Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11517

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
AWB 13/20772 en AWB 13/20771
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Kop: Vo 343/2003, belang, ongewenstverklaring, Malta, detentie.

Uit vaste Afdelingsjurisprudentie blijkt – voor zover thans van belang – dat bij de vraag of belang bestaat bij beoordeling van een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een toelatingsaanvraag, zolang deze ongewenst is verklaard, betekenis toekomt aan de vraag of de vreemdeling zijn tegen de toelatingsweigering gerichte beroepsgronden, en daarmee de vraag of verweerder zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring kon blijven aanwenden, ten volle aan de orde kan stellen in een procedure tegen de eventuele weigering om de ongewenstverklaring op te heffen. De vraag welk land op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet ten volle bij de beoordeling van het besluit tot weigering van de opheffing van de ongewenstverklaring aan de orde worden gesteld. Immers, uit paragraaf A4/3.5.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt niet dat het antwoord op deze vraag relevant kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring. Aldus wordt niet gewaarborgd dat in die procedure in rechte kan worden getoetst of Malta verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker, zodat niet kan worden gezegd dat verzoeker geen belang heeft bij een beoordeling van het onderhavige beroep.

Het door verzoeker overgelegde rapport van Pro Asyl van 11 mei 2012 vermeldt dat een Dublinclaimant wel het risico loopt om te worden gedetineerd indien hij eerder in Malta uit een detentiecentrum is ontsnapt of omdat hij met valse papieren Malta is uitgereisd dan wel in Nederland onder een andere naam is geregistreerd dan in Malta. Nu uit de gedingstukken blijkt dat verzoekers paspoort – dat is voorzien van een door de Maltese ambassade in Tripoli afgegeven visum – op naam staat van [naam 1] geboren op [geboortedatum 1]1976 en van Libische nationaliteit, terwijl verzoeker in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend onder de naam [naam 2], geboren op [geboortedatum 2]1983 en van Libische nationaliteit, heeft verweerder in het onderhavige geval dan ook niet kunnen volstaan met de enkele overweging dat asielzoekers bij overdracht aan Malta niet standaard in vreemdelingenbewaring worden geplaatst en dat reeds daarom de detentieomstandigheden niet aan overdracht in de weg staan. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/20772 (voorlopige voorziening)

AWB 13/20771 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 september 2013

inzake

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum 1], van Libische nationaliteit, verblijvende te Ter Apel, verzoeker

gemachtigde mr. M.S. Yap,

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. F.M. Ticheler.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2013, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 afgewezen, omdat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Verzoeker heeft op 9 augustus  2013 tegen dit besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 29 augustus 2013, waar verzoeker is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter – indien hij van oordeel is dat na de zitting waarop het verzoek is behandeld, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak – onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

4.

Verweerder heeft ter zitting gewezen op de omstandigheid dat verzoeker ongewenst is verklaard en zich – onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) – op het standpunt gesteld dat verzoeker geen belang heeft bij toetsing in rechte van de afwijzing van zijn asielaanvraag, zolang hij ongewenst is verklaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat evenwel geen grond voor het oordeel dat de door verweerder bedoelde jurisprudentie van de Afdeling zo moet worden uitgelegd dat een ongewenst verklaarde vreemdeling ook geen belang heeft bij toetsing van een besluit, strekkende tot afwijzing van de asielaanvraag omdat een ander land dan Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.

Vast staat dat verzoeker bij besluit van 25 augustus 2010 ongewenst is verklaard, terwijl gesteld noch gebleken is dat het besluit tot ongewenstverklaring inmiddels is vernietigd of de ongewenstverklaring is opgeheven. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 22 juli 2010 in zaak nr. 201001769/1/V2, www.raadvanstate.nl) is het gevolg dat artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 aan de ongewenstverklaring verbindt, dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang de ongewenstverklaring voortduurt. Bij beoordeling van een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning heeft hij, zolang hij ongewenst is verklaard, derhalve geen belang, aldus de Afdeling.

6.

Uit voornoemde Afdelingsjurisprudentie blijkt – voor zover thans van belang – dat bij de vraag of belang bestaat bij beoordeling van een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een toelatingsaanvraag, zolang deze ongewenst is verklaard, betekenis toekomt aan de vraag of de vreemdeling zijn tegen de toelatingsweigering gerichte beroepsgronden, en daarmee de vraag of verweerder zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring kon blijven aanwenden, ten volle aan de orde kan stellen in een procedure tegen de eventuele weigering om de ongewenstverklaring op te heffen. De vraag welk land op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet ten volle bij de beoordeling van het besluit tot weigering van de opheffing van de ongewenstverklaring aan de orde worden gesteld. Immers, uit paragraaf A4/3.5.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt niet dat het antwoord op deze vraag relevant kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring. Aldus wordt niet gewaarborgd dat in die procedure in rechte kan worden getoetst of Malta verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker, zodat niet kan worden gezegd dat verzoeker geen belang heeft bij een beoordeling van het onderhavige beroep.

7.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de autoriteiten van Malta op 28 juni 2013 schriftelijk kenbaar hebben gemaakt akkoord te gaan met de terugname van verzoeker op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 343/2003) verantwoordelijk is voor de behandeling van het door verzoeker in Nederland ingediende asielverzoek.

8.

Blijkens het bestreden besluit en de daarop gegeven toelichting stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een belemmering vormen voor de overdracht van verzoeker aan de autoriteiten van Malta. Volgens verweerder bieden de door verzoeker overgelegde stukken geen grond voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Deze stukken zijn qua inhoud immers nagenoeg gelijk aan de documenten die reeds zijn meegenomen bij de totstandkoming van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 oktober 2011 (LJN: BT8367 en LJN: BT8370) en waarin is geconcludeerd dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat door de overdracht aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 13 van het EVRM. Verder kan volgens verweerder niet worden geconcludeerd dat asielzoekers bij overdracht aan Malta standaard in vreemdelingenbewaring worden geplaatst. Dit kan evenmin worden afgeleid uit het arrest van het EHRM van 23 juli 2013 in de zaak [persoon] tegen Malta, zodat de detentieomstandigheden in Malta evenmin aan overdracht in de weg staan, aldus verweerder

9.

Verzoeker stelt dat verweerder zijn asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003 aan zich had moeten trekken. Daarbij heeft verzoeker aangevoerd dat Malta zich niet zal houden aan haar internationale verplichtingen. Volgens hem worden asielzoekers bij aankomst in Malta voor langere tijd gedetineerd zonder een echte mogelijkheid om toegang te krijgen tot de rechter en zijn de detentieomstandigheden zodanig slecht dat uitzetting naar Malta leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker (reeds in de zienswijze) verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 18 april 2013 (AWB 12/22713) en naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 2 juli 2013 (AWB 13/7860). Daarnaast heeft verzoeker (eveneens reeds in de zienswijze) verwezen naar het rapport van The People for Change Foundation: Researching Migration and Asylum in Malta: A Guide, april 2013, alsmede naar het “Universal Periodic Review” van de UNHCR van maart 2013 en het rapport van Pro Asyl van mei 2012. Verzoeker heeft er op gewezen dat hij bij terugkeer naar Malta zal worden gedetineerd omdat hij aldaar onder een andere naam staat geregistreerd dan in Nederland.
In aanvulling op het vorenstaande heeft verzoeker zich in de beroepsgronden op het standpunt gesteld dat verweerder zich er ten onrechte niet van heeft vergewist dat de asielprocedure in Malta voldoende waarborgen biedt ter voorkóming van schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting naar Libië. Volgens hem blijkt uit de overgelegde informatie en zijn relaas dat Malta hem in strijd met artikel 3 van het EVRM zal uitzetten naar Libië.

10.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

11.

Verweerder voert het beleid dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten principale van wordt uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven. Indien concrete aanwijzingen bestaan dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt kan Nederland op grond van artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003 het asielverzoek aan zich trekken. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd.

12.

Blijkens het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 (zaaknummer 30696/09) dienen bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van Vo 343/2003 aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM, in het bijzonder de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land te worden betrokken. Voorts vloeit uit dat arrest voort dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

13.

In haar uitspraak van 7 oktober 2011 (LJN: BT8367) heeft de Afdeling overwogen dat niet blijkt dat het beeld dat uit de in die zaak ingeroepen stukken naar voren komt over de detentie in Malta ook van toepassing zou zijn op vreemdelingen die in het kader van de Vo 343/2003 aan Malta worden overgedragen. Met name blijkt uit die stukken niet dat in het kader van de Vo 343/2003 overgedragen vreemdelingen bij aankomst in Malta opnieuw worden gedetineerd. Reeds daarom staan de detentieomstandigheden van asielzoekers die voor het eerst in Malta arriveren niet aan overdracht in de weg, aldus de Afdeling. Bij uitspraak van 4 juli 2012 (201107341/1/V3) heeft de Afdeling dit oordeel herhaald en daarbij overwogen dat ook uit de in die zaak genoemde rapporten van de UNHCR van 18 januari 2010 en van Amnesty International van december 2010 niet blijkt dat in het kader van Vo 343/2003 overgedragen vreemdelingen bij aankomst in Malta opnieuw worden gedetineerd. Evenmin blijkt dit uit het arrest van het EHRM van 27 juli 2010, JV 2010/337, aldus de Afdeling in deze uitspraak.

14.

Uit geen van de door verzoeker overgelegde stukken volgt dat in het kader van
Vo 343/2003 overgedragen vreemdelingen bij aankomst in Malta standaard worden gedetineerd. Het door verzoeker overgelegde rapport van Pro Asyl van 11 mei 2012 vermeldt dat een Dublinclaimant wel het risico loopt om te worden gedetineerd indien hij eerder in Malta uit een detentiecentrum is ontsnapt of omdat hij met valse papieren Malta is uitgereisd dan wel in Nederland onder een andere naam is geregistreerd dan in Malta. Nu uit de gedingstukken blijkt dat verzoekers paspoort – dat is voorzien van een door de Maltese ambassade in Tripoli afgegeven visum – op naam staat van [naam 1], geboren op [geboortedatum 2] en van Libische nationaliteit, terwijl verzoeker in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend onder de naam [naam 2], geboren op [geboortedatum 1] en van Libische nationaliteit, heeft verweerder in het onderhavige geval dan ook niet kunnen volstaan met de enkele overweging dat asielzoekers bij overdracht aan Malta niet standaard in vreemdelingenbewaring worden geplaatst en dat reeds daarom de detentieomstandigheden niet aan overdracht in de weg staan. Ter zitting heeft verweerder in dit verband nog betoogd dat genoemd rapport van Pro Asyl de situatie in Malta in september 2011 beschrijft, terwijl uit de brief van de Maltese minister van Binnenlandse Zaken van 23 maart 2012 – die betrekking heeft op een latere periode – blijkt dat vreemdelingendetentie alleen wordt toegepast in geval van toegangsweigering dan wel in geval tegen een persoon een ‘removal order’ wordt uitgevaardigd. Hiervan is in casu echter geen sprake, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker bij zijn overdracht naar Malta gedetineerd wordt, aldus verweerder ter zitting. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de door verweerder ter zitting genoemde brief van de Maltese minister van Binnenlandse Zaken van 23 maart 2012 niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, geen onderdeel uitmaakt van het dossier en ook niet ter zitting is overgelegd door de gemachtigde van verweerder. Derhalve zal de voorzieningenrechter de (gestelde) inhoud van deze brief niet bij haar beoordeling betrekken.

15.

Gelet op het voorgaande is het besluit van 9 augustus 2013 in strijd met artikel 3:46 van de Awb tot stand gekomen. Reeds hierom zal dit besluit worden vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep. Het vorenoverwogene in aanmerking genomen ziet de voorzieningenrechter geen mogelijkheid om met toepassing van aritkel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

16.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

17.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 944,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

. 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

. 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

. waarde per punt € 472,00;

. wegingsfactor 1.

18.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 9 augustus 2013;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op
€ 944,00.

Aldus gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.