Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11429

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
09/997161-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tezamen en in vereniging feitelijk leidinggeven aan een rechtspersoon die de aangiften Vennootschapsbelasting onjuist en onvolledig heeft gedaan en geen kasadministratie heeft gevoerd en bewaard. Gewoontewitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2644
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/997161-11

Datum uitspraak: 4 september 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1952 te [geboorteplaats],

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 13 februari 2012, 13 maart 2012 en 21 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.C. Vermaseren, en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P. Geervliet, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting van 13 februari 2012 - ten laste gelegd dat:

1.

[X] Juristen B.V. op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 19 januari 2010, (telkens) te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) (digitale) aangifte(n) Vennootschapsbelasting ten name van [X] Juristen B.V. over de/het ja(a)r(en) 2004 en/of 2005 en/of 2006 en/of 2007 en/of 2008 (D-115),

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen doen,

immers hebben/heeft die [X] Juristen B.V. en/of haar mededader(s)

(telkens) opzettelijk op de/het bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland ingeleverde/toegezonden aangiftebiljet(ten)/aangifte(n) vennootschapsbelasting ten name van [X] Juristen B.V. over genoemd(e) ja(a)r(en) (telkens)

een te laag bedrag aan belastbare winst en/of een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting,

opgegeven, althans doen opgeven,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat (telkens) te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel

aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[X] Juristen B.V. op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 november 2011 (telkens) te 's-Gravenhage en/of Leiden en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot

(a)

het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen,

(telkens) opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd en/of heeft doen voeren,

en/of

(b)

het bewaren van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, (telkens) opzettelijk deze niet (volledig) heeft bewaard en/of heeft doen bewaren,

immers hebben/heeft die Quadvlieg B.V. en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk

(a)

geen, althans een onjuiste en/of onvolledige, kasadministratie gevoerd en/of doen voeren, en/of niet alle contante verkopen en/of ontvangsten opgenomen en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of verwerken in de (kas- en/of financiële) administratie

en/of

(b)

de kasadministratie niet (volledig) bewaard en/of doen bewaren,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel

aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 november 2011 (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland en/of in Engeland en/of Servië en/of Luxemburg, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens)

een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) tot een totaal van Euro 633.810,- of daaromtrent, althans (telkens) een of meerdere geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet,

en/of van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) tot een totaal van Euro 633.810,- of daaromtrent, althans (telkens) een of meerdere geldbedrag(en),

gebruik heeft gemaakt,

immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens)

die/dat geldbedrag(en), die/dat (telkens) door [X] Juristen B.V. ontvangen waren/was in het kader van (een) contante verko(o)p(en), althans die/dat geldbedrag(en)/voorwerp(en), onder zich genomen en/of gehouden en/of uitgegeven voor privé-doeleinden en/of gestort op een of meerdere privé bankrekening(en),

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en)/geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren/was uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

en/of

van het plegen van witwassen een gewoonte hebben/heeft gemaakt.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

[X] Juristen B.V. (hierna ook: QJ) houdt zich met name bezig met de verkoop van bedrijfsstructuren en de instandhouding hiervan. Deze structuren bestonden veelal uit een Nederlandse Commanditaire Vennootschap (CV) met een stichting als commanditaire vennoot en een Engelse Limited als beherend vennoot met boven deze Limited een trustvennootschap. Deze Limiteds worden in Engeland opgericht door [Y] (hierna: [Y]).2

Verdachte is eigenaar en bestuurder van [Y] Deze Limited is door verdachte opgericht en is gevestigd in Engeland. Medeverdachte [medeverdachte] is statutair bestuurder en economisch eigenaar van QJ, gevestigd te Den Haag.3

In de periode van 1 mei 2006 tot en met 19 januari 2010 is door [benadeelde], in zijn hoedanigheid van belastingadviseur van QJ, digitaal aangifte Vennootschapsbelasting gedaan ten name van QJ over de jaren 2004 tot en met 2008.4 De aangiften Vennootschapsbelasting (hierna ook: de aangiften) zijn door [benadeelde] gedaan op basis van bankafschriften die hem ter beschikking werden gesteld.5

De verkoop van bedrijfsstructuren door QJ vindt zowel tegen contante als girale betaling plaats. Alle verkopen zijn af te leiden uit het verkoopadministratiesysteem Document Center Online (hierna: DCO). Uit een vergelijking van deze informatie met de aangiften volgt dat de contante verkopen bij de aangiften niet als omzet zijn opgegeven.6

Verdachte was degene die de contanten - die vanaf februari 2005 in het pand van QJ in een kluis werden bewaard - ophaalde en meenam.7 Deze contante gelden zijn door verdachte in geen enkel land als omzet of inkomen opgegeven.8

Verdachte heeft veel van de contante gelden die hij bij QJ ophaalde, gestort op een privérekening in Luxemburg.9 Verdachte gaf aan dat op enig moment een bedrag van € 820.000,00 op zijn privérekening in Luxemburg stond.10 Verdachte heeft, ten behoeve van zijn levensonderhoud, van deze bankrekening geld opgenomen.11 Ook heeft verdachte (een deel van) deze gelden meegenomen naar Servië en daar verstopt in pakketjes van € 100.000,00.12 Onder verdachte is tijdens een doorzoeking in de woning aan de [adres] te Den Haag op 9 november 2011 een bedrag van

€ 5.375,00 in beslag genomen.13

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank dient ten aanzien van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde de vraag te beantwoorden of de over de jaren 2004 tot en met 2008 ten name van QJ ingediende aangiften onjuist en/of onvolledig zijn. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te beslissen of QJ strafbaar is en of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedraging. Verder ziet de rechtbank zich ten aanzien van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde voor de vraag gesteld of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voeren en bewaren van een kasadministratie. Ten slotte dient de rechtbank ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde te beslissen of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie erop gewezen dat over de jaren 2004 tot en met 2008 een omzet van circa € 1,8 miljoen aan contante verkopen niet is verantwoord in de financiële administratie - er werd geen kasadministratie gevoerd - en evenmin in de aangiften. Deze strafbare gedragingen van verdachte kunnen volgens de officier van justitie aan QJ worden toegerekend. Door QJ is opzettelijk onjuist belastingaangifte gedaan, nu door verdachte, met het kennelijke doel om belastingheffing te omzeilen, een rookgordijn is gecreëerd met betrekking tot de juridische en financiële verhouding tussen QJ en [Y]. Ook is opzettelijk geen administratie gevoerd. Aan de wijze van boekhouding kleefden namelijk ernstige gebreken, hetgeen bekend was bij de verantwoordelijken binnen QJ. Volgens de officier van justitie is verdachte, gelet op zijn leidinggevende rol binnen QJ, voor de strafbare feiten aansprakelijk als feitelijk leidinggever.

In reactie op het door de raadsman gevoerde verweer dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor de aangiften over de jaren 2005 en 2006 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zij onverkort vasthoudt aan de door de Belastingdienst opgemaakte nadeelsberekening. Hetgeen in het fiscale traject plaatsvindt, is volgens de officier van justitie niet leidend voor wat in het strafrechtelijke traject kan worden vastgesteld.

In reactie op de door de raadsman gemaakte opmerkingen ten aanzien van de getuigenverklaringen heeft de officier van justitie medegedeeld dat zij geen aanleiding ziet om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen, nu deze verklaringen bevestiging vinden in andere onderdelen van het dossier.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie erop gewezen dat verdachte grote contante bedragen, die niet in de boeken zijn verantwoord en afkomstig zijn van QJ, bij een Luxemburgse bank heeft gestort. Vanaf deze rekeningen zijn vervolgens overboekingen gedaan naar onder meer de privérekening van verdachte in Servië, naar Ostrea Marketing Ltd., en tevens is een deel opgenomen voor levensonderhoud. Daarnaast heeft verdachte vanuit Den Haag contante stortingen gedaan op zijn bankrekening en heeft hij grote contante geldbedragen verstopt. Volgens de officier van justitie is, mede gelet op de lange duur, sprake van gewoontewitwassen door omzetten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsman bepleit dat verdachte niet in strafrechtelijke zin kan worden aangemerkt als verantwoordelijke voor de inhoud van de aangiften en het bijhouden van een deugdelijke (kas)administratie bij QJ. Verdachte had een onvoldoende substantiële rol en bovendien is geen sprake van opzet. Verdachte was niet op de hoogte van de wijze waarop de aangiften werden gedaan. Verdachte heeft volgens de raadsman een juridische scheiding willen creëren tussen de door hem opgerichte vennootschap [Y], die Limiteds in het Verenigd Koninkrijk oprichtte en onderhield, en QJ, die de structuren in Nederland verkocht en ondersteunde, met de bedoeling dat het aan [Y] toekomende deel van de omzet buiten de Nederlandse belastingheffing bleef.

De verklaringen van de getuigen met betrekking tot de feitelijke rol van verdachte moeten volgens de raadsman met de nodige omzichtigheid worden gehanteerd, nu er tussen verdachte en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ruzie is geweest, zij niet voor QJ werkten en de verklaringen bovendien algemeen van aard zijn. De verklaring van getuige [getuige 3] is eveneens te algemeen om als bewijs te kunnen dienen. Incidentele omstandigheden als dat verdachte enige tijd beschikte over een bankpas van QJ, hij reed in voertuigen op naam van QJ of als woordvoerder en contactpersoon van QJ optrad, moeten volgens de raadsman worden bezien in de context, namelijk de vertrouwensband tussen [medeverdachte] en verdachte en de financiële verwevenheid tussen QJ en [Y].

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring van de onjuiste aangiften uitsluitend mogelijk is voor de jaren 2005 en 2006 nu naar het jaar 2004 geen onderzoek is gedaan en voor de jaren 2007 en 2008 niet ondubbelzinnig vaststaat dat deze aangiften onjuist zijn.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat er geen kasadministratie was, zodat deze ook niet kon worden bewaard. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het bestaan van het DCO verdachte vrijwaart van het verwijt dat QJ een kennelijk ondeugdelijke administratie voerde.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet wist dat over het geld dat hij ontving geen belasting werd afgedragen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Feit 1

Ter beantwoording van de vraag of de aangiften over de jaren 2004 tot en met 2008 onjuist en/of onvolledig zijn, dient de rechtbank eveneens de vraag te beantwoorden wat de juridische een financiële verhouding was tussen QJ en [Y]. Vervolgens dient de rechtbank te beslissen of QJ strafbaar is en of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

3.4.1.1 Zijn de aangiften Vennootschapsbelasting onjuist en/of onvolledig?

De verklaringen in het dossier betreffende de verhouding tussen QJ en [Y]

Volgens verdachte werden de Limiteds in Engeland opgericht door [Y] en vonden de verkopen van de bedrijfsstructuren voor rekening en risico van [Y] plaats. QJ zou daarbij als tussenpersoon hebben gefungeerd. De prijzen van de bedrijfsstructuren werden volgens verdachte door [Y] bepaald. Op grond van een tussen QJ en [Y] opgemaakte vertegenwoordigingsovereenkomst zou QJ voor de verkopen een provisie ontvangen van [Y] van zeventig procent van de omzet. Voor wat betreft de omzet uit ontvangsten voor de administratieve instandhouding van de structuren, contributies en overige verplichtingen met betrekking tot Companies House (de Engelse Kamer van Koophandel) zou QJ dertig procent van de omzet krijgen van [Y], aldus verdachte. Door deze provisies had [Y] volgens verdachte een vordering op QJ. Er werd contant afgerekend, aldus verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verder het standpunt ingenomen dat zowel de contante betalingen bij QJ alsook de girale betalingen op de bankrekening van QJ volledig toekwamen aan [Y]. Nadat in 2005 door QJ een kluis was aangeschaft, werd deze door verdachte of in zijn opdracht geleegd, zodat verdachte steeds de inhoud van de kluis ontving.14 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij steeds de volledige inhoud van de kluis meenam.

Getuige [getuige 4] - de bedrijfsleider van QJ - heeft verklaard dat de wijze van betalen beslissend was voor de vraag of de klant aan QJ of aan [Y] betaalde. Indien de klant zijn aankoop per bank afrekende, werd er betaald aan QJ. Als contant werd afgerekend kwam dit geld toe aan [Y].

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte zich altijd over het contante geld ontfermde, ook voordat de kluis er stond.15

De verklaringen en bevindingen in het dossier betreffende de aangiften

Getuige [getuige 5], die voor de Belastingdienst het boekenonderzoek heeft uitgevoerd, heeft verklaard dat zij heeft bevonden dat er bij QJ over de jaren 2004 tot en met 2008 sprake is van niet aangegeven omzet die ziet op contant ontvangen bedragen.16

In de ingediende aangiften Vennootschapsbelasting over de jaren 2004 tot en met 2008 werd de contante omzet, die in het DCO was terug te vinden, niet meegenomen, zo verklaarde [benadeelde].17

Volgens de berekening van de FIOD gaat het over de jaren 2004 tot en met 2008 om een totaalbedrag van € 1.810.579,00 aan omzet dat niet in de aangiften is verantwoord.18 De kosten die in verband met afdrachten aan [Y] in de aangiften over de jaren 2005 tot en met 2008 zijn opgenomen, en die van invloed zijn op de winst en derhalve op de af te dragen vennootschapsbelasting, bedragen

€ 433.207,00.19 Het door de Belastingdienst berekende nadeel over de jaren 2004 tot en met 2008 bedraagt € 633.810,00.20

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting allereerst vast dat [Y] in Engeland, behalve het oprichten van Limiteds en het versturen van post, geen feitelijke werkzaamheden verrichtte en geen administratie voerde. Uit het dossier blijkt dat verdachte in 2003 tegenover de Engelse Belastingdienst schriftelijk heeft aangegeven dat er binnen [Y] geen handel en geen financiële transacties plaatsvonden en in de toekomst ook niet zullen plaatsvinden. [Y] staat in Engeland derhalve als slapend (‘dormant’) geregistreerd. De rechtbank overweegt dat dit zich niet laat rijmen met de verklaringen van verdachte, inhoudende dat [Y] via QJ bedrijfsstructuren verkocht, er een overeenkomst was tussen [Y] en QJ betreffende de te betalen provisie en verdachte wel salaris uit [Y] ontving.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn medeverdachte weliswaar stellen dat is afgesproken dat QJ bepaalde provisies zou ontvangen van [Y], dan wel vice versa, maar dat tussen QJ en [Y] nooit daadwerkelijk is afgerekend. Verdachte heeft immers steeds alle contante omzet onder zich genomen en bovendien werden per bank onder vermelding van afdrachten aan [Y] ook bedragen aan verdachte overgemaakt. Gesteld noch gebleken is dat verdachte vervolgens weer provisiegelden aan QJ heeft betaald.

Voorts stelt de rechtbank vast dat van de betalingen aan [Y] geen facturen of onderliggende stukken in de administratie van QJ zijn opgenomen (AH-020). Van de contante omzet, die verdachte steeds mee nam, zijn evenmin onderliggende stukken aangetroffen. Gebleken is dat door QJ bedragen op rekeningen van [Y], verdachte of derden werden overgemaakt, die door [benadeelde] werden geboekt als afdrachten aan [Y] (AH-020).

Betreffende de schuld van QJ aan [Y] op de balans van QJ stelt de rechtbank vast dat er geen stukken in de boekhouding zijn aangetroffen waaruit blijkt op welke wijze deze schuld is bepaald. Verdachte kon hierover desgevraagd ook geen uitsluitsel geven. Evenmin zijn facturen, specificaties, afrekeningen of andere bescheiden aangetroffen met betrekking tot de op de balans vermelde schuld aan [Y] (AH-017).

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen legitieme reden om de omzet aan de hand van de wijze van betalen - contant of giraal - toe te rekenen aan QJ dan wel [Y]. Het is immers van tweeën een: de verkoopopbrengst van de structuren die zijn verkocht moet of volledig als omzet worden beschouwd van QJ of - zoals door verdachte gesteld - van [Y]. De rechtbank oordeelt echter dat deze omzet volledig moet worden toegerekend aan QJ. Dit volgt uit het feit dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm verkopen door QJ betrof, alle girale betalingen op een bankrekening van QJ binnenkwamen en QJ deze girale betalingen ook daadwerkelijk als omzet heeft opgegeven. Daarbij is [Y] volgens verdachte zelf slapend, betaalt [Y] ook geen omzetbelasting en is niet gebleken dat [Y] provisie betaalt aan QJ.

Dit betekent dat de contante geldstroom, die niet in de aangiften is verwerkt, voor rekening en risico van QJ komt en dat de schuldpositie tussen QJ en [Y] fictief is. Zowel de niet verantwoorde contante omzet als de opgave van fictieve kosten heeft naar het oordeel van de rechtbank geleid tot onjuiste en onvolledige aangiften over de jaren 2004 tot en met 2008.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de aangiften over de jaren 2004 tot en met 2008 onjuist en onvolledig zijn gedaan doordat een te laag bedrag aan belastbare winst en een te laag belastbaar bedrag in deze aangiften zijn opgenomen. Dat in het controlerapport, dat in het kader van het fiscale traject is opgemaakt en geen deel uitmaakt van het strafdossier, de aangifte over het jaar 2004 niet is meegenomen en er aan QJ voor de jaren 2007 en 2008 geen navorderingsaanslagen zijn opgelegd, doet hier niet aan af, nu door de FIOD ook over deze jaren het fiscale nadeel is berekend en voldoende is onderbouwd.

3.4.1.2 Is [X] Juristen B.V. strafbaar?

Ter beantwoording van deze vraag dient de rechtbank allereerst te beslissen of de rechtspersoon (QJ) geadresseerde is van de in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelasting (AWR) neergelegde norm. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verboden gedragingen - de onjuiste en onvolledige aangiften - aan QJ kunnen worden toegerekend. Ten slotte zal de rechtbank de vraag beantwoorden of sprake is van opzettelijk handelen aan de zijde van QJ.

Is QJ geadresseerde van de in artikel 47 AWR neergelegde norm?

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. QJ is een rechtspersoon. Op grond van artikel 1 jo. artikel 2 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 is een rechtspersoon belastingplichtig voor de Vennootschapsbelasting. Op grond van artikel 6 en volgende en artikel 42 AWR dient de bestuurder van de rechtspersoon, dan wel een persoon die daartoe is aangewezen, de aangifte Vennootschapsbelasting op juiste en volledige wijze te doen. De rechtbank stelt derhalve vast dat QJ geadresseerde is van de in artikel 47 AWR neergelegde norm.

Kan de strafbare gedraging aan QJ worden toegerekend?

De rechtbank overweegt dat het, naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, voor de beantwoording deze vraag van belang is vast te stellen of de gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank dat de gedraging in kwestie - kort gezegd het doen van aangiften Vennootschapsbelasting - financieel en administratief van aard is en past in de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon. De aangiften zijn in opdracht van en met instemming van bestuurder [medeverdachte] ingediend. Uit het door de Belastingdienst berekende nadeel over de jaren 2004 tot en met 2008 blijkt dat dit nadeel een bedrag van € 633.810,00 bedraagt. De rechtbank concludeert dat de onjuiste en onvolledige aangiften dienstig zijn geweest aan het bedrijf. Dit leidt tot het oordeel dat de onder 1 laste gelegde gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon en in redelijkheid aan QJ is toe te rekenen. QJ kan dan ook worden aangemerkt als dader van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Is sprake van opzettelijk handelen?

Het verschil tussen de aangiften en de uiteindelijke omzetcijfers over de ten laste gelegde periode bedroeg meer dan € 1.800.000,00. Op een aangegeven omzetbedrag van circa € 1.077.000,00 is dit een dermate groot verschil dat de rechtbank van oordeel is dat de feitelijk bestuurder hiervan volledig op de hoogte is geweest, dan wel moet zijn geweest. Daarnaast blijkt de feitelijk bestuurder op de hoogte te zijn geweest van de opnames van cash gelden uit de kluis.

Gelet hierop kan het opzet - voorwaardelijk opzet daaronder begrepen - aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Gezien dit alles beantwoordt de rechtbank de vraag of de in de tenlastelegging genoemde rechtspersoon opzettelijk onjuiste belastingaangiften heeft gedaan, bevestigend.

3.4.1.3 Is sprake van feitelijk leidinggeven door verdachte?

Nu de officier van justitie er in deze zaak voor heeft gekozen niet QJ te vervolgen maar verdachte, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verdachte als feitelijk leidinggever strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het strafbare handelen van QJ. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Vast staat dat verdachte in de ten laste gelegde periode ‘op papier’ geen (directe) zeggenschap had over QJ. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft dit aan strafrechtelijke aansprakelijkheid als feitelijk leidinggever echter geenszins in de weg te staan. Relevant is immers niet zozeer hoe de zaken in een bedrijf ‘juridisch-organisatorisch’ geregeld zijn, als wel of een natuurlijke persoon het - al dan niet samen met anderen - ten aanzien van bepaalde activiteiten ‘voor het zeggen’ had, of in elk geval zwaarwegende invloed had.

De rechtbank stelt verder vast dat conform vaste jurisprudentie van feitelijk leidinggeven reeds sprake kan zijn als verdachte - hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was - maatregelen achterwege heeft gelaten ter voorkoming van de verboden gedraging, en hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd (HR 16-12-1986, NJ 1987, 321/322; Slavenburg).

De bevindingen en verklaringen in het dossier

Verdachte heeft ontkend feitelijk leiding te hebben gegeven aan het indienen van de onjuiste en onvolledige aangiften Vennootschapsbelasting.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de feitelijke rol van verdachte binnen QJ als volgt.

[medeverdachte] heeft op advies van verdachte QJ opgericht.21 De naam van de vennootschap is door verdachte bedacht.22 Verdachte heeft eveneens [Y] in Engeland opgericht, terwijl [Y] daar als ‘dormant’ staat geregistreerd.23

[Y] voerde geen boekhouding. De vertegenwoordigingsovereenkomst tussen [Y] en QJ is blijkens de aantekeningen van [benadeelde] eenzijdig en achteraf door verdachte opgesteld.24 Bovendien zijn er geen onderliggende stukken aangetroffen betreffende de afrekeningen tussen [Y] en QJ en aangaande de schuld van QJ aan [Y].25 Voorts staat in de aangetroffen en in beslag genomen aantekeningen van [benadeelde] het volgende: ‘Vragen [naam] 2005. Schuld aan Engeland per 31-12-’05 opnemen want er is veel winst in 2005’.26 Verdachte heeft verklaard dat hij met [benadeelde] overleg heeft gehad over de schuldpositie tussen [Y] en QJ en het eens was met de schuldpositie die is bepaald.27 Verdachte was de persoon die de contanten ophaalde en hij kreeg bovendien, blijkens de verklaring van [getuige 4],28 een uitdraai uit het DCO waarin de omzetgegevens en de wijze van betaling stonden vermeld. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte zich tegenover derden presenteerde als de contactpersoon en woordvoerder van QJ.29 In de administratie van QJ zijn facturen en correspondentie aangetroffen gericht aan verdachte of waarin de naam van verdachte als referentie of contactpersoon wordt genoemd.30

Er is voorts een visitekaartje van QJ aangetroffen waarop staat: ‘Mr. [verdachte]’.31 Het dossier bevat een brief van de Haagse Hogeschool, gericht aan QJ, ter attentie van verdachte, waarin verdachte wordt bedankt voor de aan een student geboden mogelijkheid om zijn afstudeeropdracht bij QJ te volbrengen.32 Onder verdachte zijn voorts een tweetal bankpassen in beslag genomen die op naam staan van respectievelijk [medeverdachte] [X] Juristen B.V. en [medeverdachte] Mr. R. [X] en Partners.33 Voorts is in de administratie van QJ een factuur aangetroffen van [bedrijf] aan [X] Juristen B.V., [verdachte] betreffende een APK-keuring van een Land Rover met het kenteken [kenteken].34 Op de factuur van Carglass betreffende deze auto staat als berijder [X]/verdachte vermeld.35 Getuige [getuige 4] verklaarde de bekeuringen van verdachte via QJ te betalen.36 Van de bankrekening van QJ zijn voorts betalingen gedaan aan de partner van verdachte, [partner].37 [medeverdachte] heeft verklaard dat hij niet wist hoeveel er betaald is aan [partner] en waarvoor de betalingen zijn verricht. Verdachte haalde de contante omzet op bij QJ.

[benadeelde] heeft verklaard dat hij vaak telefonisch contact had met verdachte.38 [medeverdachte] verwees [benadeelde] door naar verdachte. [benadeelde] verklaarde dat de balansposten schulden [Y] met [medeverdachte], en wellicht ook met verdachte werden besproken. Het geschatte bedrag werd door [benadeelde] voorgelegd aan zowel [medeverdachte] als verdachte.39 De resultaten van de aangiften en de jaarrekening besprak [benadeelde] met verdachte of [medeverdachte], of met beiden.40 [benadeelde] verklaarde dat verdachte bepalend is binnen QJ.41

Getuige [getuige 3], die in de periode van 31 oktober 2005 tot en met 29 maart 2006 bij QJ heeft gewerkt, verklaarde dat hij via verdachte bij QJ is gaan werken, met verdachte een gesprek voerde42 en dat de afspraken over werktijden en bedrijfsvoering via verdachte liepen.43 Van verdachte kreeg [getuige 3] een werkinstructie.44 [getuige 3] verklaarde dat verdachte wilde dat [getuige 3] voor zichzelf zou beginnen en zich zou laten inhuren door QJ.45 Verdachte zat volgens [getuige 3] in de grote directeurskamer en [medeverdachte] zat in een kamertje achteraf. Verdachte was bijna dagelijks op kantoor.46 Volgens [getuige 3] was verdachte de leidinggevende en had hij de touwtjes in handen.47

Getuige [getuige 1], die vanaf april 2004 tot en met oktober 2005 voor QJ heeft gewerkt, heeft verklaard dat verdachte hem voorstelde om voor QJ te komen werken op provisiebasis.48 Verdachte betaalde [getuige 1] contant uit, uit zijn eigen portemonnee.49Volgens [getuige 1] is verdachte de man achter QJ en worden met hem alle afspraken gemaakt.50

Getuige [getuige 2] verklaarde dat [getuige 1] in januari 2005 met hem contant opnam en hem vroeg of hij met hem wilde samenwerken bij QJ. Volgens [getuige 2] dicteerde verdachte aan [getuige 1] wat er moest gebeuren.51

[getuige 5] verklaarde dat verdachte feitelijk de leiding had bij QJ, aangezien hij optrad jegens belangrijke crediteuren of bij belangrijke gebeurtenissen voor QJ, een aanspreekpunt was in een conflict tussen QJ en een fiscaal marketing team uit Brabant, hij afspraken maakte over betalingsregelingen, in auto’s van QJ reed en deze privé verzekerde, en hij met een pasje van QJ naar het buitenland reisde.52

De conclusie van de rechtbank

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] niet betrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de verklaringen gedetailleerd en consistent zijn, elkaar wederzijds ondersteunen en bovendien steun vinden in objectieve gegevens in het dossier.

De rechtbank is op basis van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat de feitelijke positie van verdachte dusdanig was dat hij kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende van QJ. De rechtbank is voorts van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de bij de Belastingdienst ingediende onjuiste en onvolledige aangiften is aan te merken als feitelijk leidinggeven aan deze verboden gedragingen. Verdachte was immers degene die de contante geldstroom, die niet in de aangiften werd verantwoord, bij QJ ophaalde. Bovendien zijn in de aangiften ten onrechte fictieve kosten ten aanzien van [Y] en privé-uitgaven van verdachte als zakelijke kosten geboekt. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank de constructie tussen [Y] en QJ uitgedacht en opgericht ten einde de belastingheffing te minimaliseren.

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven onder omstandigheden voorwaardelijk opzet voldoende is. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat verdachte willens en wetens feitelijk leiding gaf aan de onjuiste en onvolledige aangiften, zoals die bij de Belastingdienst zijn ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gezien het vorenstaande, door zijn handelen niet alleen geen maatregelen genomen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de rechtspersoon, maar deze gedragingen ook bevorderd.

De verklaring van verdachte dat hij de bankpas van QJ onder zich had doordat [medeverdachte] deze vergeten was, acht de rechtbank niet geloofwaardig. [medeverdachte] heeft pas eerst ter zitting verklaard dat hij deze pas was vergeten, terwijl hij bij de FIOD verklaarde niets af te weten van een vergeten bankpas. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat omstandigheden als het voorhanden hebben van een bankpas van QJ, het rijden in voertuigen op naam van QJ, het optreden als woordvoerder of contactpersoon, het overleg met [benadeelde] en het maken van afspraken op financieel terrein, structureel van aard zijn. De door de raadsman genoemde vertrouwensband tussen verdachte en [medeverdachte] biedt naar het oordeel van de rechtbank geen verklaring voor genoemde omstandigheden.

De rechtbank acht het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4.2

Feit 2

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voeren en bewaren van een kasadministratie.

3.4.2.1 Is sprake van een strafbare gedraging?

Uit het dossier blijkt dat het digitale informatiesysteem - DCO - dat binnen QJ ten behoeve van de verkoopadministratie werd gebruikt, bedoeld was om de voor de verkoop noodzakelijke documenten te vervaardigen en de cliëntgegevens te registreren. [benadeelde], wiens kantoor gevestigd is te Leiden,53 heeft verklaard dat hij vanaf 2004 tot januari 201154 de administratie handmatig en via de methode van enkel boekhouden voerde op basis van de door QJ periodiek aangeleverde bankafschriften en achterliggende bescheiden.55 De gegevens uit het DCO betrok [benadeelde] niet in de financiële administratie.56

[getuige 4], die op 14 november 2011 werd gehoord, heeft verklaard dat binnen QJ geen kasadministratie werd en wordt gevoerd.57 [getuige 5] verklaarde dat de administratie van QJ rommelig was en beperkt qua inrichting.58 [getuige 5] verklaarde voorts dat voor de bedrijfsvoering en controle relevante vastleggingen niet zijn gemaakt en de administratie niet op zodanig wijze is gevoerd dat het mogelijk is om inzicht te verkrijgen in de aan de verantwoorde omzet ten grondslag liggende detailgegevens.59 Voorts is de administratie volgens [getuige 5] niet op zodanige wijze gevoerd dat het mogelijk is om binnen redelijke termijn inzicht te verkrijgen in de detailgegevens die ten grondslag liggen aan de in de aangiften verantwoorde kosten.60

Uit het dossier blijkt voorts dat door QJ geen kopieën van uitgeschreven en uitgereikte facturen zijn bewaard. Evenmin zijn kopieën bewaard van brieven waarin afnemers werden uitgenodigd hun jaarbijdragen te voldoen.61 Ook ontbreken specificaties, facturen of berekeningen ten aanzien van de afdrachten van QJ aan [Y].62

Het door de Belastingdienst berekende nadeel over de jaren 2004 tot en met 2008, wegens het niet voeren van een kasadministratie zodat de contante geldstroom niet werd meegenomen in de aangiften Vennootschapsbelasting, bedraagt
€ 633.810,00.63

De rechtbank is op basis van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat geen kasadministratie werd gevoerd en deze kasadministratie niet (volledig) werd bewaard, terwijl er wel sprake was van een forse jaarlijkse contante geldstroom. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het DCO-systeem, dat ten behoeve van de verkoopadministratie werd gebruikt, niet aan de verplichtingen zoals bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Anders dan door verdachte gesteld kan dit systeem dus niet worden beschouwd als een administratie in de zin van die wet.

De rechtbank verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer dat niet kan worden bewezen dat de kasadministratie niet was bewaard nu er in het geheel geen kasadministratie was. Naar het oordeel van de rechtbank staat de omstandigheid dat er geen kasadministratie wordt gevoerd niet in de weg aan de bewezenverklaring van het niet bewaren van deze administratie. Dit volgt eveneens uit het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 1989, DD 89/266. Wel moet uit dit arrest worden afgeleid dat sprake is van eendaadse samenloop tussen beide verboden gedragingen.

3.4.2.2 Is [X] Juristen B.V. strafbaar?

Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank dat de rechtspersoon op grond van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht is een administratie te voeren overeenkomstig de daaraan bij de Belastingwet gestelde eisen, zodat QJ als geadresseerde van deze rechtsnorm is aan te merken.

De rechtbank verwijst voorts voor het toetsingskader inzake de toerekening aan een rechtspersoon naar hetgeen onder 3.4.1.2 is genoemd en overweegt tegen die achtergrond als volgt. De gedraging in kwestie - kort gezegd het voeren en bewaren van een kasadministratie - past in de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon. Uit het door de Belastingdienst berekende nadeel over de jaren 2004 tot en met 2008 blijkt dat een bedrag van ruim € 1.800.000,00 niet als omzet is opgegeven en dat het nadeel hiervan € 633.810,00 bedraagt. De rechtbank concludeert dat het niet voeren en bewaren van een kasadministratie dienstig is geweest aan het bedrijf. Dit leidt tot het oordeel dat de onder 2 laste gelegde gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon en in redelijkheid aan QJ is toe te rekenen. QJ kan dan ook worden aangemerkt als dader van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Ter beantwoording van de vraag of sprake is van opzettelijk handelen overweegt de rechtbank dat uit de schriftelijke aantekeningen van [benadeelde] blijkt dat verdachte wist dat geen kasadministratie werd gevoerd. In deze schriftelijke aantekeningen, waar ook veelvuldig staat vermeld dat er contact is geweest met verdachte, staat: ‘Voor 2005 en 2006 hebben ze wel alle omzetten per bank in de computer. Per kas echter niet. Voorzichtig mee zijn’.64 En: ‘Van alle contante verkopen waarvan de gelden direct in de kluis gaan, wordt aantekening gehouden. Iemand van [Y] Engeland heeft de sleutel van de kluis, verder niemand. Die leegt regelmatig de kluis en het geld gaat naar Engeland.’65 Verdachte was de enige die de kluis leegde.

De rechtbank is, op basis van voornoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat opzettelijk geen kasadministratie werd gevoerd en bewaard, terwijl dit feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Nu verdachte, tezamen met [medeverdachte], binnen QJ een leidinggevend persoon was - waar de rechtbank onder 3.4.2.3 nader op in zal gaan - kan dit opzet naar het oordeel van de rechtbank aan de rechtspersoon QJ worden toegerekend.

3.4.2.3 Is sprake van feitelijk leidinggeven door verdachte?

De rechtbank verwijst voor het toetsingskader inzake feitelijk leidinggeven naar hetgeen onder 3.4.1.3 is genoemd en naar hetgeen zij met betrekking tot de feitelijke positie van verdachte reeds heeft vastgesteld. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij het niet voeren en bewaren van een kasadministratie is aan te merken als feitelijk leidinggeven aan deze verboden gedragingen. Verdachte heeft immers zowel [Y] als QJ opgericht. Verdachte had volledig inzicht in de omzet van QJ, middels het DCO.66 Verdachte was verder degene die de contante inkomsten, die op geen enkele wijze in de financiële administratie zijn terug te vinden, bij QJ ophaalde. Verdachte moet - als ondernemer - hebben geweten welke verplichtingen ingevolge de Belastingwet aan de administratie worden gesteld en voorts dat contante geldstromen in de administratie opgenomen dienen te worden.

De rechtbank overweegt dat voorts dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte willens en wetens feitelijk leiding gaf aan het niet voeren en bewaren van een kasadministratie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gezien het vorenstaande, door zijn handelen niet alleen geen maatregelen genomen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de rechtspersoon, maar deze gedragingen ook bevorderd.

De rechtbank acht het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4.3

Feit 3

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

De bevindingen en verklaringen in het dossier

Zoals reeds in de inleiding van dit vonnis naar voren is gekomen, heeft verdachte (een deel van) de contante gelden - die van QJ afkomstig waren, niet geadministreerd werden en niet in de aangiften Vennootschapsbelasting werden verantwoord - gestort op een privébankrekening in Luxemburg en vervolgens verstopt in Servië. Verdachte maakte tevens geld over naar de rekening van Ostrea Marketing Ltd., waarvan hij, naar zijn zeggen, de enige gemachtigde is.67

Verdachte verklaarde voorts, naar aanleiding van een vraag van de verbalisanten met betrekking tot de doorzoeking in de woning aan de [adres] te Den Haag, dat hij in een tasje een bedrag van € 6.000,00 à € 7.000,00 euro had en dat in zijn portemonnee ongeveer € 1.500,00 zat.68 Tevens verklaarde verdachte dat in zijn woning in Servië een bedrag van € 25.000,00 ligt.69 Normaal gesproken ligt er altijd zo’n bedrag aan contant geld in zijn woning, aldus verdachte.70

Het dossier bevat voorts een proces-verbaal waaruit blijkt dat verdachte in de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn tegen zijn partner heeft gezegd dat zij weet waar het geld ligt en dat zij niet meer dan € 3.000,00 over de grens mocht meenemen om problemen te voorkomen.71

Uit het dossier blijkt voorts dat er op bankrekening [bankrekeningnummer] ten name van [partner], de partner van verdachte, in de periode van 6 juli 2004 tot en met 30 maart 2009 een totaalbedrag van € 111.530,00 contant is gestort. Al deze stortingen zijn gedaan in Den Haag.72 Op deze bankrekening is tevens een totaalbedrag van € 39.880,24 ontvangen van bankrekeningen op naam van QJ.73 Onderliggende facturen of bescheiden zijn niet aangetroffen in de administratie.

Voorts is op bankrekening [bankrekeningnummer] ten name van verdachte in de periode van 12 januari 2004 tot en met 10 maart 2009 een totaalbedrag van € 81.730,00 contant gestort.74 Op één na zijn al deze stortingen gedaan in Den Haag.75 Tevens is op deze bankrekening een bedrag van € 6.250,00 ontvangen van Mr. R. [X] C.V.76 Voorts is vanaf rekening [bankrekeningnummer] ten name van QJ of Mr. R. [X] en partners op 16 juni 2005 naar de Engelse bankrekening van verdachte een bedrag van omgerekend € 7.530,12 overgemaakt.77 Onderliggende facturen of bescheiden voor al deze mutaties zijn niet in de administratie van QJ aangetroffen.

Naar drie verschillende bankrekeningen van [Y], waarvan twee in Luxemburg en één in Engeland, is in de periode van 4 december 2006 tot en met 3 november 2008 vanaf rekening [bankrekeningnummer] ten name van QJ of Mr. R. [X] en partners een totaalbedrag van (omgerekend) € 125.064,42 overgemaakt.78 Van deze betalingen zijn geen onderliggende facturen aangetroffen in de administratie van QJ.79

[getuige 5] heeft verklaard dat de door verdachte ontvangen bedragen niet zijn opgenomen in de aangiften inkomstenbelasting dan wel dat er geen aangifte inkomstenbelasting is gedaan.80

Het door de Belastingdienst berekende fiscale nadeel over de jaren 2004 tot en met 2008 bedraagt € 633.810,00.81

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank is op basis van voornoemde bewijsmiddelen en de in de inleiding opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedragen tot een totaalbedrag van € 633.810,00. Door onder meer chartaal geld te storten op bankrekeningen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank dit geld omgezet in giraal geld. Voornoemd bedrag was niet afkomstig uit legale handel, maar bestaat uit de verschuldigde vennootschapsbelasting over de contante omzet die niet is verantwoord in de aangiften Vennootschapsbelasting en uit de vennootschapsbelasting die is verschuldigd over in de aangiften ten onrechte als kosten opgenomen betalingen door QJ aan [Y]. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij onder 3.4.1 heeft vastgesteld.

De rechtbank verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte niet wist dat deze geldbedragen niet aan de Nederlandse belastingheffing waren onderworpen. Verdachte heeft immers feitelijk leiding gegeven aan het opzettelijk indienen van onjuiste en onvolledige aangiften Vennootschapsbelasting en aan het opzettelijk niet voeren en bewaren van een kasadministratie. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen onder 3.4.1 en 3.4.2 bewezen is verklaard.

Omdat verdachte dit feit gedurende een langere periode en middels diverse transacties heeft begaan, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

[X] Juristen B.V. op tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2006 tot en met 19 januari 2010, telkens te 's-Gravenhage en Apeldoorn, telkens tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

digitale aangiften Vennootschapsbelasting ten name van [X] Juristen B.V. over de jaren 2004 en 2005 en 2006 en 2007 en 2008 (D-115),

telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben die [X] Juristen B.V. en haar mededader(s)

telkens opzettelijk op de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en Apeldoorn toegezonden aangiften vennootschapsbelasting ten name van [X] Juristen B.V. over genoemde jaren telkens

een te laag bedrag aan belastbare winst en een te laag belastbaar bedrag,

opgegeven,

terwijl die feiten er telkens toe strekten dat telkens te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[X] Juristen B.V. op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 november 2011 telkens te 's-Gravenhage en Leiden, telkens tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

telkens als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot

(a)

het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen,

telkens opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd en/of heeft doen voeren,

en

(b)

het bewaren van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, telkens opzettelijk deze niet heeft bewaard en/of heeft doen bewaren,

immers hebben die [X] B.V. en haar mededader(s) toen en daar telkens opzettelijk

(a)

geen kasadministratie gevoerd en/of doen voeren, en niet alle contante verkopen en ontvangsten opgenomen en verwerkt en/of doen opnemen en/of verwerken in de (kas- en financiële) administratie

en

(b)

de kasadministratie niet bewaard en/of doen bewaren,

terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 november 2011 telkens te 's-Gravenhage en in Engeland en Servië en Luxemburg, telkens

voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van Euro 633.810,- of daaromtrent, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet,

en van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van Euro 633.810,- of daaromtrent, gebruik heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, toen en daar telkens

die geldbedragen, die telkens door [X] Juristen B.V. ontvangen waren in het kader van contante verkopen, onder zich genomen en gehouden en uitgegeven voor privédoeleinden en gestort op een of meerdere privébankrekening(en),

terwijl hij, verdachte, telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen/geldbedragen telkens geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enige misdrijf,

en

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een geldboete van
€ 330.000,00 wordt opgelegd, te vervangen door 9 maanden hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het nadeel dat de Belastingdienst heeft geleden inmiddels grotendeels ongedaan is gemaakt ten aanzien van de aanslagen over de jaren 2005 en 2006. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor gelijksoortige delicten. Beide omstandigheden dienen volgens de raadsman een dempende invloed te hebben op de strafmaat. Om herhaling te voorkomen zou een deels voorwaardelijke straf kunnen worden opgelegd, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft gedurende een lange periode feitelijk leiding gegeven aan de rechtspersoon QJ, een bedrijf dat grote contante geldstromen niet in de aangiften Vennootschapsbelasting heeft verantwoord, in deze aangiften fictieve kostenposten heeft opgenomen en bovendien geen kasadministratie heeft gevoerd en bewaard. Ten einde zoveel mogelijk geld aan QJ te onttrekken en belastingheffing bij QJ te minimaliseren, heeft verdachte in Engeland het bedrijf [Y] opgericht, terwijl door [Y] geen feitelijke werkzaamheden werden verricht. Dientengevolge is te weinig belasting afgedragen, waarmee de overheid, en daarmee de gehele samenleving, fors is benadeeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type delicten lastig op te sporen is en niet alleen tot fiscaal nadeel, maar ook tot ondermijning van de algemene belastingmoraal leidt. Desondanks heeft verdachte getracht op deze wijze hiervan de vruchten te plukken. Verdachte heeft in het opzetten van deze constructie een initiërende en leidende rol gehad en voortdurend getracht om zelf buiten schot te blijven.

Voorts heeft verdachte een aanzienlijk geldbedrag witgewassen. Door witwassen worden criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten heeft als onderdeel van een zwartgeldcircuit een ontwrichtende werking. Deze werking wordt versterkt indien dit geld via witwassen als vermeend legaal geld aangewend kan worden in investeringen in de reguliere economie.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 juni 2013 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Voor het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten die landelijk voor de straftoemeting (LOVS) ten aanzien van fraude zijn vastgesteld. Uit het dossier volgt betrokkenheid van verdachte bij een zeer groot aantal gevallen van belastingfraude met een benadelingsbedrag van € 633.810,00. Als oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag tussen vijfhonderdduizend en één miljoen euro wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien tot vierentwintig maanden gehanteerd.

De rechtbank is van oordeel dat in de eis van de officier van justitie de strafwaardigheid van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uiting komt. De rechtbank acht in onderhavige zaak passend een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de lange duur van de delicten, de initiërende rol van verdachte alsook het raffinement en de slinksheid van de door verdachte opgezette constructie in relatie tot de maatschappelijke schade. Tevens weegt de rechtbank in de bepaling van de duur van de gevangenisstraf de op te leggen geldboete mee.

Gelet op de principiële ‘anti-belastinghouding’ van verdachte, alsook het gegeven dat verdachte thans nog werkzaam is in de handel in vennootschappen, acht de rechtbank het gevaar voor herhaling aanwezig. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om een deel van de gevangenisstraf (zes maanden) voorwaardelijk op te leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (al dan niet soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Voorts acht de rechtbank passend een geldboete ter hoogte van een bedrag van

€ 330.000,00. Bij de vaststelling van deze vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

7 De in beslag genomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 11 en 14 tot en met 18 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de in beslag genomen voorwerpen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 11 en 14 tot en met 18 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten zijn verkregen.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a, 51, 55, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 en 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken, deze opzettelijk onjuist en onvolledig verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren, een zodanige administratie opzettelijk niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden of andere gegevensdragers te bewaren, deze opzettelijk niet bewaren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een geldboete van € 330.000,00;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 9 (negen) maanden;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 11 en 14 tot en met 18 genummerde voorwerpen, te weten:

1. € 9.450,00;

2. € 2.160,00;

3. € 200,00;

4. € 20,00;

5. € 2.000,00;

6. € 1.200,00;

7. € 3.000,00;

8. € 1.000,00;

9. € 350,00;

10. € 20,00;

11. € 5,00;

14. € 500,00;

15. € 500,00;

16. € 800,00;

17. € 200,00;

18. € 2.000,00.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mrs. C.W. de Wit en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het dossiernummer 47873, ‘onderzoek Bad Bug’, van de FIOD, kantoor Haarlem, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 848).

2 Aanvangsproces-verbaal d.d. 10 oktober 2011, p. 81 (AH-002).

3 Aanvangsproces-verbaal d.d. 10 oktober 2011, p. 78 (AH-002).

4 Een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring Vennootschapsbelasting d.d. 29 juli 2011, p. 778, 779, 782 (D-115); een geschrift, te weten Aangifte vennootschapsbelasting [X] Juristen B.V. 2004, p. 493 t/m 508 (D-001); een geschrift, te weten Aangifte vennootschapsbelasting [X] Juristen B.V. 2005, p. 509 t/m 522 (D-002); een geschrift, te weten Aangifte vennootschapsbelasting [X] Juristen B.V. 2006, p. 523 t/m 536 (D-003); een geschrift, te weten Aangifte vennootschapsbelasting [X] Juristen B.V. 2007, p. 537 t/m 543 (D-004); een geschrift, te weten Aangifte vennootschapsbelasting [X] Juristen B.V. 2008, p. 544 t/m 550 (D-005).

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 1 december 2011, p. 468.

6 Aanvangsproces-verbaal d.d. 10 oktober 2011, p. 83 (AH-002).

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 augustus 2013; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 21 november 2011, p. 392; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 14 november 2011, p. 461.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 9 november 2011, p. 350; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 2 december 2011, p. 369.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2011, p. 375.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2011, p. 376.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2011, p. 375.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2011, p. 376.

13 Proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 17 november 2011.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 9 november 2011, p. 345.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 21 november 2011, p. 392.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 21 juli 2011, p. 453.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 8 december 2011, p. 473.

18 Proces-verbaal van voegen nadeelberekening, met bijlage “Berekening fiscaal nadeel [X] Juristen B.V.” d.d. 25 januari 2012, p. 339 (AH-032).

19 Proces-verbaal van voegen nadeelberekening, met bijlage “Berekening fiscaal nadeel [X] Juristen B.V.” d.d. 25 januari 2012, p. 340 (AH-032).

20 Proces-verbaal van voegen nadeelberekening met bijlage “Berekening fiscaal nadeel [X] Juristen B.V.” d.d. 25 januari 2012, p. 336 t/m 341 (AH-032).

21 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] d.d. 22 november 2011, p. 401.

22 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 augustus 2013.

23 Een geschrift, te weten een brief aan [naam], HM Inspector of Taxes, d.d. 26 augustus 2003, p. 608 (D-015a).

24 Een geschrift, te weten schriftelijke aantekeningen van [benadeelde], p. 653-754 (D-102); een geschrift, te weten schriftelijke aantekeningen van [benadeelde], p. 761 (D-105).

25 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 17 oktober 2011, p. 153 (AH-017); proces-verbaal inzake [Y] vennootschappen d.d. 25 januari 2012, p. 165 (AH-020).

26 Een geschrift, te weten schriftelijke aantekeningen van [benadeelde], p. 734 (D-089).

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 2 december 2011, p. 370.

28 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 14 november 2011, p. 462.

29 Een geschrift, te weten het Eerste openbaar verslag d.d. 25 januari 2005 in het faillissement van de besloten vennootschap [X] Juristen B.V., p. 551 (D-006); een geschrift, te weten een Verslag derdenonderzoek Dengerink & Kremer d.d. 16 januari 2009, p. 553 (D-007); een geschrift, te weten een artikel in de Telegraaf d.d. 27 maart 2006, p. 585 (D-011).

30 Proces-verbaal inzake het feitelijk leiding geven aan [X] Juristen BV d.d. 18 januari 2012, p. 213 (AH-026).

31 Een geschrift, te weten een visitekaartje, p. 583 (D-010a).

32 Een geschrift, te weten een brief van de Haagse Hogeschool d.d. 23 februari 2005, p. 534 (D-010b).

33 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 januari 2012, p. 184 t/m 202 (AH-022).

34 Een geschrift, te weten een factuur van [bedrijf] d.d. 18 juni 2008, p. 609 (D-016).

35 Een geschrift, te weten een factuur van Carglass d.d. 31 maart 2008, p. 610 (D-017).

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 14 november 2011, p. 461.

37 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 119 (AH-005); proces-verbaal inzake het feitelijk leiding geven aan [X] Juristen BV d.d. 18 januari 2012, p. 220 (AH-026).

38 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 1 december 2011, p. 467.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 8 december 2011, p. 472.

40 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 8 december 2011, p. 475.

41 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 8 december 2011, p. 473.

42 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij RC d.d. 2 augustus 2012, punt 5.

43 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 december 2011, p. 483.

44 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij RC d.d. 2 augustus 2012, punt 12.

45 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij RC d.d. 2 augustus 2012, punt 12; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 december 2011, p. 483.

46 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 december 2011, p. 484.

47 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 december 2011, p. 485.

48 Een geschrift, te weten een Verslag derdenonderzoek [getuige 1] d.d. 11 maart 2009, p. 558 (D-008).

49 Een geschrift, te weten een Verslag derdenonderzoek [getuige 1] d.d. 8 april 2009 p. 565 (D-009).

50 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij RC d.d. 30 oktober 2012, punt 15; een geschrift, te weten een Verslag derdenonderzoek [getuige 1] d.d. 11 maart 2009, p. 558 (D-008).

51 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] door de Politie Kopenhagen d.d. 22 maart 2013, p. 2.

52 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] bij RC d.d. 25 oktober 2012, punt 22; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 21 juli 2011, p. 451.

53 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 1 december 2011, p. 467.

54 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 1 december 2011, p. 468.

55 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 1 december 2011, p. 468.

56 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] d.d. 1 december 2011, p. 468.

57 Proces-verbaal van verhoor [getuige 4] d.d. 14 november 2011, p. 460.

58 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] bij RC d.d. 25 oktober 2012, punt 21.

59 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 21 juli 2011, p. 455.

60 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 21 juli 2011, p. 455.

61 Proces-verbaal 1-OPV-1 d.d. 30 januari 2012, p. 32.

62 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 17 oktober 2011, p. 153 (AH-017).

63 Proces-verbaal van voegen nadeelberekening met bijlage “Berekening fiscaal nadeel [X] Juristen B.V.” d.d. 25 januari 2012, p. 336 t/m 341 (AH-032).

64 Een geschrift, te weten schriftelijke aantekeningen van [benadeelde], p. 776 (D-113).

65 Een geschrift, te weten schriftelijke aantekeningen van [benadeelde], p. 745 en p. 746 (D-096).

66 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 november 2011, p. 365.

67 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2011, p. 375.

68 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 9 november 2011, p. 346.

69 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2011, p. 374.

70 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 14 december 2011, p. 374.

71 Proces-verbaal d.d. 1 december 2011, p. 211 t/m 212 (AH-025).

72 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 117 t/m 120 (AH-005).

73 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 119 (AH-005).

74 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 121 t/m 123 (AH-006).

75 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 122 (AH-006).

76 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 122 (AH-006).

77 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 126 (AH-007).

78 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 125 t/m 126 (AH-007).

79 Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 oktober 2011, p. 125 (AH-007).

80 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 21 juli 2011, p. 453.

81 Proces-verbaal van Berekening fiscaal nadeel [X] Juristen B.V. d.d. 25 januari 2012, p. 336 t/m 341 (AH-032).