Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11373

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
655109-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige man heeft 140 uur taakstraf gekregen van de rechtbank Den Haag voor het mede plegen van afleveren van vervalste diploma’s en cijferlijsten en het voorhanden hebben van deze stukken. De rechtbank acht bewezen dat de man gedurende twee maanden als koerier is opgetreden voor een persoon die al eerder was veroordeeld voor het opmaken van valse diploma’s en cijferlijsten en de handel daarin.

De rechtbank stelt vast dat diverse personen door zijn handelen hebben kunnen beschikken over diploma’s zonder de betreffende opleiding met succes te hebben afgerond. Het ging om diploma’s voor opleidingen variërend van voortgezet onderwijs tot hoger beroepsonderwijs. Met zijn acties heeft de man niet alleen het maatschappelijk vertrouwen in diploma’s geschaad, maar ook scholieren en studenten benadeeld die de opleidingen wel met succes hebben afgerond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/655109-12

Datum uitspraak: 3 september 2013

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

wonende te [adres] te [woonplaats]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 april 2013 en 20 augustus 2013.

De verdachte is behoorlijk opgeroepen, maar niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting verschenen en gehoord,

mr. M.A.C. de Vilder, advocaat te Amsterdam, bepaaldelijk gevolmachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De officier van justitie mr. D.M. van Gosen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding partieel wordt vrijgesproken voor hetgeen hem onder het eerste en zesde gedachtestreepje ten laste is gelegd en dat verdachte voor het overige ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting (cursief in de tekst opgenomen) - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 12 mei 2011 te 's-Gravenhage en/of Utrecht en/of Amsterdam, en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad (een) vals(e) of vervalst(e) diploma('s) en/of

cijferlijst(en), te weten

- op of omstreeks 18 april 2011 een VWO diploma en/of een cijferlijst op naam van [betrokkene 1] en/of

- op of omstreeks 28 april 2011 een bachelordiploma Industriële Automatisering op naam van [betrokkene 2] en/of

- op of omstreeks 26 april 2011 en/of 2 mei 2011 een HAVO diploma op naam van [betrokkene 3] en/of

- op of omstreeks 27 april 2011 een HBO-diploma Toeristisch Management op naam van [betrokkene 4] en/of

- op of omstreeks 10 mei 2011 een MEAO-diploma op naam van [betrokkene 5] en/of

- in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 30 april 2011 een bachelordiploma Geneeskunde en/of een masterdiploma Geneeskunde en/of (een) cijferlijst(en) op naam van [betrokkene 6] en/of

op of omstreeks 12 mei 2011 een VWO-diploma en/of een VWO-cijferlijst op naam van [betrokkene 7]

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij (telkens) echt en onvervalst, immers zijn bovengenoemd(e) diploma('s) en/of cijferlijst(en) (via het internet) besteld en/of heeft hij, verdachte, dat/die diploma('s) en/of die cijferlijst(en) afgeleverd (terwijl hij, verdachte, niet een vertegenwoordiger van een onderwijsinstelling is) en/of is (bij aflevering) voor dat/die diploma('s) en/of die cijferlijst(en) een geldbedrag betaald.

Partiële vrijspraak.

De rechtbank acht - evenals de officier van justitie en de verdediging - op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder het eerste en zesde gedachtestreepje is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen.

Medeplegen

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat geen sprake kan zijn van het medeplegen van het tenlastegelegde feit, nu [medeverdachte] (gestelde mededader, hierna ook: [medeverdachte]) door de rechtbank Den Haag bij vonnis van 9 november 2011 is vrijgesproken voor het medeplegen. De rechtbank stelt echter vast dat

[medeverdachte] is vrijgesproken met betrekking tot het hem het ten laste gelegde medeplegen van het valselijk opmaken van en de handel in valse diploma’s en cijferlijsten. Verdachte is in de onderhavige zaak het medeplegen van het afleveren en voorhanden hebben van valse diploma’s en cijferlijsten ten laste gelegd. De rechtbank concludeert dat het dossier voldoende bewijsmiddelen bevat om tot de conclusie te kunnen komen dat er tussen verdachte en zijn neef [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot dit feit en zij overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het telefoonnummer dat eindigt op de cijfers

-[cijfers] in de tenlastegestelde periode in gebruik is geweest bij verdachte. Uit het dossier volgt immers dat op momenten dat [medeverdachte] contact opneemt met het nummer eindigend op -[cijfers] en vraagt om ‘een afspraak te doen’, door verbalisanten wordt gezien dat verdachte verschijnt op de met een afnemer afgesproken tijd en plaats, dan wel dat de afnemer later verdachte herkend als degene die op de afspraak kwam. Ook wordt de naam [verdachte] (de voornaam van verdachte) in een gesprek genoemd. Uit de telefoontaps blijkt verder dat er veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen dit nummer en [medeverdachte] en tussen dit nummer en een aantal afnemers met betrekking tot het afspreken van een aflevering. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] de eerste contacten legde met de afnemers en dat hij in een aantal gevallen verdachte heeft gevraagd om de diploma’s af te leveren. De afnemer [betrokkene 4] heeft verklaard dat bij de levering van het diploma twee personen aanwezig waren waarbij ze verdachte herkent als de persoon die door de verkoper als koerier werd aangewezen.

Opzet

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist of had moeten weten van de bestemming van de stukken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Zoals uit bovenstaande volgt is er veelvuldig contact geweest tussen [medeverdachte] en verdachte over het maken van afspraken voor afleveringen en is verdachte bij vijf afleveringen aanwezig geweest. Uit het dossier blijkt dat verdachte in ieder geval bij één aflevering van een diploma contact heeft opgenomen met [medeverdachte] en gevraagd heeft hoeveel geld hij van afneemster krijgt. Bovendien heeft afneemster [betrokkene 3] verklaard dat zij bij verdachte, die zij heeft herkend op een foto, in de auto is gestapt en hem 300 euro heeft betaald waarna haar door hem een diploma werd geleverd. Zij had klachten over het geleverde en heeft dat verdachte direct gezegd en die is vervolgens gaan bellen. Zij kreeg een andere persoon aan de lijn en heeft deze – in aanwezigheid van verdachte – verteld dat ze “dringend verlegen zat om een goed HAVO diploma”. Het is een feit van algemene bekendheid dat diploma’s niet worden gekocht maar behaald. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte wist dat het ging om diploma’s danwel cijferlijsten die valselijk waren opgemaakt.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat verdachte:

hij in de periode van 1 maart 2011 tot en met 12 mei 2011 te 's-Gravenhage en/of Utrecht en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een vals diploma en/of

cijferlijst, te weten

- op 28 april 2011 een bachelordiploma Industriële Automatisering op naam van [betrokkene 2] en

- op of omstreeks 26 april 2011 en 2 mei 2011 een HAVO diploma op naam van [betrokkene 3] en

- op 27 april 2011 een HBO-diploma Toeristisch Management op naam van [betrokkene 4] en

- op 10 mei 2011 een MEAO-diploma op naam van [betrokkene 5] en

- op 12 mei 2011 een VWO-diploma en een VWO-cijferlijst op naam van [betrokkene 7]

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst, immers zijn bovengenoemd(e) diploma('s) en cijferlijst (via het internet) besteld en heeft hij, verdachte, die diploma('s) en die cijferlijst afgeleverd (terwijl hij, verdachte, niet een vertegenwoordiger van een onderwijsinstelling is) en is (bij aflevering) voor die diploma('s) en/of die cijferlijst een geldbedrag betaald.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. De verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende minimaal twee maanden, samen met een persoon die veroordeeld is voor het opmaken van valse diploma’s en de handel daarin, meerdere valse diploma’s en cijferlijsten voorhanden gehad en deze afgeleverd bij afnemers. Door het handelen van verdachte hebben diverse personen kunnen beschikken over diploma’s zonder de betreffende opleiding met succes te hebben afgerond. Deze personen hebben aldus over een diploma beschikt, terwijl zij niet op de voorgeschreven wijze hebben aangetoond de kennis en vaardigheden te bezitten op basis waarvan een dergelijk diploma normaliter zou worden uitgereikt. De maatschappij heeft er groot belang bij om te kunnen vertrouwen op de juistheid van diploma’s en cijferlijsten, nu dit soort geschriften de aanwezigheid van bepaalde kennis en vaardigheden veronderstelt bij de bezitter ervan. Verdachte heeft aldus door zijn handelen het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in de juistheid van dergelijke documenten in ernstige mate geschaad en zijn anderen, die wel de opleidingen met succes hebben afgerond, benadeeld.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een op verdachtes naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 mei 2013, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, zij het niet voor soortgelijke delicten.

De rechtbank is van oordeel dat de strafeis zoals door de officier van justitie geformuleerd een passende is. De rechtbank houdt echter in het voordeel van verdachte iets meer rekening met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank zal verdachte daarom een werkstraf opleggen van na te noemen duur.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 47, 56, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

de voortgezette handeling van:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst

en

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 140 (honderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 70 (zeventig) DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mrs H.M. Boone en R.E. Perquin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Bouda, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2013.