Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10514

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
439737
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Beslissing op het schriftelijke verzoek tot wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/505

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2013/20

zaak-/rekestnummer: 439737 / KG RK 13-665

kenmerk: 1231589 EJ VERZ 13-80203

datum beschikking: 26 april 2013

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

strekkende tot wraking van:

mr. F.J. Verbeek,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

De hoofdzaak betreft een verzoek van verzoekster tot ontslag of schorsing van haar broer [betrokkene 1] als executeur in de nalatenschappen van hun beide ouders en tot benoeming van een notaris als beheerder van de nalatenschappen. Op 25 februari 2013 heeft een comparitie van partijen ten overstaan van de kantonrechter plaatsgevonden. Onderhavig verzoek tot wraking van de kantonrechter is op 20 maart 2013 bij de rechtbank ingekomen. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het op 21 maart 2013 door de kantonrechter en de griffier opgemaakte proces-verbaal van voornoemde comparitie. Op 2 april 2013 heeft de wrakingskamer ten slotte van de kantonrechter een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ontvangen.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 15 april 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is verschenen. Voorts is ter ondersteuning van verzoekster verschenen de heer [betrokkene 2]. De kantonrechter heeft haar standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt en daarbij tevens aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 Het standpunt van verzoekster

Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

De advocaat van verweerder in de hoofdzaak heeft de kantonrechter voorafgaande aan de comparitie van 25 februari 2013 schriftelijk verzocht de behandeling aan een ambtgenoot over te dragen omdat hem een vooringenomenheid ten aanzien van zijn persoon was gebleken tijdens eerdere zittingen. De kantonrechter heeft het verzoek enkele dagen voor de zitting afgewezen. Ter zitting heeft de advocaat van verweerder laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling door de kantonrechter. Vanaf dat moment had de kantonrechter kennelijk haar mening over de zaak al bepaald. Dit blijkt volgens verzoekster uit de omstandigheid dat de kantonrechter steeds bevestigend naar de wederpartij knikte. Voorts heeft de kantonrechter verzoekster geadviseerd om “het los te laten” en om niet in hoger beroep te gaan tegen het te wijzen vonnis. De zitting werd al geschorst voor schikkingsonderhandelingen tussen partijen, voordat alle feiten waren besproken. Toen de kantonrechter de broer van verzoekster vroeg hoe hij tegen de zaak aankeek, deed hij een verhaal dat niet uit feiten maar uit emoties bestond. De kantonrechter reageerde hierop begripvol, maar stond verzoekster niet toe daarop te reageren.

4 Het standpunt van mr. F.J. Verbeek

De kantontrechter berust niet in de wraking. Allereerst is zij van mening dat verzoekster in het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de grond dat het te laat is ingediend, omdat de feiten en omstandigheden die aanleiding zijn geweest om het verzoek in te dienen al op 25 februari 2013 aan verzoekster bekend zijn geworden. Verzoekster had het verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 37 Rv, tijdens of direct na de comparitie moeten indienen. Subsidiair wijst de kantonrechter erop dat zij partijen de gelegenheid heeft gegeven in twee termijnen de argumenten te wisselen. De feiten, die al uit het dossier bekend waren, zijn daarbij uitvoerig toegelicht, alvorens een minnelijke oplossing te onderzoeken. De kantonrechter heeft verzoekster niet toegestaan op haar broer te reageren, omdat dit volgens haar niet bevorderlijk zou zijn geweest voor de schikkingsbereidheid van partijen. Ook heeft zij verzoekster bij wijze van voorlopig oordeel voorgehouden dat zij het verzoek niet kansrijk achtte. Waarschijnlijk heeft zij in dat verband inderdaad gezegd dat verzoekster er mogelijk goed aan zou doen “het los moest laten”. De kantonrechter kan zich niet herinneren voortdurend te hebben geknikt, maar betwist niet dat zij mogelijk partijen heeft toegeknikt. In de wijze waarop zij de zaak ter zitting heeft behandeld blijkt echter niet dat zij blijk heeft gegeven van partijdigheid of de schijn daarvan zou hebben gewekt, aldus de kantonrechter.

5 De beoordeling

5.1.

Op zichzelf is het juist dat het wrakingsverzoek niet tijdig, in de zin van artikel 37 lid 1 Rv, is gedaan. Immers pas 23 dagen na de gewraakte comparitie van partijen is het verzoek bij de rechtbank binnen gekomen. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoekster, die een toevoeging heeft, toegelicht dat zij vlak na de comparitie van partijen van 25 februari 2013 contact heeft opgenomen met het kantoor van haar advocaat en toen vernomen heeft dat haar advocaat niet langer bij dat kantoor werkzaam was. Zij heeft toen zelf een klacht tegen de kantonrechter ingediend op 10 maart 2013. Pas door de reactie op deze klacht begreep zij dat het de geëigende weg was om een wrakingsverzoek in te dienen, hetgeen verzoekster daarna ook heeft gedaan. Gelet op deze gang van zaken is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek ontvankelijk is, nu verzoekster materieel gezien haar bejegening door de kantonrechter al op 10 maart 2013 aan de orde heeft willen stellen, maar dat bij gebreke van een advocaat eerst op de verkeerde wijze heeft gedaan. Verzoekster kan dan ook in onderhavig verzoek worden ontvangen.

5.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.4.

De door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden hebben betrekking op de bejegening van verzoekster door de kantonrechter en het non-verbale gedrag van de kantonrechter. Hoewel bij verzoekster kennelijk de subjectieve vrees voor bij de kantonrechter aanwezige vooringenomenheid is ontstaan, is naar het oordeel van de wrakingskamer niet aannemelijk geworden dat die vrees objectief gerechtvaardigd is. In dit verband geldt dat niet in geschil is dat de kantonrechter beide partijen twee termijnen heeft gegeven om de standpunten over en weer toe te lichten. Dat eiseres het vervelend vond dat zij niet mocht reageren op het emotionele betoog van haar broer is vanuit haar standpunt bezien voorstelbaar, maar de kantonrechter heeft gemeend dat een emotionele reactie van verzoekster de onderhandelingen zou frustreren. Daarmee heeft de kantonrechter geen beslissing genomen die zo onbegrijpelijk is dat hiervoor geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

5.5.

Dat de kantonrechter vervolgens haar voorlopig oordeel over de zaak aan partijen heeft gegeven en dat dit voorlopig oordeel ongunstig was voor verzoekster kan niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Tegen een voor een partij onwelgevallig voorlopig oordeel kan het middel van wraking in beginsel niet met succes worden aangewend. Een rechter die een voorlopig oordeel geeft, zoals te doen gebruikelijk in civiele comparities, doet dat op de merites van de zaak en na bestudering van het dossier en is ook bedoeld om partijen dit in hun schikkingsonderhandelingen te laten meewegen.

5.6.

De conclusie uit het voorgaande is dat de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond geven te vrezen dat het de kantonrechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt.

5.7.

Het verzoek wordt afgewezen.6. De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39 lid 3 Rv wordt toegezonden aan:

• verzoekster [verzoekster];

• verweerder in de hoofdzaak [betrokkene 1] p/a zijn advocaat mr. Vermeulen;

• de kantonrechter mr. F.J. Verbeek.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.G.M. van Rens, J.G.J. Brink en

J.Th. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.X. Cozijn als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2013.