Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10770

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
22-08-2013
Zaaknummer
AWB 13/13500, 13/13511, 13/13517, 13/13547
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eisers hebben aangevoerd dat hun belangen de oplegging van een maatregel in de weg staan. Eisers verbleven in Leersum. De vader is onder behandeling van het RIAGG, de moeder is aldaar opgenomen bij GGZ en zoon heeft een ontwikkelingsachterstand waarvoor hij is opgenomen in een dagverblijf. De overige twee kinderen werden ten tijde van het opleggen van de maatregel in beslag genomen door een stage respectievelijk eindexamen. Daarbij komt dat het vervoer van hun zoon vanuit de gezinslocatie Amersfoort naar het medisch dagverblijf niet geregeld kan worden.

Rechtbank: geen enkele indicatie in het dossier dat opvang in Leersum was beëindigd. Daarbij is van belang dat die opvang al geruime tijd werd geboden. Bij de belangenafweging dient daarom de feitelijke situatie in Leersum te worden genomen. Voorts dienen de bij de voortduring van die situatie bestaande belangen, in het bijzonder verwoord in de adviezen van Riagg en Nidos, te worden betrokken. Uit de stukken noch uit verweerders toelichting is gebleken dat verweerder voorafgaand aan de maatregel een dergelijke belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft daarom in redelijkheid de maatregel niet aan eisers kunnen opleggen. Maatregel is van meet af aan onrechtmatig.

Beroep gegrond. Redelijk een immateriële schadevergoeding toe te kennen van 35 euro per persoon per dag dat zij de maatregel hebben ondergaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13 / 13500 (beroep)

AWB 13 / 13511 (beroep)
AWB 13 / 13517 (beroep)

AWB 13 / 13547 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 juni 2013 in de zaken tussen

1.

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum],

2.

[eiser],

geboren [geboortedatum]

3.

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum],

mede namens haar minderjarige kinderen:

4.

[eiser],
geboren op [geboortedatum],

5.

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

eisers en eiseres, verzoekers en verzoekster,

hierna gezamenlijk te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, advocaat te Sittard),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Soylemez, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft verweerder met toepassing van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan eisers de verplichting opgelegd met ingang van 27 mei 2013 te verblijven in de gemeente Amersfoort.

Op 27 mei 2013 hebben eisers beroep ingesteld tegen voornoemd besluit en verzocht om schadevergoeding.

Voorts hebben eisers de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat het besluit tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel en tot overplaatsing wordt geschorst, totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2013. Eisers 1,2 en 3 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer [naam 1], namens de gezinsvoogdes Nidos.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, Vw kan door verweerder overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:
a. geen rechtmatig verblijf heeft;
b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.

2.

Ingevolge artikel 5.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid Vw, bestaan uit:
a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden,

3.

Verweerder heeft aan eisers de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vw opgelegd met de overweging dat het belang van de openbare orde dit vordert en daarbij tevens van belang geacht dat eisers:
a. - niet hebben voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten;
b - geen vaste woon of verblijfplaats hebben noch over voldoende middelen van bestaan beschikken waardoor het gevaar bestaat dat eisers zich aan uitzetting zullen onttrekken;
c - in verband met hun aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens hebben verstrekt met betrekking tot hun identiteit of reis naar Nederland;
d - zich zonder noodzaak hebben ontdaan van hun reisdocumenten;
e - andere reden(en): eisers hebben bij herhaling verklaard niet terug te willen keren naar hun land van herkomst.

4.

Uit de stukken komt naar voren dat eisers asielaanvragen zijn geweigerd en dat zij thans al enige jaren zijn uitgeprocedeerd. Thans loopt nog een procedure ten aanzien van het verzoek om uitstel van vertrek op medische gronden. Eisers mogen het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar in Nederland afwachten. Zij verbleven ten tijde van het opleggen van de maatregel in het AZC te [plaats 1].

5.1.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het belang van de openbare orde de maatregel niet rechtvaardigt en bestrijden in de eerste plaats de omstandigheden die verweerder aan de besluiten ten grondslag heeft gelegd.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, nu enige onderbouwing of toelichting ontbreekt, de hierboven onder c. en d. weergegeven omstandigheden niet aan de besluiten ten grondslag kunnen leggen.

5.3.

De overige omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank wel kunnen hanteren. De rechtbank betrekt hierbij de door verweerder ter zitting gegeven toelichting. Ten aanzien van de omstandigheden genoemd onder a. en e. heeft verweerder toegelicht dat de nog lopende procedure geen rechtmatig verblijf vestigt en slechts kan leiden tot uitstel van vertrek en voorts dat uit de vertrekgesprekken blijkt dat eisers zelf onvoldoende activiteiten gericht op hun terugkeer ondernemen. Dat, zoals eisers hebben betoogd, de terugkeer thans hangende het verzoek om voorlopige voorziening, niet aan de orde is en dat dit ook al in een eerder stadium het geval is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de omstandigheden genoemd onder a. en e. zich niet voordoen. Ten aanzien van de onder b genoemde omstandigheid heeft verweerder toegelicht dat de woonplaats en middelen waarover eisers thans kunnen beschikken hun bij wijze van opvang worden geboden, terwijl de voortduring daarvan onzeker is. Naar het oordeel van de rechtbank doen deze omstandigheden zich feitelijk voor, nu niet in geschil is dat de voortduring van de ten tijde van de besluiten geboden opvang onzeker was, en gesteld noch gebleken is dat eisers anderszins zelf een vast adres en financiële middelen tot hun beschikking hebben.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de hierboven onder 5.3 genoemde omstandigheden de oplegging van de maatregel dragen.

6.

Dit laat onverlet dat verweerder gehouden is een belangenafweging te maken.

7.1.1 Eisers hebben verder aangevoerd dat hun belangen aan oplegging van de maatregel in de weg staan. Zij wijzen er op dat eiser 1 (de man) onder behandeling is van het RIAGG; dat eiseres 3 (de moeder) is opgenomen bij de GGZ te [plaats 2]; dat zoon [naam 2] een ontwikkelingsachterstand heeft en deels in een pleeggezin, deels in een medisch kinderdagverblijf en deels bij het gezin van eisers verblijft; dat zowel zoon [naam 2] als zoon [naam 4] gezien de gezinsproblematiek onder toezicht van het Nidos zijn gesteld; dat zoon [naam 3] en zoon [naam 4] ten tijde van het opleggen van de maatregel in beslag werden genomen door een stage respectievelijk eindexamen. Eisers hebben onder meer overgelegd een brief van het RIAGG waarin staat beschreven dat een complexe hulpverleningssituatie bestaat en dat overplaatsing naar een andere regio wordt afgeraden; een brief van gezinsvoogdes Nidos, die zakelijk inhoudt dat het Nidos erop aandringt dat gezien de problematiek het gezin niet wordt overgeplaatst en voorts een brief van het medisch kinderdagverblijf.

7.1.2 Ter zitting hebben eisers aan een en ander nog toegevoegd dat het vervoer voor [naam 2] vanuit Amersfoort naar het medisch kinderdagverblijf niet geregeld kan worden. Eisers zijn daarvoor afhankelijk van de welwillendheid van het pleeggezin; echter kan er niet van worden uitgegaan dat het pleeggezin [naam 2] naar het kinderdagverblijf zal willen blijven brengen.

7.1.3. Eisers wijzen er voorts op dat zij al lange tijd in dezelfde situatie zitten en dat onduidelijk is waarom de maatregel thans zou moeten worden opgelegd.

7.2.

Verweerder heeft ter zitting betoogd dat het besluit gelezen moet worden in samenhang met de verslagen van de vertrekgesprekken. Daaruit blijkt dat wel een belangenafweging is gemaakt. Verweerder heeft zo goed mogelijk met de gezinsproblematiek rekening gehouden. Amersfoort is gekozen vanwege de relatief nabije ligging zodat de bestaande hulpverlening zoveel mogelijk kan worden voortgezet. Ten aanzien van de belangenafweging dient de situatie die door oplegging van de maatregel zal ontstaan volgens verweerder te worden vergeleken met de situatie waarin het gezin op straat staat. Immers heeft het gezin geen recht op de opvang in [plaats 1]. Gelet daarop is de maatregel niet onevenredig te achten. Dat de huidige situatie al lang duurt is geen reden om de maatregel achterwege te laten, maar juist een reden voor verweerder om door toepassing van de maatregel meer grip op het gezin en de inspanningen gericht op terugkeer te verkrijgen.

7.3

De rechtbank stelt voorop dat het dossier geen enkele indicatie bevat dat ten tijde van het opleggen van de maatregel de feitelijk geboden opvang in [plaats 1] was beëindigd of op korte termijn beëindigd zou worden. Daarbij is mede van belang dat die opvang onbetwist al geruime tijd is geboden. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting slechts gesteld dat eveneens al geruime tijd geen recht op die opvang meer bestaat en dat niet zeker is of en hoe lang die opvang gecontinueerd zou worden. Naar het oordeel van de rechtbank dient bij die stand van zaken in de belangenafweging de bij oplegging van de maatregel feitelijk in [plaats 1] bestaande situatie als uitgangspunt te worden genomen. En voorts dienen de bij voortduring van die situatie bestaande belangen, in het bijzonder verwoord in de adviezen van Riagg en Nidos, te worden betrokken. Tot die belangen behoren ook het belang van de vervoersmogelijkheid van [naam 2] naar het kinderdagverblijf en, nu van een recente relevante wijziging in de omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet is gebleken, het belang enig uitstel te krijgen in verband met de door eisers aangevoerde opleidingsomstandigheden van zoon [naam 3] en zoon [naam 4].

7.4.

De rechtbank overweegt dat noch uit de stukken noch uit verweerders toelichting ter zitting is gebleken dat verweerder voorafgaand aan de maatregel een dergelijke belangenafweging heeft gemaakt. Dat verweerder, zoals uit de vertrekgesprekken naar voren komt, heeft gepoogd de maatregel zo op te leggen dat de bestaande hulpverlening zoveel mogelijk in stand kan blijven, is voor een ander oordeel onvoldoende. Daarbij is mede van belang dat verweerder niet heeft betwist dat vanuit Amersfoort het vervoer van zoon [naam 2] naar het medisch kinderdagverblijf niet kan worden geregeld.

7.5

Nu een belangenafweging als boven bedoeld achterwege is gebleven heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet aan eisers kunnen opleggen.

8.1

Het beroep is gegrond.

8.2

Nu de aan eisers opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest komen eisers met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. De rechtbank acht het redelijk aan eisers ten gevolge van de ten onrechte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel een immateriële schadevergoeding toe te kennen van € 35,- per persoon per dag dat zij die maatregel hebben ondergaan, derhalve komt aan eisers gezamenlijk € 175,- per dag toe. De rechtbank stelt vast dat eisers ten onrechte gedurende 10 dagen (27 mei 2013 tot en met 6 juni 2013) in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt, zodat aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding aan eisers tot een totaal bedrag van
€ 1750,- (10 x € 175,-).

8.3.

Overeenkomstig artikel 8:75, eerste lid, van de Awb zal verweerder worden veroordeeld in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten is € 944,- (1 punt voor het indienen van samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

9.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10.

Nu in de hoofdzaken wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11.

Het bedrag van de aan eisers te vergoeden proceskosten in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening is € 944,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;  
- beveelt de opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregelen met ingang van 6 juni 2013;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding toe en draagt verweerder op € 1750,- te betalen aan eisers;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eisers.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eisers.  

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Meijden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2013.

griffier rechter

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1750,-. Aldus gedaan op 6 juni 2013 door mr. A.J. Dondorp, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.