Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10721

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2013
Datum publicatie
22-08-2013
Zaaknummer
818181-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige man uit Gouda krijgt van de Haagse rechtbank een celstraf van zes jaar, voor een poging tot moord, rijden onder invloed en gevaarlijk rijgedrag. Hij reed naar het oordeel van de rechtbank opzettelijk met een personenauto in op een motorrijder op de A12 tussen Den Haag en Zoetermeer. De man is daarnaast zeven jaar lang zijn rijbewijs kwijt.

De rechtbank stelt vast dat de 22-jarige man op 27 april 2013 meerdere malen op verschillende manieren geprobeerd heeft de motorrijder ten val te brengen. Hij is met zeer hoge snelheid dicht achter hem gaan rijden, heeft hem meermalen van achteren aangereden, heeft hem ingeklemd, weggedrukt en is voor hem gaan rijden om vervolgens plotseling te remmen. Het kan niet anders dan dat de man uit Gouda opzettelijk de motorrijder van het leven wilde beroven, zo oordeelt de rechtbank.

Het verweer van de autobestuurder dat zijn rijgedrag werd veroorzaakt door extreme en acute stress, wordt door de rechtbank verworpen. De 22-jarige man heeft verklaard dat hij kort tevoren door een man met een pistool was bedreigd vanuit een zwarte Golf 5 die naast hem stond voor een verkeerslicht. De rechtbank noemt deze verklaring zeer onwaarschijnlijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 289
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/818181-13

Datum uitspraak: 22 augustus 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats],

adres: [adres] te [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentaire inrichting].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 augustus 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.J. Kemkers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.M. van Dam, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 april 2013 in de gemeente Den Haag en/of Zoetermeer, op de A12 tussen Den Haag en Zoetermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- meermalen, althans eenmaal, met een auto ( Volkswagen Golf) (met zeer hoge, althans verhoogde snelheid) tegen de (achterzijde van de) motor van die [slachtoffer] is gebotst/gereden en/of

- met zijn auto links van die [slachtoffer] is gaan rijden en steeds dichter/op (zeer) korte afstand op/naar die [slachtoffer] is gaan rijden, waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen uit te wijken naar/in de richting van een rechts van hem ([slachtoffer])(op zeer korte afstand) rijdende vrachtwagen en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal heeft gesneden en/of steeds dichter/op zeer korte afstand op/naar die [slachtoffer] is gaan rijden, waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen uit te wijken naar/in de richting van de vluchtstrook en/of de vangrail,

terwijl hij, verdachte, ten tijde van voornoemde handelingen onder invloed van alcohol verkeerde,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2013 in de gemeente Den Haag en/of Zoetermeer, op de A12 tussen Den Haag en Zoetermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om al dan niet met

voorbedachten rade aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal, met een auto ( Volkswagen Golf) (met zeer hoge, althans verhoogde snelheid) tegen de (achterzijde van de) motor van die [slachtoffer] is gebotst/gereden en/of

- met zijn auto links van die [slachtoffer] is gaan rijden en steeds dichter/op (zeer) korte afstand op/naar die [slachtoffer] is gaan rijden, waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen uit te wijken naar/in de richting van een rechts van hem ([slachtoffer])(op zeer korte afstand) rijdende vrachtwagen en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal heeft gesneden en/of steeds dichter/op zeer korte afstand op/naar die [slachtoffer] is gaan rijden, waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen uit te wijken naar de vluchtstrook en/of de vangrail,

terwijl hij, verdachte, ten tijde van voornoemde handelingen onder invloed van alcohol verkeerde,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 april 2013 in de gemeente Den Haag en/of Zoetermeer (op de A12 van Den Haag naar Zoetermeer) als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 330 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken dan wel indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

art 8 lid 3 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3.

hij op of omstreeks 27 april 2013 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A12 en/of de Oostweg,

- met (zeer) hoge snelheid vanaf de A12 de afrit van afslag 7 Zoetermeer Oost is opgereden en/of

- zonder (voldoende) vaart te minderen op het kruisingsvlak A12/Oostweg rechtdoor over de middengeleider is geschoten waarbij de carterpan van het motorblok van verdachtes auto beschadigd raakte en olie begon te lekken en/of

- vervolgens op de rijbaan van de Oostweg voor het verkeer in tegengestelde richting terecht is gekomen, tegen een aldaar rijdende personenauto (Opel)

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op zaterdag 27 april 2013 omstreeks 08.32 uur is verdachte aangehouden, nadat hij in zijn personenauto vanaf de afrit van de A12 (afrit 7 Zoetermeer Oost) het kruisingsvlak met de Oostweg op was komen rijden en aldaar in aanrijding was gekomen met een andere personenauto. Vrijwel direct daarna kwam de heer [slachtoffer] aanlopen, die vertelde dat verdachte hem kort daarvoor op de A12 meerdere malen van zijn motor had geprobeerd te rijden. [slachtoffer] heeft van dit feit aangifte gedaan tegen verdachte. Op het politiebureau bleek dat verdachte meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken.

Op grond van het voorgaande is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord dan wel doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] (feit 1), rijden onder invloed (feit 2) en gevaarzetting op de A12 en de Oostweg (feit 3).

Aan de rechtbank is ter beoordeling of deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder

1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 (impliciet) primair en subsidiair (poging tot moord/ doodslag) ten laste gelegde, omdat geen sprake is van voorbedachte rade en verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever. Ten aanzien van het onder 1 (expliciet) subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op grond van de aangifte van [slachtoffer] stelt de rechtbank vast dat hij op zaterdag 27 april 2013 omstreeks 8.27 uur op een motorfiets op de Ammunitiehaven te Den Haag reed. Op de kruising met de Nieuwe Haven zag [slachtoffer] een grijze personenauto van het merk Volkswagen, type Golf (hierna: de Golf), voor de verkeerslichten stilstaan, terwijl de verkeerslichten op groen stonden. [slachtoffer] reed de Golf voorbij en keek naar de bestuurder van de Golf. Zij hebben op dat moment geen oogcontact gemaakt. Vervolgens reed [slachtoffer] het Prins Bernhardviaduct op. Toen [slachtoffer] ongeveer 200 meter van eerdergenoemde kruising verwijderd was, zag hij dat de Golf hem met hoge snelheid van achteren naderde. [slachtoffer] reed op dat moment met een snelheid van ongeveer 40 km/uur achter een vrachtwagen. De Golf naderde [slachtoffer] tot een afstand van ongeveer

2 meter, waarna de Golf plotseling naar links stuurde en [slachtoffer] en de vrachtwagen inhaalde. De Golf en [slachtoffer] zijn vervolgens richting de A12 gereden.2 Dit deel van de verklaring van [slachtoffer] wordt op onderdelen ondersteund door camerabeelden van het Prins Bernhardviaduct waarop hij en de verdachte te zien zijn vlak na hun eerste ontmoeting op de kruising bij de Nieuwe Haven. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte om 8.28 uur met hoge snelheid over het Prins Bernhardviaduct in de richting van de A12 rijdt. Vijf seconden later is te zien dat [slachtoffer] achter een vrachtwagen over het Prins Bernhardviaduct eveneens in de richting van de A12 rijdt.3

Toen [slachtoffer] op de oprit naar de A12 reed, zag hij dat de Golf ongeveer 200 meter voor hem op de A12 richting Zoetermeer reed. [slachtoffer] reed ook de A12 op en zag dat de Golf vaart minderde. [slachtoffer] haalde de Golf links in en reed verder de A12 op. Vervolgens zag [slachtoffer] de Golf ineens weer vlak achter hem rijden. Hierop is [slachtoffer] ongeveer 130 km/uur gaan rijden, maar de Golf bleef heel dicht achter hem rijden. Plotseling haalde de Golf [slachtoffer] links in met ongeveer 150 km/uur en ging voor hem op dezelfde rijstrook rijden. [slachtoffer] reed op dat moment nog steeds 130 km/uur en zag dat de remlichten van de Golf voor hem gingen branden. [slachtoffer] besloot om de snelweg af te gaan om aan de bestuurder van de Golf te ontkomen. Toen [slachtoffer] op ongeveer 50 meter voor de afrit Nootdorp zijn richtingaanwijzer naar rechts aanzette, reed de Golf ook ineens de afrit Nootdorp op. Doordat de Golf bleef remmen, kon [slachtoffer] de afrit niet oprijden. [slachtoffer] besloot om op te A12 te blijven rijden. Hij zag dat de Golf vlak voor de afrit met hoge snelheid over het witte puntstuk (de rechtbank begrijpt: het verdrijvingsvlak) de A12 weer opreed. De Golf reed daarbij rakelings langs [slachtoffer] en [slachtoffer] zag en voelde dat er steentjes en gruis tegen zijn motor en tegen zijn gezicht aankwamen.4

[slachtoffer] heeft vervolgens vol gas gegeven om aan de bestuurder van de Golf te ontkomen, waarbij de snelheden opliepen tot 180 à 200 km/uur. [slachtoffer] heeft de Golf ingehaald en is op de meest linker rijbaan gaan rijden. De Golf ging ook op de linker rijbaan rijden en reed hard achter [slachtoffer] aan.5

Getuige [getuige 4], die op dat moment ook op de meest linkerbaan van de A12 richting Gouda reed, zag achter zich een motorrijder hard aan komen rijden en is één rijbaan naar rechts opgeschoven. [getuige 4] zag dat de motorrijder hem links inhaalde, direct gevolgd door een grijze Volkswagen Golf 4, die op zeer korte afstand en met hoge snelheid achter de motor reed. [getuige 4] zag dat de motorrijder vervolgens één baan naar rechts opschoof en voor hem, [getuige 4], kwam rijden. Direct daarna deed de Golf hetzelfde. [getuige 4] kreeg de indruk dat de Golf de motorrijder achtervolgde en was bang dat ze een ongeluk zouden krijgen waardoor de motorrijder ten val zou komen op de drukke snelweg.6

Terwijl [slachtoffer] en daarachter de Golf met zeer hoge snelheid op de meest linkerbaan reden, zag [slachtoffer] voor zich een SUV voertuig rijden.7 Dit betrof de Range Rover waarin getuige [getuige 1] op dat moment reed met zijn zoon ([getuige 2]) en een vriend van zijn zoon ([getuige 3]).8 Terwijl [slachtoffer] afremde voor de Range Rover, zag en voelde hij dat de Golf tegen de achterkant van zijn motor aanreed. [slachtoffer] voelde dat zijn motor hierdoor uit balans raakte en moest moeite doen om deze onder controle te houden. De Range Rover schoof één baan op naar rechts en [slachtoffer] reed met een snelheid van ongeveer 160 km/uur weg van de Golf. De Golf gaf ook gas en bleef achter [slachtoffer] aan rijden.9

De bestuurder van de Range Rover, getuige [getuige 1], zag dat een motorrijder hem inhaalde, gevolgd door een Golf die een halve meter achter de motor aan reed. [getuige 1] zag dat de motorrijder één baan naar rechts opschoof en voor hem kwam rijden. Direct daarna deed de Golf hetzelfde.10

Vervolgens zag en voelde [slachtoffer] dat de Golf opnieuw - dit maal nog harder - tegen de achterkant van zijn motor aanreed. Opnieuw raakte de motor uit balans en probeerde [slachtoffer] uit alle macht om zijn motor onder controle te houden. Net toen [slachtoffer] zijn motor weer onder controle kreeg, zag en voelde hij dat de Golf voor de derde keer tegen de achterzijde van zijn motor reed. [slachtoffer] zag dat de kentekenplaat van de Golf hierdoor aan één kant los kwam te hangen.11

[getuige 1] zag dat de motorrijder plotseling een stuk naar voren schoof en begon te slingeren, waardoor hij vermoedde dat de bestuurder van de Golf de motorrijder een zet had gegeven.12 [getuige 2] en [getuige 3] zagen dat de bestuurder van de Golf meerdere malen probeerde om de motorrijder van de weg af te rijden.13

Terwijl van [slachtoffer] op de middelste rijbaan reed is hij gaan afremmen tot een snelheid van ongeveer 120 km/uur. De Golf kwam vervolgens links naast hem rijden en reed steeds dichter naar hem toe. Op dat moment reed een vrachtwagen op de meest rechter rijbaan, waar [slachtoffer] steeds dichter naartoe werd gedreven. De Golf bleef op ongeveer 40 à 50 cm links van [slachtoffer] rijden en toen hij de vrachtwagen passeerde, kwam de Golf nog dichter naar hem toe gereden. Tussen [slachtoffer] en de vrachtwagen zat op een gegeven moment nog maar een halve meter ruimte. [slachtoffer] was doodsbang dat de Golf hem een duw van links zou geven waardoor hij tegen de vrachtwagen zou komen en daaronder zou belanden.14

[getuige 1] en [getuige 3] zagen dat de bestuurder van de Golf de motorrijder tegen de vrachtwagen probeerde aan te drukken.15 [getuige 1] is naar de meest linker rijbaan gereden omdat hij bang was dat de motorrijder onder de vrachtwagen terecht zou komen en dat hij dan vervolgens over hem heen zou rijden.16

[slachtoffer] is vervolgens gas gaan geven om voor de vrachtwagen te komen. Daarna zag hij dat de Golf hem inhaalde en daarbij rakelings langs hem reed. De Golf begon [slachtoffer] af te snijden, waarop [slachtoffer] heel hard is gaan remmen. De Golf ging schuin voor [slachtoffer] rijden en dwong hem steeds verder naar rechts, waardoor [slachtoffer] de vluchtstrook op moest rijden.17

[getuige 1] zag dat de Golf voor de motorrijder ging rijden en tot een snelheid van ongeveer 80 tot 100 km/uur afremde, waardoor de motorrijder tegen de Golf aan reed en zijn achterwiel omhoog kwam. Daarna zag hij dat de Golf een baan naar links opschoof en steeds dichter naar de motorrijder toe reed, waardoor de motorrijder richting de vangrail werd gedreven.18

Op dat moment heeft [getuige 1] ingegrepen en is hij met zijn Range Rover voor de Golf gaan rijden. Vervolgens is de Golf met zijn linkervoorkant tegen de rechterachterkant van de Range Rover aangereden. Daarna reed de Golf om de Range Rover heen, de A12 weer op. Vervolgens is de Golf met hoge snelheid weggereden en is [slachtoffer] hem uit het oog verloren. Toen [slachtoffer] iets later de tweede afrit van Zoetermeer opreed, zag hij dat op de Oostweg een aanrijding had plaatsgevonden, waarbij de Golf betrokken was. Ook [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] zagen dat de Golf bij de tweede afrit van Zoetermeer betrokken was geraakt bij een aanrijding met een andere auto.19

Die andere auto betrof een Opel Zafira waar op dat moment getuige [getuige 5] met zijn drie kinderen in zat. Hij reed op de Oostweg richting de oprit naar de A12 en zag plotseling vanaf links een grijze Volkswagen Golf op het wegdek neerkomen. [getuige 5] remde en stuurde naar links, waarna hij een hele harde klap hoorde en voelde.20 Twee verbalisanten die op dat moment beiden in vrije tijd op de Oostweg richting de A12 reden, zagen vanaf de afrit A12 Zoetermeer/Pijnacker met zeer hoge snelheid een zilvergrijze Volkswagen Golf aan komen rijden. Zij zagen dat de Golf over de verhoogde betonnen wegafscheiding (de middengeleider) reed, loskwam van het wegdek en met een harde klap terechtkwam op de tegengestelde rijbaan, de Oostweg richting Zoetermeer. Vervolgens zagen zij dat de Golf frontaal tegen een aldaar rijdende Opel reed. De verbalisanten zagen dat de bestuurder van de Golf vervolgens meerdere malen achteruit probeerde te rijden en daarna probeerde weg te rennen. De verbalisanten hebben de bestuurder, die [verdachte]bleek te zijn genaamd, aangehouden.21 Vervolgens kwam ook [slachtoffer] ter plaatse, die assisteerde met de aanhouding. Ook [slachtoffer] is werkzaam bij de politie, die in vrije tijd, in burgerkleding op zijn privémotor reed.22

Op het politiebureau bleek dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte

330 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg.23 Dit is meer dan de toegestane hoeveelheid van 88 microgram die geldt voor bestuurders van een motorrijtuig die korter dan 5 jaar over hun rijbewijs beschikken.24 Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht en ochtend te veel alcohol had gedronken.25

Ter plaatse is door de Technische en Ongevallendienst vastgesteld dat de Golf waarin verdachte reed vanaf de A12 rechts over de afslag 7 Zoetermeer Oost is aan komen rijden en op het kruisingsvlak A12/Oostweg over de middengeleider is geschoten, waarbij de carterpan van het motorblok beschadigd is geraakt en olie is gaan lekken. De Golf is vervolgens terechtgekomen op de rijbaan van de Oostweg bestemd voor het verkeer in tegengestelde richting en is met zijn voorzijde tegen de voorzijde van de Opel Zafira gebotst.26

Verder is geconstateerd dat de remschijven van de Golf blauw verkleurd waren. Deze verkleuring ontstaat door veelvuldig/langdurig remmen in combinatie met hoge snelheden, waardoor de warmte die daardoor ontstaat niet voldoende afgevoerd kan worden en het metaal van de remschijven verkleurt.27

Ook is gebleken dat de inhoud van de brandstoftank van de Golf minimaal was. De stand van de brandstofmeter was voorbij het rode vlak gedaald en de boordcomputer gaf (zeer waarschijnlijk al enige tijd) op het instrumentenpaneel optisch en akoestisch aan dat er getankt moest worden.28

Tijdens het onderzoek ter plaatste werd op de voorzijde van de Golf geen kentekenplaat aangetroffen.29 Deze is later teruggevonden op de vluchtstrook van de A12 rechts ter hoogte van hectometerpaal 11.5.30

Uit onderzoek is gebleken dat de Golf met zijn voorzijde in confrontatie is geweest met de achterzijde van de motorfiets van [slachtoffer]. Dit is bevestigd door sporen die zijn aangetroffen op de kentekenplaat van de Golf die is aangetroffen op de A12 en de grondplaat die achter de kentekenplaat aan de voorzijde van de Golf zat gemonteerd. De grondplaat en de bumper van de Golf bleken op een bepaald deel te zijn weggesmolten en de rand van de kentekenplaat bleek ter hoogte van deze smeltplek naar boven te zijn omgezet. Dit is ontstaan doordat de voorzijde van de Golf in confrontatie is geweest met het draaiende achterwiel van de motor, die met zijn grove profiel de kentekenplaat uit de houder heeft getrokken, waarbij de rand van de kentekenplaat is omgezet en de grondplaat deels is weggesmolten. Op de onderzijde van het achterspatbord van de motor zijn delen gesmolten plastic van de grondplaat en lakresten aangetroffen die qua kleur en structuur overeenkomen met de lak van de Golf.31

Voorts is vastgesteld dat de Golf met zijn linkervoorzijde in confrontatie is geweest met de rechterachterzijde van de Range Rover van [getuige 1]. Op de Range Rover zat op de rechterflank en op het achterwiel recente schade met daarop lakresten die qua kleur en structuur overeenkomen met de lak van de Golf. Op de Golf zat aan de linkerflank voor het voorwiel een beschadiging/bandafdruk die overeenkomt met de afmeting van de rechterachterband van de Range Rover.32

Verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend in zijn personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, vanuit Den Haag naar Gouda is gereden. Hij heeft verklaard dat hij stil stond voor de verkeerslichten bij de Nieuwe Haven voor het Prins Bernhardviaduct en dat naast hem een donkergetinte jongen in een zwarte Volkswagen Golf 5 stond, die een vuurwapen op hem richtte. Verdachte schrok hier erg van en is vervolgens hard weggereden richting de A12. Hij wilde “alleen maar kilometers maken” om weg te komen van de jongen in de zwarte Golf 5. Verdachte heeft verklaard dat op de A12 een motorrijder voor hem reed, die steeds voor hem bleef rijden terwijl verdachte hem probeerde te passeren. Welke handelingen verdachte precies allemaal heeft verricht op de A12 kon hij zich niet meer herinneren. Verdachte weet echter wel dat hij de motor eenmaal van achteren heeft geraakt op het moment dat hij hem links probeerde in te halen en de motorrijder ook ineens naar links ging. Verdachte heeft hierover verklaard dat de motorrijder gelukkig niet is gevallen, omdat hij het anders misschien niet na had kunnen vertellen.33 Verdachte heeft verder verklaard dat hij constant hard is doorgereden op de A12 en dat hij bij Zoetermeer de snelweg af is gegaan omdat hij moest tanken. Bovendien zou de motorrijder hem hiertoe gedwongen hebben, omdat deze voor hem reed en als verdachte rechtdoor was gereden, hij de motorrijder had doodgereden. Vervolgens kan verdachte zich herinneren dat hij door de middengeleider is gelanceerd en tegen een andere auto aan is gebotst.34

Op videofilmpjes die door omstanders zijn gemaakt van de aanhouding van verdachte, is te zien en te horen dat hij op dat moment ook heeft verklaard dat hij werd bedreigd door een man met een pistool in een zwarte Golf 5.

De politie heeft eerder genoemde camerabeelden van het Prins Bernhardviaduct bekeken en geconstateerd dat 10 minuten voor het moment van het passeren van verdachte op de camerabeelden en 5 minuten daarna geen zwarte of donkerkleurige Golf te zien is.35

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de confrontatie met de man in de zwarte Golf 5 mogelijk een kruising eerder heeft plaatsgevonden. Op het moment dat [slachtoffer] hem voorbij reed op de kruising met de Nieuwe Haven, stond hij wellicht stil om te kijken of de zwarte Golf 5 achter hem aankwam.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij is bedreigd door de jongen in de zwarte Golf 5 - gelet op bovenstaande bevindingen - zeer onwaarschijnlijk. Uit de camerabeelden blijkt voorts dat verdachte op het Prins Bernhardviaduct vóór [slachtoffer] reed. Dit strookt niet met zijn verklaring dat hij [slachtoffer] steeds probeerde in te halen maar dat deze hem er niet langs liet. Bovendien blijkt uit de verklaringen van meerdere getuigen dat [slachtoffer] verdachte steeds de ruimte gaf om hem te passeren, maar dat verdachte achter [slachtoffer] aan bleef rijden. Verdachte heeft zelfs enkele malen vóór [slachtoffer] gereden waarna hij weer afremde om naast of achter [slachtoffer] te kunnen komen.

Daarbij komt dat - ook al zou verdachte zich bedreigd hebben gevoeld - voor hem reeds vrij snel na het oprijden van de snelweg zichtbaar moet zijn geweest dat die onmiddellijke dreiging weg was. Immers, verdachte noch [slachtoffer], noch één van de getuigen verklaart over de aanwezigheid of enige betrokkenheid van een zwarte Golf 5 gedurende het rijden op de snelweg.

De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte [slachtoffer] meerdere malen op verschillende manieren ten val heeft geprobeerd te brengen. Verdachte is met zeer hoge snelheid dicht achter [slachtoffer] gaan rijden, heeft hem meermalen van achteren aangereden, heeft hem ingeklemd, weggedrukt en is voor hem gaan rijden om vervolgens plotseling te remmen. Door deze veelheid en verscheidenheid aan gerichte handelingen om [slachtoffer] ten val te brengen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte hiermee de opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Voor de vraag of verdachte hierbij tevens met voorbedachten rade heeft gehandeld, is volgens vaste jurisprudentie voldoende dat komt vast te staan dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (Hoge Raad 5 februari 2008 LJN BB4959). Het delict moet niet het gevolg zijn geweest van een onmiddellijke gemoedsbeweging. Niet verlangd wordt dat (uit de bewijsmiddelen blijkt dat) verdachte zich daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad; doorslaggevend is of hij de gelegenheid daartoe heeft gehad.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte gedurende een langere periode (waarin hij met de auto een afstand van ongeveer

15 km heeft afgelegd) meerdere keren, met een aantal tussenpozen, verschillende soorten handelingen heeft verricht waarmee hij heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Hoewel uit verdachte’s verklaring volstrekt onduidelijk is gebleven wat hem tot zijn rijgedrag heeft bewogen, blijkt uit zijn verklaring wel dat hij tijdens deze rit rationeel kon nadenken. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld de snelweg verlaten om te gaan tanken, hetgeen overeenkomt met het feit dat zijn brandstoftank nagenoeg leeg was.

Op grond van deze gang van zaken heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft geprobeerd te beroven. Verdachte heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om na te kunnen denken over de betekenis en de mogelijke gevolgen van zijn rijgedrag jegens [slachtoffer]. Verdachte heeft gezien dat [slachtoffer] bijna viel toen hij hem raakte en heeft naar zijn eigen zeggen beseft dat dit zijn dood had kunnen worden. Desondanks heeft verdachte er daarna steeds opnieuw voor gekozen om [slachtoffer] aan te vallen met geen ander doel dan om hem ten val te brengen met mogelijk dodelijk afloop.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer], zoals aan hem onder feit 1 primair ten laste is gelegd. Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol zoals onder feit 2 ten laste is gelegd en ten slotte dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op de weg heeft gehinderd zoals onder feit 3 ten laste is gelegd.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

op 27 april 2013 in de gemeente Den Haag en Zoetermeer, op de A12 tussen Den Haag en Zoetermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- meermalen met een auto (Volkswagen Golf) met zeer hoge snelheid tegen de achterzijde van de motor van die [slachtoffer] is gebotst/gereden en

- met zijn auto links van die [slachtoffer] is gaan rijden en steeds dichter/op (zeer) korte afstand naar die [slachtoffer] is gaan rijden, waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen uit te wijken in de richting van een rechts van hem ([slachtoffer]) op zeer korte afstand rijdende vrachtwagen en

- die [slachtoffer] meermalen heeft gesneden en steeds dichter/op zeer korte afstand naar die [slachtoffer] is gaan rijden, waardoor die [slachtoffer] werd gedwongen uit te wijken in de richting van de vluchtstrook en de vangrail,

terwijl hij, verdachte, ten tijde van voornoemde handelingen onder invloed van alcohol verkeerde,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op 27 april 2013 in de gemeente Den Haag en Zoetermeer (op de A12 van Den Haag naar Zoetermeer) als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 330 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken.;

3.

op 27 april 2013 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A12 en de Oostweg,

- met zeer hoge snelheid vanaf de A12 de afrit van afslag 7 Zoetermeer Oost is opgereden en

- zonder voldoende vaart te minderen op het kruisingsvlak A12/Oostweg rechtdoor over de middengeleider is geschoten waarbij de carterpan van het motorblok van verdachtes auto beschadigd raakte en olie begon te lekken en

- vervolgens op de rijbaan van de Oostweg voor het verkeer in tegengestelde richting terecht is gekomen, tegen een aldaar rijdende personenauto (Opel)

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat verdachte in een situatie van (psychische) overmacht verkeerde. Zijn rijgedrag werd veroorzaakt door een extreme en acute vorm van een stresssituatie, omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij werd gevolgd door een man die hem kort tevoren met een pistool had bedreigd vanuit een zwarte Golf 5 die naast hem stond voor een verkeerslicht.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling niet aannemelijk. Zelfs als dit zo zou zijn geweest, heeft verdachte meer dan genoeg tijd gehad om zich te realiseren dat de zwarte Golf 5 niet meer achter hem reed en zou het moment van pure angst die verdachte heeft beschreven voorbij zijn geweest op het moment van de aan hem verweten handelingen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht en verwijst daarbij naar hetgeen zij hiervoor onder 3.4 heeft overwogen ten aanzien van de voorbedachten rade. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, sluit dit uit dat verdachte heeft gehandeld vanuit een situatie waarbij hij de psychische dwang om aldus te handelen redelijkerwijs niet kon weerstaan.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder

1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, dat hem ter zake van het hem onder 1 primair ten laste gelegde daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 9 jaar wordt opgelegd en voorts dat hem ter zake van het hem onder 3 ten laste gelegde een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de bepaling van de straf rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en ten slotte met de omstandigheid dat niemand gewond is geraakt als gevolg van het handelen van verdachte. Voorts heeft de raadsman verzocht om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 april 2010 (LJN BM2387), waarin in een soortgelijke zaak ter zake van poging tot moord een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar is opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord, rijden onder invloed en gevaarzetting op de weg. Verdachte heeft op zaterdag 27 april 2013 omstreeks 8.30 uur met zijn personenauto op de snelweg A12 gereden nadat hij de voorgaande avond en nacht een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had gedronken. Op de A12 heeft hij over een afstand van ongeveer 15 km op verschillende manieren geprobeerd om een motorrijder, de heer [slachtoffer], dood te rijden. Verdachte is met zijn auto meerdere malen tegen de achterkant van de motor van [slachtoffer] gereden, heeft hem afgesneden en heeft hem in de richting van een vrachtwagen en een vangrail gedreven. Dit alles terwijl zij met zeer hoge snelheid op een drukke snelweg reden. Verschillende passerende automobilisten vreesden voor het leven van [slachtoffer] en één van hen heeft zich daardoor genoodzaakt gevoeld om, ondanks dat daarbij mogelijk ook voor hem en de andere inzittenden van zijn auto gevaar zou ontstaan, in te grijpen door vóór verdachte te gaan rijden. Dat [slachtoffer] of anderen geen (dodelijk) letsel hebben opgelopen is een gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan verdachte te danken is. Verdachte heeft [slachtoffer] door zijn handelen zeer angstige en schrikbarende momenten bezorgd waarvan hij nog steeds last ondervindt, zoals treffend is gebleken uit zijn ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring.

Vervolgens is verdachte met hoge snelheid een afrit van de A12 afgereden, waarna hij over een middengeleider is geschoten en tegen een aldaar rijdende auto is gebotst. In dit voertuig zaten een man en drie kinderen en ook ten aanzien van dit feit geldt dat verdachte van geluk mag spreken dat de gevolgen beperkt zijn gebleven tot materiële schade. Door aldus te handelen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op de weg gehinderd. De rechtbank rekent het verdachte voorts aan dat hij, in plaats van hulp te bieden aan de inzittenden van het voertuig waarmee hij in botsing was gekomen, nog heeft getracht de plaats van het ongeval te verlaten door te proberen achteruit te rijden en weg te rennen.

Verdachte heeft met zijn zeer gevaarlijk rijgedrag geen enkel respect getoond voor het leven en welzijn van zijn medeweggebruikers en heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Dit zijn ernstige feiten waarvoor enkel een gevangenisstraf op zijn plaats is. Nu deze feiten zijn gepleegd met een motorrijtuig dat verdachte ten tijde van het feit bestuurde, acht de rechtbank daarnaast een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden.

De rechtbank heeft kennis genomen van een op verdachtes naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 april 2013, waaruit blijkt dat hij meermalen eerder is veroordeeld tot onder meer gevangenisstraffen, zij het niet voor soortgelijke strafbare feiten. Op 20 februari 2013 is verdachte door de kantonrechter veroordeeld tot een geldboete ter zake van een snelheidsovertreding en in 2009 en 2011 is aan hem een geldboete opgelegd voor het rijden zonder rijbewijs. Verdachte trekt zich kennelijk weinig aan van de voor een ieder geldende verkeersregels.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een over verdachte opgemaakt reclasseringsadvies d.d. 24 juli 2013, waarin wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van risicofactoren op meerdere leefgebieden, waaronder denkpatronen, gedrag, vaardigheden en houding. De reclassering verwacht dat verdachte zich in een ambulant kader moeilijk zal laten begeleiden. Een klinische behandeling bij een instelling waar diagnostiek wordt afgenomen en een behandeling met een nazorgtraject gericht op wonen en werken zal verdachte structuur en stabiliteit opleveren. Een klinische behandeling is voor verdachte echter onbespreekbaar en hij staat enkel welwillend tegenover een meldplichtcontact met de reclassering, voor zover dat contact is gericht op ondersteuning op het gebied van wonen. Dit zal naar verwachting van de reclassering echter geen meerwaarde bieden ten aanzien van de afname van de recidivekans bij verdachte in de toekomst. De reclassering adviseert derhalve om aan verdachte geen meldplichtcontact met de reclassering op te leggen. Tijdens zijn detentiefasering kan eventueel getracht worden om verdachte te motiveren om mee te werken aan een klinische behandeling bij een instelling zoals Groot Bavelaar.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank voorts gelet op straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd en wil zij de verdachte, gelet op zijn jeugdige leeftijd, nog enig perspectief bieden dat hij na het uitzitten van de vrijheidsstraf en na afloop van de rijontzegging zijn leven op een betere manier kan vormgeven dan hij tot nu toe heeft gedaan. De straf valt daarom lager uit dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden omvang passend en geboden.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 750,-.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

7.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zich desgevraagd bereid verklaard de vordering van de benadeelde partij te zullen voldoen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, die betrekking heeft op een bedrag van € 750,- als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu door of namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 750,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 27 april 2013 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 april 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp zal worden verbeurdverklaard.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 45, 57, 62 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 8, 176, 177, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot moord;

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 primair voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de

duur van 6 (zes) jaar;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 3 tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de

duur van 1 (één) jaar;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 april 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

1.00

[personenauto].

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.F.H. van Eijk, voorzitter,

mrs M.T Renckens en M. Rootring, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.N. Schrover, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 augustus 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1551 2013082952, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 135).

2 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 33-34; Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 1 mei 2013, p. 96-97.

3 Proces-verbaal van bevindingen, 1 mei 2013, p. 100-101.

4 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 34-35.

5 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 34-35.

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4], 6 mei 2013, p. 119-120; Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 4] door de rechter-commissaris, 22 juli 2013.

7 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 35-36.

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 27 april 2013, p. 44-46.

9 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 35-36.

10 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 27 april 2013, p. 44-46; Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris, 22 juli 2013.

11 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 35-36.

12 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 27 april 2013, p. 44-46; Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris, 22 juli 2013.

13 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], 27 april 2013, p. 51-53; Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], 27 april 2013, p. 48-49; Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris, 25 juli 2013

14 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 35-36.

15 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 27 april 2013, p. 45; Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], 27 april 2013, p. 49.

16 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 27 april 2013, p. 44-46; Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris, 22 juli 2013.

17 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 35-36.

18 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 27 april 2013, p. 44-46; Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris, 22 juli 2013.

19 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 36; Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 27 april 2013, p. 46; Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], 27 april 2013, p. 52-53; Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], 27 april 2013, p. 49.

20 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5], 27 april 2013, p. 77-79

21 Proces-verbaal aanhouding, 27 april 2013, p. 12-13; Proces-verbaal van bevindingen, 27 april 2013, p. 14-15.

22 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer], 27 april 2013, p. 33-36.

23 Proces-verbaal, 27 april 2013, p. 60-62; Proces-verbaal, 27 april 2013, p. 63-65.

24 Proces-verbaal invordering rijbewijs beginnend bestuurder, 27 april 2013, p. 66-67.

25 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 augustus 2013.

26 Proces-verbaal van bevindingen, 3 juni 2013, p. 3-4 en fotobladen 1-4, 11-13 en 15-16 (proces-verbaalnummer 2013082952-41).

27 Proces-verbaal van bevindingen, 3 juni 2013, p. 4 (proces-verbaalnummer 2013082952-41).

28 Proces-verbaal van bevindingen, 3 juni 2013, p. 4 en fotobladen 17-18 (proces-verbaalnummer 2013082952-41); Proces-verbaal sporenonderzoek, 19 juli 2013 (proces-verbaalnummer PL15J1-2013082952-44)

29 Proces-verbaal van bevindingen, 3 juni 2013, p. 4 en fotoblad 11 (proces-verbaalnummer 2013082952-41).

30 Proces-verbaal aanvullend, 1 mei 2013 (proces-verbaalnummer 2013082952-41).

31 Proces-verbaal van bevindingen, 3 juni 2013, p. 5 en fotobladen 19-28 (proces-verbaalnummer 2013082952-41)

32 Proces-verbaal van bevindingen, 3 juni 2013, p. 5 en fotobladen 5-10 (proces-verbaalnummer 2013082952-41)

33 Proces-verbaal verhoor verdachte, 27 april 2013, p. 23; Proces-verbaal verhoor verdachte, 3 mei 2013, p. 110.

34 Proces-verbaal verhoor verdachte, 3 mei 2013, p. 110-116.

35 Proces-verbaal van bevindingen, 3 mei 2013, p. 102