Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10605

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2013
Datum publicatie
20-08-2013
Zaaknummer
442132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Beslissing op schriftelijk verzoek tot wraking. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2013/29

zaak-/rolnummer: 442132 / KG RK 13-923

procedurenummers: SGR AWB 12/7871

datum beschikking: 27 mei 2013

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat: mr. S. Bharatsingh;

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst Haaglanden kantoor Den Haag,

strekkende tot wraking van:

mr. M.A. Dirks,

bestuursrechter in de rechtbank Den Haag.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

De Belastingdienst heeft in het kader van het project "Bank Zonder Naam" onderzoek gedaan naar gelden op buitenlandse bankrekeningen ten name van Nederlandse belastingplichtigen. Aan verzoekster is in verband hiermee een informatiebeschikking ex artikel 52a van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen opgelegd. Het daartegen ingediende bezwaar is door de inspecteur afgewezen. Namens verzoekster heeft gemachtigde mr. S. Bharatsingh (verder te noemen: de gemachtigde) daartegen een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

De behandeling van het beroepschrift stond gepland voor de zitting van de meervoudige kamer onder voorzitterschap van bestuursrechter mr. M.A. Dirks. Gemachtigde heeft in zijn faxbericht d.d. 16 april 2013 mr. Dirks verzocht om zich te verschonen ten aanzien van de zaak van zijn cliënte, verzoekster [verzoekster]. Voorts heeft gemachtigde na kennis te hebben genomen van de reactie van mr. Dirks op zijn verzoek tot verschoning in een daarop volgend faxbericht een wrakingsverzoek in het vooruitzicht gesteld. Op 17 april 2013 is de meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. Dirks tot mondelinge behandeling van het beroepschrift van verzoekster overgegaan. Op die datum was nog geen wrakingsverzoek ontvangen. Op deze behandeling was namens verweerder aanwezig P.M. Krauwinkel, bijgestaan door S. van Gils. Het onderzoek is gesloten en de uitspraakdatum is bepaald op 29 mei 2013. Gemachtigde is hiervan bij brief van 17 april 2013 op de hoogte gesteld.

Bij faxbericht van 25 april 2013, ingekomen ter griffie op 26 april 2013, heeft gemachtigde namens verzoekster (alsnog) verzocht mr. Dirks te wraken.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 13 mei 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Gemachtigde en mevrouw S. van Gils zijn verschenen. De bestuursrechter mr. Dirks is niet verschenen. Het wrakingsverzoek is door de gemachtigde toegelicht.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Mr. Dirks heeft deel uitgemaakt van een meervoudige kamer, die eerder uitspraken heeft gedaan op beroepschriften in soortgelijke zaken van het Project "Bank Zonder Naam" die door de gemachtigde bij de rechtbank zijn ingediend. In die zaken heeft hij beslist over dezelfde rechtsvragen en feiten die in het onderhavige beroepschrift aan de orde zijn. Dit betekent dat hij zich al een oordeel heeft gevormd over die rechtsvragen en feiten. Daardoor is er sprake van vooringenomenheid, dan wel is bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat deze rechter niet in staat zal zijn om zich los te maken van zijn eerdere oordeel in een identieke zaak en om ten aanzien van dat eerdere oordeel nog een professionele distantie te betrachten. Aldus is de schijn van vooringenomenheid jegens verzoekster gewekt.

3.2

Ter zitting heeft verzoekster in aanvulling op het wrakingsverzoek aangevoerd dat een grond voor haar verzoek is dat mr. Dirks in de procedure met kenmerk AWB 12/467 en AWB 12/468 bij uitspraak van 30 november 2012 eerdere beroepen van verzoekster ter zake van navorderingsaanslagen ongegrond heeft verklaard. In deze beschikking heeft mr. Dirks op basis van door de belastingdienst uit het buitenland verkregen renseignementen geoordeeld dat verzoekster een bankrekening in het buitenland had. In de procedure die thans aanhangig is wordt door de belastingdienst wederom een beroep gedaan op deze renseignementen ter onderbouwing van zijn stelling dat verzoekster (in opvolgende jaren) nog steeds een bankrekening in het buitenland had. De rechter moet met andere woorden beoordelen of zijn eigen eerdere uitspraak juist was en daarmee is de schijn van gebrek aan onpartijdigheid van de rechter gegeven.

4 Het standpunt van mr. M.A. Dirks

De bestuursrechter mr. Dirks heeft op 7 mei 2013 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Hij berust niet in de wraking en heeft zich in zijn reactie op het standpunt gesteld dat er geen sprake kan zijn van een schijn van vooringenomenheid doordat hij in een kamer zitting neemt die dossiers behandelt – waaronder de zaak tegen de cliënte van gemachtigde – die vergelijkbaar zijn met dossiers waarop hij eerder uitspraak heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat een rechter in een vergelijkbare zaak uitspraak heeft gedaan, brengt niet met zich dat deze rechter niet onpartijdig zou zijn, aldus mr. Dirks in zijn reactie. Ten slotte heeft mr. Dirks nog opgemerkt dat er in de zaak van verzoekster sprake is van een andere toetsing dan in de zaken waarmee verzoekster haar zaak vergelijkt.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3

In de kern komt het wrakingsverzoek erop neer dat verzoekster meent dat er een groot risico bestaat op een subjectieve en partijdige beoordeling van haar zaak door de bestuursrechter vanwege de eerdere betrokkenheid van deze rechter bij de behandeling van vergelijkbare zaken. Verzoekster vreest daarom dat de uitspraak ook voor haar negatief zal uitvallen.

Bij de beoordeling van onderhavig verzoek stelt de wrakingskamer voorop dat de enkele omstandigheid dat de gewraakte rechter in vergelijkbare zaken uitspraken heeft gedaan niet met zich brengt dat hij niet onpartijdig zou zijn. De omstandigheid dat in met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken voor het bewijs van het bestaan van buitenlandse bankrekeningen gebruik is gemaakt van dezelfde van de Belgische dan wel Luxemburgse autoriteiten verkregen renseignementen doet aan het voorgaande niet af. Dat geldt temeer nu het gaat om persoonsgegevens en uit de eerdere zaken – zoals die door de gemachtigde zijn aangehaald – blijkt dat de bestuursrechter in iedere individuele zaak afzonderlijk heeft getoetst of de in de renseignementen vervatte gegevens te herleiden waren tot de justitiabele en welke conclusies daaruit voor een bepaald belastingjaar getrokken moeten worden. Dat daarbij wellicht een bepaalde systematiek is gehanteerd door de bestuursrechter, ligt binnen de rechterlijke beoordelingsvrijheid. Anders dan de gemachtigde heeft betoogd, heeft de bestuursrechter hiermee niet de door de Belastingdienst gehanteerde identificatiemethode goedgekeurd.

5.4

Ten aanzien van de door verzoekster ter zitting aangevoerde grond dat mr. Dirks zich bij zijn eerdere beslissing op een beroep van verzoekster een oordeel heeft gevormd over precies hetzelfde renseignement als waarop de belastingdienst zich nu wederom beroept, is verzoekster niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 8:16 van de Awb dient het wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Tevens dient de verzoeker alle feiten en omstandigheden die hem tot zijn wraking brengen tegelijk voor te dragen. Vaststaat dat verzoekster deze grond niet expliciet in het wrakingsverzoek van 25 april 2013 heeft opgenomen, maar eerst ter zitting van deze wrakingskamer op 13 mei 2013 aan haar verzoek tot wraking ten grondslag heeft gelegd.

5.5

Nu hetgeen overigens door verzoekster is aangevoerd het wrakingsverzoek niet kan dragen en zich naar het oordeel van de wrakingskamer geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor vooringenomenheid van mr. Dirks dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoekster, dient het verzoek voor het overige te worden afgewezen.

5.6

Derhalve zal als volgt worden beslist.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk voor zover zij aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd dat de rechter over hetzelfde renseignement moet oordelen als hij eerder ten aanzien van haar heeft gedaan;

- wijst het verzoek tot wraking voor het overige af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoekster p/a de gemachtigde mr. S. Bharatsingh,

• de verweerder in de hoofdzaak de inspecteur van de Belastingdienst Haaglanden kantoor Den Haag (t.a.v. S. van Gils),

• de bestuursrechter mr. M.A. Dirks.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, I.D. Bellaart en I. Brand, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander als griffier en in het openbaar uitgesproken op

27 mei 2013.