Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:11103

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
AWB 12-32928
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:250, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In een eerdere procedure heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 6 juli 2011 de voorlopige voorziening hangende bezwaar toegewezen, omdat de BMA-adviseur zich nog zal moeten uitlaten over het oordeel van de behandelaar van verzoekster dat een veilige behandelomgeving een voorwaarde is voor de behandeling van het ptss van verzoekster, en voor zover de BMA-adviseur dat oordeel deelt, zal moeten onderzoeken of in het land van herkomst aan de behandelvoorwaarde van een veilige behandelomgeving voor verzoekster kan worden voldaan. Verweerder heeft zich vervolgens in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat op grond van de aanvullende adviezen van BMA van 19 juli 2012 en 25 september 2012 geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de effectiviteit van de behandelmogelijkheden van eiseres in Armenië. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanvullende BMA-adviezen geen nadere motivering vormen, waarom de informatie van de behandelaars, niet tot de conclusie leidt dat er voor eiseres geen effectieve behandelmogelijkheden in Armenië aanwezig zijn vanwege het ontbreken van een door haar als veilig ervaren behandelingsomgeving. Eiseres verwijst in dit verband naar de brieven van de behandelaars van 15 mei 2012 en 14 augustus 2012.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met betrekking tot voormelde brieven van de behandelaars van eiseres niet kan volstaan met de enkele stelling dat deze geen aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de BMA. Anders dan door verweerder in het bestreden besluit is gesteld, kan uit de brieven van de behandelaars niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van (uitsluitend) een verschil van mening. In beide brieven is door de behandelaars de concrete situatie van eiseres belicht. De behandelaars hebben in de brief van 14 augustus 2012 gesteld dat gezien de aard en het ontstaan van de klachten van eiseres, de behandeling van haar posttraumatische klachten in Armenië in een context van zodanige onveiligheid zal plaatsvinden, dat deze behandeling “niet mogelijk” zal zijn. Ook wordt in de brief van 15 mei 2012 al vermeld dat “een zinvolle behandeling zeer waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn”. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een “onaanvaardbare behandeling” welk criterium in voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2012 is opgenomen. Hoewel de BMA-arts in het advies van 19 juli 2012, naast de vermelding dat hij het een niet objectiveerbaar gegeven vindt, heeft vermeld dat de uitlatingen van de behandelaars hem geen aanleiding geven om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Armenië aanwezige behandeling en daarmee is ingegaan op de door de behandelaars gestelde voorwaarde, zijn naar het oordeel van de rechtbank voormelde uitlatingen van de behandelaars onvoldoende bij dit advies betrokken. Allereerst betreft het hier – zoals ook door eiseres in beroep is gesteld - behandelaars met een specifieke psychiatrische deskundigheid. Gelet op de concrete informatie met betrekking tot de aard en het ontstaan van de klachten van eiseres en de noodzakelijke therapie, waaronder de voorwaarde van een veilige behandelomgeving, door de behandelaars vanuit hun specifieke deskundigheid aangedragen, had het BMA zich meer specifiek en gemotiveerd dienen uit te laten over de vraag of al dan niet aanleiding bestond tot gerede twijfel over de effectiviteit van de door eiseres in Armenië te ondergane behandeling. De omstandigheid dat de brief van de behandelaars van 14 augustus 2012 nog op 5 september 2012 door verweerder is voorgelegd aan het BMA, zag slechts op de vraagstelling of de stelling van de behandelaars dat eiseres een cognitieve therapie of EMDR na stabilisatie zou moeten volgen, tot een ander standpunt zou moeten leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de voorbereiding van de BMA-nota van 25 september 2012 aldus ook onvoldoende geweest. Bovendien kan deze aanvullende nota gezien de inhoud niet worden beschouwd als een gemotiveerde reactie op de brief van de behandelaars van 14 augustus 2012 nu de BMA-arts daarin verder ook niet op de inhoud van de brief van 14 augustus 2012 van de behandelaars is ingegaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/32928 (beroep)

AWB 12/32931 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 13 juni 2013 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Armeense nationaliteit,

eiseres, verzoekster,

hierna te noemen eiseres,

(gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Bij besluit van 16 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de gronden van de voorlopige voorziening heeft eiseres verzocht verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F. Fonville, waarnemend voor de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen in het dossier ontbrekende brieven van behandelaars te overleggen.



De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek, met toestemming van partijen, op 23 april 2013 gesloten.



Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het volgende.

Eiseres heeft op 13 maart 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 14 september 2010 (AWB 09/36574), is het hiertegen ingediende beroep ongegrond verklaard.
Op 9 december 2010 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend.

Bij uitspraak van 6 juli 2011 (AWB 11/16671) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het bezwaarschrift toegewezen. In deze uitspraak is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

"Nu het standpunt van de behandelend arts, dat een veilige behandelomgeving een voorwaarde is voor behandeling van verzoekster en dat aan die voorwaarde niet wordt voldaan indien zij terugkeert naar Armenië, niet is voorgelegd aan het Bureau medische advisering (BMA), zal de BMA-adviseur zich nog dienen uit te laten over het oordeel van de behandelaar van verzoekster dat een veilige behandelomgeving een voorwaarde is voor de behandeling van het post traumatische stresssyndroom (ptss) van verzoekster, en voorzover de BMA-adviseur dat oordeel deelt, dienen te onderzoeken of in het land van herkomst aan de behandelvoorwaarde van een veilige behandelomgeving voor verzoekster kan worden voldaan."

2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat op grond van het aanvullend advies van 19 juli 2012 en de aanvullende nota van 25 september 2012, uitgebracht door het BMA, geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de effectiviteit van de behandelmogelijkheden in Armenië van eiseres.

3.

Eiseres voert aan dat, anders dan verweerder stelt, de verwijzing naar een aanvullend advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 19 juli 2012, in combinatie met het BMA-protocol van oktober 2010, geen (nadere) motivering vormt waarom de informatie van de behandelaars niet tot de conclusie leidt dat er voor eiseres geen effectieve behandelmogelijkheden in Armenië aanwezig zijn vanwege het ontbreken van een door haar als veilig ervaren behandelingsomgeving. Immers, niet alleen hebben de behandelaren hun oordeel over de noodzaak van een veilige behandelomgeving – en het ontbreken daarvan in het land van herkomst – toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van eiseres maar bovendien gemotiveerd dat de behandeling van haar posttraumatische klachten in Armenië in een context van zodanige onveiligheid zal plaatsvinden dat die behandeling als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 april 2012 (LJN: BW4268) en 2 mei 2012 (LJN: BW4886), met name rechtsoverweging 3.5.4. (naar de rechtbank begrijpt: 2.5.4.). Eiseres heeft in dit verband aangehaald de brieven van de behandelaars van Centrum ’45 van 15 mei 2012 en 14 augustus 2012.

3.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, is het advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag in beginsel van zulk een advies uitgaan. Dat betekent dat het tot de verantwoordelijkheid en deskundigheid van het BMA behoort om te beoordelen of meerdere bronnen nodig zijn in verband met de advisering.

3.2

In het advies van het BMA van 23 maart 2012 verklaart de medisch adviseur dat bij eiseres onder meer een chronisch posttraumatisch stresssyndroom (ptss) is vastgesteld. Tevens is er sprake van somberheid, verminderde eetlust, weinig energie, interesseverlies, verminderd zelfgevoel en slechte concentratie. De behandelaar van eiseres is tot de diagnose gekomen van ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Eiseres krijgt voor haar klachten medicatie en staat onder behandeling van een psychiater van Stichting Centrum ’45. De behandeling door de psychiater is in principe van tijdelijke aard, waarbij een termijn voor de behandeling van minimaal 18 maanden aan de orde is. Vermeld is dat de behandelaar aangeeft dat een veilig ervaren behandelomgeving een essentiële voorwaarde is voor het slagen van een traumabehandeling, evenals een vertrouwensrelatie en een steunend sociaal netwerk. Naar huidige medische inzichten zal uitblijven van de genoemde behandeling kunnen leiden tot een medische noodsituatie, gelet op de combinatie van chronische ptss en een ernstige depressie met psychotische fenomenen en suïcidale gedachten, waarbij in juni 2011 een spoedbeoordeling van de crisisdienst heeft plaatsgevonden. Gelet op de aard en ernst van de klachten van verzoekster, wordt in dit geval, zonder behandeling een medische noodsituatie op korte termijn niet uitgesloten. Wat betreft het aspect dat een veilig ervaren behandelomgeving in het land van herkomst en het opbouwen van een vertrouwensrelatie een belangrijke voorwaarde is voor de effectiviteit van de behandeling, merkt het BMA het volgende op. Het is medisch gezien niet te objectiveren en te voorspellen hoe iemand zich in de toekomst na een eventuele terugkeer kan voelen. Speculatie hierover past niet in een professioneel advies. Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in het land van herkomst/land van eventuele verwijdering, wordt geconcludeerd dat deze aanwezig is.

3.3

Bij brief van 15 mei 2012 hebben de behandelaars van eiseres, psycholoog en psychiater bij Stichting Centrum ’45, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt.

“Traumatisering en chronische PTSS gaan nadrukkelijk over gevoelens van onveiligheid en angst, die door de traumatische ervaringen ingesleten worden in het psychologische en biologische systeem. (…) Het belang van een veilige behandelomgeving gaat in het geval van mevrouw [naam 1] over ervaren onveiligheid in het licht van deze bestaande psychische problematiek. (…)

Het oordeel over het belang van een veilige behandelomgeving en gevoelens van onveiligheid baseren wij op informatie verkregen uit het directe contact met mevrouw [naam 1] en op basis van onze eigen professionele competentie.

In het behandelcontact met mevrouw [naam 1] laat zij de volgende symptomen en uitingen van onveiligheid zien. Mevrouw [naam 1] voelt zich door onder andere het zien van tv beelden van nieuwsuitzendingen, het zien van bloed van een kamergenoot, het moeten omgaan met onbekende mannen in haar woonomgeving en gesprekken met een mannelijke telefonische tolk, onveilig en angstig en krijgt herbelevingen van de traumatische gebeurtenissen in Armenië. In het AZC wordt ze soms geconfronteerd met politiemensen waardoor ze zeer angstig wordt en paniekgevoelens en ernstige herbelevingen heeft. Ook zijn er twee vrouwen aan haar deur gekomen waarvan ze een vrouw aanzag als een van de mensen die haar mishandeld hebben in het land van herkomst waardoor ze zich onveilig voelde en angstig werd.(…)

Het terugkeren naar het land en de plek van traumatisering zal dus gebaseerd op deze benoemde symptomen met hoge mate van waarschijnlijkheid veel onveiligheid en angst genereren dat in combinatie met het lijden aan psychotische overschrijdingen van de PTSS en depressieve kenmerken tot een verslechtering van haar toestandsbeeld kan leiden en tot psychische decompensatie. Een negatieve invloed op de stabilisatie van haar symptomen is hoogstwaarschijnlijk. Een zinvolle behandeling zal zeer waarschijnlijk niet mogelijk zijn. Daarbij van belang is ook dat hevige angsten en gevoelens van wanhoop (…)hebben geleid tot een medische noodsituatie in juni 2011 (…) Het blijkt dat mevrouw [naam 1] de behandelomgeving waarin ze zich nu bevindt als meest veilig ervaart. (…)”

3.4

In het BMA-advies van 19 juli 2012, dat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, is, voor zover van belang, het volgende opgenomen ten aanzien van eiseres.

“De behandelend psycholoog [naam 2] en psychiater [naam 3] van de Stichting Centrum '45 stellen in de brief van 15 mei 2012 hun visie over de veilige behandelomgeving (…) Of een geïndiceerde behandeling bij een psychiatrische patiënt effectief zal zijn hangt niet alleen af van de beschikbaarheid van psychiaters en psychiatrische medicatie. De effectiviteit van een behandeling is afhankelijk van diverse factoren, zoals de aanwezigheid van een steunsysteem bestaande uit familieleden, vrienden en kennissen, voldoende financiële middelen om de behandeling te bekostigen, passende huisvesting, een zinvolle dagbesteding en natuurlijk ook de medewerking van de patiënt zelf. Het totaal van deze omstandigheden is bepalend voor het welslagen van een psychiatrische (traumaverwerkende) behandeling.(…) Een gevoel van (on) veiligheid met betrekking tot de behandelomgeving dient gezien te worden als onderdeel van het totale complex aan omstandigheden die een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de mentale toestand van de patiënt. Gevoelens van (on)veiligheid zijn echter subjectief en medisch gezien niet objectiveerbaar. Het is daarom voor een (BMA-)arts niet mogelijk om een medisch gefundeerde uitspraak te doen ten aanzien van de vraag of betrokkene de behandelomgeving in Armenië als veilig zal ervaren(…). Evenmin is door de (BMA-)arts te beoordelen welke invloed dat heeft op het welslagen van de behandeling (effectiviteit van de behandeling), omdat hierbij ook vele andere factoren van betekenis zijn. In het algemeen kan niet als juist worden aanvaard de stelling dat de behandeling van psychische klachten in het land waar de oorzaak van die klachten ligt of wordt vermoed te liggen niet of niet succesvol kan plaatsvinden (zie de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 8 mei 2012, kenmerk C2011,.221, LJN: YG1750(…)
Mede in het licht van het bovenstaande geven de uitlatingen van behandelaars ten aanzien van het ontbreken van een als veilig ervaren behandelomgeving mij geen aanleiding om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Armenië aanwezige behandeling.(…)

3.5

Bij brief van 14 augustus 2012 hebben de behandelaars van eiseres, voor zover van belang, het volgende opgemerkt.

“(…)In het land waar de traumatisering van mevrouw [naam 1] heeft plaatsgevonden, ernstige mishandeling door de Armeense politie bij een demonstratie, overlijden van haar schoonzoon door de demonstratie en bedreigingen van de schoonfamilie, zal het gevoel van onveiligheid zo sterk aanwezig zijn dat in het geval van mevrouw [naam 1] een effectieve trauma behandeling niet mogelijk is.(…) Als behandelaren in een gespecialiseerd 3e lijns trauma instelling, erkend als landelijk geaccriditeerd Topreferent Trauma Centrum, kunnen wij wel een uitspraak doen over de effectiviteit van behandelingen voor psychiatrische problematiek, waaronder in het bijzonder trauma gerelateerde problematiek. Het gevoel van onveiligheid is juist een onderdeel van het psychiatrisch beeld van mevrouw [naam 1] en niet van de omstandigheden. Zoals uitgebreid genoemd en individueel toegespitst in ons schrijven d.d. 15 mei 2012 is het gevoel van onveiligheid en angst een onderdeel van traumatisering en chronische PTSS dat ingesleten is in het psychologische en biologische systeem.(…) Voor een effectieve traumabehandeling (…) is het nodig dat zij naast medicatie en wekelijkse behandelgesprekken in de stabilisatie fase, een van de evidence-based traumabehandelingen krijgt, gesteld in de GGZ richtlijnen, namelijk traumagerichte cognitieve gedragstherapie of EMDR.”

3.6

In de nota van 25 september 2012 heeft het BMA op de vraag van verweerder of de nodig geachte therapie niet tot een ander oordeel zou dienen te leiden, als volgt geantwoord. “Wanneer EMDR of cognitieve gedragstherapie gaat starten, is nog niet te voorspellen en bovendien wordt de vraag beantwoord of er voldoende behandelmogelijkheden zijn om op korte termijn een medische noodsituatie te voorkomen. Dat wil zeggen dat de conclusie kan zijn dat er voldoende behandelmogelijkheden zijn, zonder dat de behandeling één op één wordt overgenomen.”

3.7

Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat in het advies van 19 juli 2012 en het BMA-protocol van oktober 2010, nader is gemotiveerd waarom, onder meer de brieven van 15 mei 2012 en 14 augustus 2012, niet leiden tot de twijfel aan de conclusie van het BMA dat er voor eiseres effectieve behandelmogelijkheden in Armenië zijn.

3.8

Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2012 (LJN BW4886) kan worden afgeleid dat wanneer de behandelaars van een vreemdeling zich op het standpunt stellen en toelichten dat gezien de aard en het ontstaan van de klachten van de vreemdeling, de behandeling van posttraumatische klachten in Armenië in een context van zodanige onveiligheid zal plaatsvinden dat die behandeling als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt, de arts van het BMA zich nader gemotiveerd dient uit te laten over deze door de behandelaars gestelde voorwaarde van een veilige behandelomgeving.

3.9

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met betrekking tot voormelde brieven van de behandelaars van eiseres niet kan volstaan met de enkele stelling dat deze geen aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de BMA. Anders dan door verweerder in het bestreden besluit is gesteld, kan uit de brieven van de behandelaars niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van (uitsluitend) een verschil van mening. In beide brieven is door de behandelaars de concrete situatie van eiseres belicht. De behandelaars hebben in de brief van 14 augustus 2012 gesteld dat gezien de aard en het ontstaan van de klachten van eiseres, de behandeling van haar posttraumatische klachten in Armenië in een context van zodanige onveiligheid zal plaatsvinden, dat deze behandeling “niet mogelijk” zal zijn. Ook wordt in de brief van 15 mei 2012 al vermeld dat “een zinvolle behandeling zeer waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn”. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een “onaanvaardbare behandeling” welk criterium in voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2012 is opgenomen. Hoewel de BMA-arts in het advies van 19 juli 2012, naast de vermelding dat hij het een niet objectiveerbaar gegeven vindt, heeft vermeld dat de uitlatingen van de behandelaars hem geen aanleiding geven om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Armenië aanwezige behandeling en daarmee is ingegaan op de door de behandelaars gestelde voorwaarde, zijn naar het oordeel van de rechtbank voormelde uitlatingen van de behandelaars onvoldoende bij dit advies betrokken. Allereerst betreft het hier – zoals ook door eiseres in beroep is gesteld - behandelaars met een specifieke psychiatrische deskundigheid. Gelet op de concrete informatie met betrekking tot de aard en het ontstaan van de klachten van eiseres en de noodzakelijke therapie, waaronder de voorwaarde van een veilige behandelomgeving, door de behandelaars vanuit hun specifieke deskundigheid aangedragen, had het BMA zich meer specifiek en gemotiveerd dienen uit te laten over de vraag of al dan niet aanleiding bestond tot gerede twijfel over de effectiviteit van de door eiseres in Armenië te ondergane behandeling. De omstandigheid dat de brief van de behandelaars van 14 augustus 2012 nog op 5 september 2012 door verweerder is voorgelegd aan het BMA, zag slechts op de vraagstelling of de stelling van de behandelaars dat eiseres een cognitieve therapie of EMDR na stabilisatie zou moeten volgen, tot een ander standpunt zou moeten leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de voorbereiding van de BMA-nota van 25 september 2012 aldus ook onvoldoende geweest. Bovendien kan deze aanvullende nota gezien de inhoud niet worden beschouwd als een gemotiveerde reactie op de brief van de behandelaars van 14 augustus 2012 nu de BMA-arts daarin verder ook niet op de inhoud van de brief van 14 augustus 2012 van de behandelaars is ingegaan.

4.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de BMA-advisering voorafgaand aan het in beroep bestreden besluit niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen voor wat betreft zorgvuldigheid en motivering. Verweerder heeft daarom in onvoldoende mate voldaan aan zijn vergewisplicht. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en gemotiveerd in het licht van de door de behandelaars van eiseres gegeven concrete informatie. Aan het bestreden besluit kleeft dan ook een gebrek wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Reeds hierom dient het besluit te worden vernietigd. Gelet op de aard van het gebrek, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

5.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472,-, wegingsfactor 1).

6.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening

7.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

8.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 472,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op € 156,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht in verband met het beroep;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiseres in verband met het beroep.

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op € 156,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht in verband met het verzoek;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 472,- te betalen aan eiseres in verband met het verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Sassenburg , rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.