Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11582

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
C-09-449921 - KG ZA 13-1008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; onrechtmatige overheidsdaad; vordering tbs-ser tot verlening incidenteel verlof voor het bijwonen uitvaartplechtigheid overleden vader afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/449921 / KG ZA 13-1008

Vonnis in kort geding van 4 september 2013

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvend te [plaatsnaam],

eiser,

advocaat mr. M.J.N. Vermeij te Den Haag,

tegen:

de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Veiligheid en Justitie,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 Het procesverloop

Eiser heeft de Staat op 2 september 2013 doen dagvaarden om op 3 september 2013 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 4 september 2013 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 september 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser is bij arrest van 22 december 2011 door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden wegens – kort gezegd – bedreiging, mishandeling en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Daarbij heeft het hof ook de terbeschikkingstelling van eiser gelast met verpleging van overheidswege. Dit arrest is op 22 januari 2013 onherroepelijk geworden. De tenuitvoerlegging van de TBS van eiser is aangevangen op 25 april 2013. Sinds 10 juni 2013 verblijft eiser in FPC de Rooyse Wissel te Venray (hierna ‘de kliniek’).

2.2.

Bij brief van 1 juli 2013 heeft de kliniek bij de Staat (Verlofunit TBS Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie) ten behoeve van eiser een machtiging incidenteel verlof op humanitaire gronden aangevraagd om eiser in de gelegenheid te stellen zijn ernstig zieke vader te bezoeken.

2.3.

Bij e-mailbericht van 10 juli 2013 heeft de kliniek desgevraagd aan voormelde Verlofunit TBS meegedeeld dat eiser ervan op de hoogte is dat hij moet kiezen tussen een afscheidsbezoek bij leven of een afscheidsbezoek na overlijden. In dit e-mailbericht schrijft de kliniek: “Ouders en betrokkene zijn geïnformeerd. Zie kiezen voor een bezoek nu ondanks de consequentie dat bij overlijden afscheid nemen waarschijnlijk onmogelijk is.

2.4.

Bij brief van 11 juli 2013 heeft de heer [X], hoofd van de Verlofunit TBS namens de staatssecretaris aan het hoofd van de kliniek meegedeeld dat zij gemachtigd is eiser eenmalig een afscheidsbezoek te doen brengen aan zijn vader aan zijn woonadres in Waalre. In deze brief staat dat eiser beveiligd moet worden door ten minste twee personeelsleden van DV&O en dat een transportstok en/of hand- of koppelboeien gebruikt dienen te worden. Daarnaast vermeldt de brief dat bij dat bezoek, behoudens de personeelsleden van DV&O en de moeder van eiser, geen anderen aanwezig zijn. De brief vermeldt voorts:

Bij uw e-mail van 11 juli 2013 hebt u mij bericht dat u met betrokkene hebt besproken, dat slechts eenmalig een machtiging humanitair verlof wordt verleend voor het nemen van afscheid van zijn vader, bij leven of na overlijden.

Uit uw e-mail blijkt dat betrokkene ervoor heeft gekozen bij leven afscheid te nemen van zijn vader en ervan op de hoogte is dat geen machtiging meer zal worden verleend voor bezoek aan een afscheidsplechtigheid na overlijden.

2.5.

Op 18 juli 2013 heeft eiser zijn vader bezocht.

2.6.

Bij faxbrief van 20 augustus 2013 heeft mr. T.P. Klaasen, de (toenmalige) advocaat van eiser, aan de directie en de behandelaar van de kliniek verzocht om eiser in het kader van humanitair verlof in de gelegenheid te stellen afscheid te nemen van zijn vader nu deze nog leeft en om te zijner tijd de begrafenis bij te wonen en om samen met zijn twee broers zijn vader naar het graf te begeleiden. In deze brief schrijft de advocaat dat de prognose van de medisch specialist is dat het overlijden van de vader van eiser eerder een kwestie van dagen dan van weken is.

2.7.

Bij faxbericht van 20 augustus 2013 heeft de kliniek aan mr. T.P. Klaasen onder meer het volgende meegedeeld:

Naar aanleiding van uw fax (…) kunnen wij u berichten dat [eiser] goed door ons werd geïnformeerd dat slechts een eenmalig humanitair verlof mogelijk was naar zijn vader. [Eiser] heeft toen in overleg met zijn familie er de voorkeur aan gegeven om op 18 juli 2013 dit verlof uitvoering te geven.

Het ministerie geeft in haar schrijven heel duidelijk aan dat het om een eenmalige machtiging gaat en dat er geen machtiging meer verleend zal worden. Wij proberen op een informele manier nog contacten te leggen met het ministerie voor een eenmalige uitzondering op deze regel van slechts eenmalig humanitair verlof.

2.8.

Op 22 augustus 2013 heeft de kliniek aan de Verlofunit TBS verzocht eiser nogmaals humanitair verlof te verlenen. In dit verzoek schrijft het Hoofd behandeling:

Betrokkene heeft voor zijn TBS altijd voorzien in mantelzorg voor beide ouders. Betrokkene kan zeer moeilijk tot niet de TBS-status accepteren en geeft het gehele juridische systeem de schuld van de ziekte van vader. Daarnaast gedreven door een ernstige persoonlijkheidsproblematiek waardoor hij zich niet/nauwelijks aan de prille behandeling kan conformeren. Het aanwezig zijn bij een laatste afscheidsmoment zou eventueel een aanknopingspunt kunnen zijn voor het opbouwen van een behandelrelatie met betrokkene. Ondanks het feit dat betrokkene bij een eerder humanitair verlof aan vader zeer goed is voorgelicht over het feit dat dit slechts eenmalig is kan hij dit in de huidige emotionele toestand alsnog niet accepteren.

Wij schatten het risico op ontvluchting tijdens dit eenmalige verlof in als gering; betrokkene is zich bewust van de emotionele waarde die deze gebeurtenis heeft voor hemzelf. Wij schatten in dat betrokkene zich zal houden aan de met hem gemaakte afspraken omtrent het bezoek.

2.9.

Bij e-mailbericht van 22 augustus 2013 heeft de Verlofunit TBS aan de kliniek laten weten dat het verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat de kans van slagen van het gevraagde verlof overigens nihil is, mede gelet op het eerder verleende humanitaire verlof.

2.10.

Bij beslissing van 29 augustus 2013 heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van de (vermeende) beslissing van de staatssecretaris om geen machtiging tot incidenteel verlof te verlenen.

2.11.

Op 29 augustus 2013 is de vader van eiser overleden. De uitvaart van de vader is gepland op 6 september 2013 in Eindhoven.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen (de kliniek te machtigen om) aan eiser incidenteel verlof te verlenen de begrafenis van zijn vader bij te wonen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt eiser het volgende. Het beleid dat aan een terbeschikkinggestelde slechts eenmalig humanitair verlof wordt verleend voor het afscheid van een stervend familielid is inhumaan en onrechtmatig. Voorafgaand aan het bezoek aan zijn vader op 18 juli 2013 was aan eiser deze keuze ook niet voorgehouden. Aangezien de vader van eiser in juli 2013 nog niet terminaal ziek was, was een afscheidsbezoek op dat moment ook geheel niet aan de orde. Daarnaast is uitzondering op voormeld beleid gerechtvaardigd, aangezien eiser, mede door de door hem gedurende 19 maanden verleende mantelzorg, met zijn vader een zeer bijzondere relatie had, de behandelaar in de kliniek het in augustus 2013 gevraagde verlof ondersteunt en het vanuit het door de familie van eiser beleden rooms-katholieke geloof van groot belang is dat eiser de uitvaart bijwoont. De door de Staat aangevoerde veiligheidsrisico’s kunnen de beslissing de machtiging af te wijzen evenmin dragen, aangezien de kliniek het risico op ontvluchting als gering inschat en erkent dat eiser zich bewust is van de emotionele waarde van de gebeurtenis. Het op 22 augustus 2013 gevraagde verlof dient derhalve alsnog te worden verleend.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Aangezien eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming van de vordering. Eiser is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken – verkrijging van (een machtiging tot) incidenteel verlof – geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ten dienste staat.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de Staat gehouden is medewerking te geven aan het verlenen van incidenteel verlof aan eiser om de afscheidsplechtigheid van zijn overleden vader bij te wonen.

4.3.

Bij de beoordeling van dit geschil staat voorop dat een terbeschikkinggestelde net zomin als een gedetineerde een onvoorwaardelijk recht heeft op verlof voor het nemen van afscheid van een ernstig zieke of overleden naaste. Inherent aan vrijheidsbeperking is immers de beperking van het ‘familylife’ van terbeschikkinggestelden. Dit neemt niet weg dat de Staat op grond van artikel 8 EVRM – behoudens zwaarwegende omstandigheden – verlof voor het nemen van afscheid van een naaste in beginsel niet mag weigeren.

4.4.

Op grond van artikel 50 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (‘Bvt’) kan het hoofd van een kliniek met machtiging van de minister een terbeschikkinggestelde verlof verlenen zich, al dan niet onder toezicht, buiten de kliniek te begeven. De verlofregeling wordt nader uitgewerkt in (onder meer) de Verlofregeling TBS (hierna ‘de Verlofregeling’). Op grond van artikel 13 van de Verlofregeling kan een machtiging voor incidenteel verlof worden aangevraagd indien er omstandigheden zijn in de persoonlijke levenssfeer van de terbeschikkinggestelde die zijn aanwezigheid op een plaats buiten de kliniek, om redenen van humanitaire aard, noodzakelijk maken. Onder deze omstandigheden is begrepen het nemen van afscheid van een ernstig ziek of overleden familielid in de eerste of tweede graad.

4.5.

Op grond van het vaste beleid van de Staat wordt bij een in levensgevaar verkerende ouder de terbeschikkinggestelde in beginsel in de gelegenheid gesteld om eenmalig afscheid te nemen en wordt de terbeschikkinggestelde de keuze gelaten om een bezoek bij leven of na overlijden te brengen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voormeld beleid niet als onrechtmatig worden aangemerkt, aangezien een terbeschikkinggestelde op deze wijze in de gelegenheid wordt gesteld afscheid te nemen en niet valt in te zien waarom deze gelegenheid meer dan eens geboden moet worden. Ter beoordeling ligt dan ook voor of voormeld beleid op de juiste wijze is toegepast en of de Staat in redelijkheid ertoe kon komen de door eiser gewenste machtiging voor het bijwonen van de uitvaartplechtigheid te weigeren.

4.6.

Tussen partijen staat ter discussie of het op 11 juli 2013 verleende verlof, waarvan eiser op 18 juli 2013 gebruik heeft gemaakt, moet worden aangemerkt als een humanitair verlof voor het nemen van afscheid. Aan eiser moet worden toegegeven dat in eerste instantie niet om een dergelijk verlof is verzocht en dat uit de onder 2.3, 2.4 en 2.8 vermelde e-mailberichten tussen de kliniek en de Verlofunit TBS – waarin (het hoofd van) de kliniek en het Hoofd behandeling expliciet melden dat eiser en zijn ouders goed zijn voorgelicht en dat zij kiezen voor een bezoek bij leven – niet bewijzen dat hij daadwerkelijk op de hoogte was van de door hem te maken keuze. Daar staat tegenover dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat het op 11 juli 2013 verleende verlof geen afscheidsbezoek betrof. Hoewel dat wel op zijn weg lag, heeft hij ook geen verklaring afgelegd over wat hij (en zijn ouders) wel hebben begrepen van de voorwaarden die waren verbonden aan het verleende verlof. Zijn betoog dat zijn vader in juli 2013 niet terminaal ziek was, maakt dat niet anders. Het verlof was immers ontegenzeggelijk verleend met het oog op de ernstige gezondheidstoestand van de vader van eiser.

4.7.

Hetgeen eiser nog heeft gesteld met betrekking tot zijn bijzondere band met zijn vader en het belang van het door de familie beleden geloof, maken het voorgaande niet anders. Het zijn immers juist deze omstandigheden waarop het (verlof)beleid is gebaseerd. Daar komt nog bij dat de wens van eiser om de begrafenis daadwerkelijk bij te wonen en de kist van zijn vader ten grave te dragen – ook indien niet eerder incidenteel verlof ten behoeve van het nemen van afscheid was verleend – niet voor toewijzing in aanmerking zou komen. Volgens vaste rechtspraak is het mede vanuit het oogpunt van beveiliging niet wenselijk indien een gedetineerde (of een terbeschikkinggestelde) geboeid en onder begeleiding een (openbare) afscheidsplechtigheid bijwoont. Mede gelet op de onder 2.8 vermelde uitlatingen van het Hoofd behandeling, waaruit volgt dat eiser zijn TBS-status zeer moeilijk kan accepteren, dat hij het gehele juridische systeem de schuld geeft van de ziekte van zijn vader, en dat hij zich niet tot nauwelijks kan conformeren aan zijn behandeling, lijkt onbegeleid verlof uitgesloten. De omstandigheid dat het Hoofd behandeling in het bijwonen van de afscheidsplechtigheid een mogelijk aanknopingspunt ziet voor het opbouwen van een behandelrelatie en dat zij het risico op ontvluchting als gering inschat, doet aan het voorgaande niet af. Deze opmerking, die betrekking heeft op een ‘bezoek’ en kennelijk letterlijk is gekopieerd uit de onder 2.2 vermelde verlofaanvraag, zegt immers niets over de (praktische) uitvoerbaarheid en de modaliteiten van het door het Hoofd behandeling voorgestane verlof. Onder de gegeven omstandigheden zou een alternatief afscheid – bijvoorbeeld buiten aanwezigheid van derden in de rouwkamer – of het volgen van de plechtigheid via een audiovisuele verbinding eerder aangewezen zijn, maar zulks is door eiser niet gevorderd.

4.8.

Slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van eiser moeten worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.

WJ