van Vliet en van Makano International. De rechtbank zal thans volstaan met veroordeling in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 472,00 en wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de reiskosten van eiseres bestaat geen aanleiding nu zij hiervoor door het Centraal orgaan opvang asielzoekers in het bezit kan worden gesteld van een NS-dagkaart (zie de “Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten”, pagina 9)

De beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 november 2009;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944-- te betalen aan eiser in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Elferink – van Vliet als griffier.

de griffier de rechter

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).